Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Mol­lenel­lende

op .

Deze col­umn (sinds juni 2006) heet Ont­dek de Flora en Fauna van de Haar­lem­mer­meer. De reden is, dat er over het alge­meen gedacht wordt dat de Haar­lem­mer­meer een zeer arme polder is in bio­di­ver­siteit (en dat er daarom ook makke­lijk nieuw beton en asfalt wordt aan­gelegd). De afgelopen 12 jaar heeft al wel geleerd dat er een ongelofe­lijke ver­schei­den­heid aan soorten in onze polder voorkomen en mijn inschat­ting is dat ik voor het behan­de­len van alle ca 10.000 soorten een jaar of 400 nodig zal hebben. Zo nu en dan gaat het niet alleen over nieuwe soorten maar gebeurt er iets bij­zon­ders. Zo zit­ten we nu mid­den in de groot­ste droogte– en hit­te­golf sinds er weergegevens wor­den bijge­houden. En die droogte heeft ook effecten in de natuur op soorten. Zo vind ik aan de lopende band dode mollen en dat is opmerke­lijk.

Bij­zon­der
De eerste 3 mollen heb ik in de com­posthopen ver­w­erkt, maar bij nr 48 begon er enige ongerus­theid op te spe­len. Op mol 4 heb ik daarom een gecom­bi­neerde anatomis­che les en sec­tie uit­gevo­erd (foto) en wat bleek: de arme mol was heel mager, geen vet en geen inhoud in het spi­jsver­t­er­ingssys­teem. Dat mollen van de honger ster­ven, kan samen­hangen met de droogte omdat hun voor­naam­ste voed­sel: regen­wor­men steeds dieper in de aarde wegkruipt en de Haar­lem­mer­meerse klei bij droogte hard wordt als beton. Een mol moet dus steeds harder werken om steeds min­der voed­sel buit te maken. Als hij een ons wor­men ver­brandt om 50 gram te van­gen, sterft hij na 46 weken van honger en uit­putting. Graag hoor ik van lez­ers of er op andere plaat­sen ook extra mol­len­sterfte gecon­sta­teerd wordt.

Waar
Mollen zijn zeer algemene bewon­ers van onze polder. Ze graven gan­gen waarin ze via hun neus wor­men en ander bodem­leven opsporen. Ze leven 4 uur op en 4 uur slapen, jaar­rond. Meestal zijn de Ned­er­landse con­di­ties ideaal om wor­men te kun­nen zoeken in bijna altijd vochtige humus­rijke grond. Dit jaar zou wel eens een mol­len­ramp jaar in een groot deel van Europa kun­nen worden.

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 10 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 metselwesp2insectenTweepunt-​deukmetselwesp (2)12 aug 2013augus­tus
 metselwesp2

 metselwesp2

Er zijn sluip­we­spen die leven van het leggen van eieren in blad­luizen en sluip­we­spen die eieren leggen in ander sluip­we­spen soorten. Verder zijn er graafwe­spen, blad­we­spen, blad­we­spen, goud­we­spen, honger­we­spen, bron­swe­spen, gal­we­spen en ga zo maar door.

Met­sel­we­spen zijn soli­taire wespen­soorten die hun prooien in een hol­letje prop­pen en er een eitje bij leggen en dan hun jong bescher­men door de ingang met klei of leem af te sluiten. Het nest wordt met een mengsel uit klei en enkele tot 1 mm grote zand­ko­r­relt­jes dicht­ge­plakt. Het duurt 12 dagen tot het gat dicht is. (Zie foto).

Aan de grootte van de nestopen­ing en de afs­luit­ing van het nest, kan men veel bewon­ers herkennen.

Drie soorten hebben een grote nestin­gang, maar ver­schillen in de afsluiting:

- De tweepunt-​deukmetselwesp doet veel moeite om de afs­luit­ing van het nest heel glad te maken.

- De Rosse met­sel­bij doet dat met min­der zorg en maakt een ruw klei opper­vlak als nestafsluiting.

- De Wormkruidz­i­jde­bij maakt uit speek­sel een cellofaan-​achtige stof voor de nestafsluiting.

De Tronken­bij heeft kleine nestin­gan­gen met een bij­zon­dere afs­luit­ing: Als enige dier­soort kan dit bijtje naald­boomhars met speek­sel vloeibaar maken. Zij sluit het nest met een men­gel uit veel naald­boomhars, enkele kleine schelpdeelt­jes en zeer kleine zand­ko­r­relt­jes af.

De tweepunt-​deukmetselwesp wordt zelf ook weer belaagd door een andere soort wesp. En wel door m.i. het mooiste insect van Ned­er­land: de goud­wesp (foto). Dit zijn zoge­naamde koekoek­swe­spen. Als het vrouwtje van hun prooi­dier op jacht is, leggen ze snel hun eitje in het hol­letje. Dat eitje komt eerder uit dan de larve van de met­sel­wesp, peuzelt die op en leeft dan verder op de voed­selvoor­raad die voor dat andere jong was aangelegd.

Waar

De muur­we­spen hebben tien­tallen hol­let­jes in het insecten­ho­tel aan het verenig­ings­ge­bouw van De Heiman­shof in bezit genomen. Het is een vrij algemene soort in Noord– en Midden-​Europa.

 metselwesp1insectenTweepunt-​deukmetselwesp (1)5 aug 2013augus­tus
 metselwesp1

Tot een week of wat gele­den was het weer relatief koud en nat. Echt ‘slakken’ weer. Op de akkers en de tuin­t­jes in De Heiman­shof hebben we tien­duizen­den vooral naak­t­slakken ger­aapt en afgevo­erd en des­on­danks wer­den de meeste kiem­planten weggevreten voor ze vol­wassen wer­den. Maar de laat­ste weken hebben veel goed gemaakt.

Het is nu echt insecten­weer en op en rond de insecten­ho­tels in de tuin kri­oelt het van de soli­taire bijen en wespen. Deze week telde ik op een moment tien­tallen 34 mm grote tronken bijt­jes, vele rosse met­sel­bi­jen, 10 blad­sni­jder­s­bi­jen met de onver­mi­jdelijke rovers die daarop af komen, 5 goud­we­spen, 4 honger­we­spen, en nog een stuk of 20 zenuwachtig rond­vliegende en ondefinieer­bare sluipwespensoorten.

Een ander insecten­ho­tel werd mas­saal bezocht door met­sel­we­spen. Van deze soort had­den we er nog nooit zoveel gezien. Het was de tweepunt-​deukmetselwesp (Sym­mor­phus bifas­cia­tus; zie foto). (Met duizen­den soorten om te benoe­men krijg je dit soort ingewikkelde namen).

Deze soort is gespe­cialiseerd in het van­gen van blad­haan­t­jes, zoals het blauwe wilgen­haan­tje en het veelk­leurig wilgen haan­tje, waar­van met name de 2e veel in De Heiman­shof voorkomt.

Bijen en wespen zijn nauw ver­want. Het ver­schil tussen beide groepen is dat bijen stu­ifmeel als eiwit­bron voor hun lar­ven gebruiken en wespen hun jon­gen groot bren­gen op dier­lijke prooien.

Er zijn in Ned­er­land ca 350 soorten bijen bek­end, maar er zijn duizen­den wespensoorten.

Wespen vervullen in de insecten­wereld de rol van wol­ven, leeuwen en marters bij de zoogdieren: het zijn rovers die het aan­tal ’veg­e­tarische’ soorten beja­gen en zo de natuur in bal­ans houden. En zo hebben wespen zich op duizen­den manieren gespe­cialiseerd om andere insecten te van­gen. De meeste wespen soorten zijn sluip­we­spen, waar we in tegen­stelling tot de ‘limon­ade’ wesp nooit iets van zien of last van hebben.

Met dank aan Pro­fes­sor Ernst die met insecten­weer dagelijks in De Heiman­shof is voor infor­matie en foto’s.

 rosse_woelmuiskleine dierenRosse woel­muis7 jul 2013juli
 rosse_woelmuis

Er bestaan een 20-​tal muizen­soorten in Ned­er­land, die alle­maal een ver­bor­gen leven lei­den omdat ze zwaar bejaagd wor­den door roofdieren en de mens. Het meest komen we de huis­muis tegen. Het is een van de ‘ware’ muizen soorten, d.w.z. hij heeft net als de mensen knobbelkiezen,is een alle­seter en heeft grote afs­taande oren, een lange staart, net als de bru­ine en de zwarte rat, de bosmuis en de dwergmuis. Veel algemener zijn de woel­muizen. Dat merk je pas als je braak­ballen uit­pluist van uilen. De veld­muis is daar­van het meest alge­meen. In een ha weg­berm kun­nen er wel 1000 leven. Woel­muizen zijn net als koeien vegetariërs, die maalkiezen hebben om gras en zaad­jes fijn te malen en korte platte oren en korte staarten. Waar de veld­muis in wei­den en akkers leeft, leeft de rosse woel­muis in dicht begroeide bosjes. Hij heet zo omdat hij een rossige gloed in zijn vacht heeft (zie foto). Afhanke­lijk van het seizoen en het voed­se­laan­bod leven er 5100 dieren/​ha. De rosse woel­muis wordt gemid­deld 3 maan­den, max­i­maal 18 maan­den en tot 40 maan­den in gevangenschap.

Bij­zon­der

Rosse woel­muizen eten zachte zaden, vruchten, bladeren, kruiden en boom­schors (tot op 5 m. hoogte), aange­vuld met pad­den­stoe­len, mossen, wor­tels, knop­pen en gras, en ook insecten, wor­men en slakken. In noordelijke streken leggen ze voed­selvoor­raden aan. Ze houden geen win­ter­slaap. De rosse woel­muis maakt gebruik van routes door het kre­upel­hout, ondiepe onder­grondse gan­gen en vol­doende dichte onder­groei. Hij graaft min­der dan andere woel­muizen maar legt toch gan­gen aan.

Waar

In grote delen van Europa komen rosse woel­muizen voor, behalve in het uiter­ste zuiden. Ze leven vooral in loof­wouden en stru­ikge­was, maar ook in gebieden met hoge grassen en kruiden en in een park­land­schap. Deze soort was tot op heden niet uit de Haar­lem­mer­meer bek­end, maar werd afgelopen week in De Heiman­shof aangetrof­fen. In Ned­er­land zijn ze aan te tre­f­fen op hogere gron­den, in stru­ikge­was, bos en plaat­sen met veel vegetatie.

 ratelaarplantenRate­laar30 jun 2013juni
 ratelaar

De natuur staat volop in bloei: Daarom was het afgelopen week­end ′open week­end′ van De Heiman­shof en een ′werk– en geni­etdag′ in de Houtwijk­erveld­wijk­tuin. Ook de akkerkruiden zoals als klaprozen, koren­bloe­men, bolderiken, kamille, reuk­loze kamille en vele andere soorten die we afgelopen win­ter weer hebben bijgeza­aid rond de IJtocht in Over­bos en Flo­riande zijn zeer de moeite waard om de komende week even langs te fiet­sen. In deze bloe­men­zones viel de gestage toe­name van een geel bloeiende soort op: De grote rate­laar. Deze plant heet zo omdat zijn rijpe zaden een ram­me­lend geluid maken in hun kelk­bladen. Er zijn 3 soorten rate­laars in de polder. De grote rate­laar is het meest alge­meen. De harige en de kleine rate­laar komen op een paar plekken voor.

Bij­zon­der

Rate­laars zijn half­parasi­eten. D.w.z. ze kun­nen groeien op zon­licht, maar hebben ook een geheim wapen. Hun wor­tels drin­gen het wor­tel­s­telsel van andere planten en m.n. grassen bin­nen en die zuigen die leeg. Om die reden wordt de dichtheid van grassen om plekken met veel rate­laar een stuk min­der dicht en bij veel ecol­o­gisch beherende ter­rein eigenaren is de rate­laar daarom een bij­zon­der gewen­ste ’indringer’.

Waar

Rate­laars houden van niet al te voed­sel­rijke grond, die bij voorkeur ook een beetje vochtig moet zijn. Deze con­di­ties komen vaak overeen met plekken waar ook rietorchissen en moeraswe­spenorchissen voorkomen. Rate­laars doen het goed in de Haar­lem­mer­meer en ze hand­haven zich ook lang. Door de Heiman­shof uit­geza­aide planten hand­haven zich al 20 jaar bij het Kai Munk col­lege aan de Geniedijk. Langs de IJtocht aan de Over­bos kant op een laaggele­gen zone onder de Hoogspan­nings­mas­ten is de soort explosief toegenomen. Ook in de Fruit­tuinen, bij kinder­boerderij de Boeren­zwaluw en in de Orchideeënweide van het Groene Carré zuid staat de soort. Deze geel­bloeiende soort is een aan­winst voor de polder die het waard is elders ook ver­spreid te wor­den. Infor­matie hierover kan bij De Heiman­shof inge­won­nen worden.

 glanshaverplantenGlan­shaver22 jun 2013juni
 glanshaver

Vorige week was de lang­ste dag en daarmee was het begin van de zomer een mete­o­rol­o­gisch feit. Met alle koude weken van dit voor­jaar is het ecol­o­gisch nog niet zo ver. Ook het voor­jaar begon dit jaar niet op 21 maart maar pas rond 10 april. Dat was namelijk het moment dat de hon­derd duizen­den Tjift­jaf­jes die in Zuid– Europa en Noord-​Afrika over­win­terd had­den, zich weer in elke tuin meld­den. Voor mij is dat het echte begin van de lente (dat in veel jaren wel samen­valt met 21 maart) net zoals het rijp en geel wor­den van de glan­shaver voor mij het echte begin van de zomer is.

Bij­zon­der

Glan­shaver is een hoog tot zeer hoog gras dat van rijke klei en leem­bodems houdt. Wellicht is het leuk om eens op te let­ten als u over de N201 (rondweg Hoofd­dorp) rijdt van de A4 naar het zieken­huis. De bermen van de A4 tot de brandweer zijn van het ’rijke’ type. In die bermen domineren dicht op elkaar staande 11.5 m hoge grassen zoals glan­shaver en kropaar, ter­wijl van de brandweer tot het zieken­huis de grond arm en zandig is. Daar zijn de grassen max­i­maal een halve meter hoog en staan ver uit elkaar met daar­tussen fel groene vlin­derbloemi­gen zoals rolklaver, die hun eigen ‘kun­stmest’ aan­maken. In de komende weken voltooit glan­shaver (vroeger heette deze soort Frans raaigras) zijn lev­en­scy­clus. Op dit moment bloeit de soort en bin­nen 23 weken wordt zaad gevormd en wordt deze soort geel. Met zijn 11.5 m steekt deze soort boven alle kruiden en andere gewassen uit en dom­i­neert als zij geel wordt het visuele beeld. Let u maar eens op. Jam­mer genoeg wor­den vele bermen mas­saal gemaaid, zodat u dit ver­schi­jnsel niet kunt waarne­men. maar er bli­jven altijd genoeg bermen over voor de oplet­tende waarne­mer. En in De Heiman­shof kunt u het altijd komen ervaren (hoewel we ook daar deze hoge grassen in veel biotopen met de hand verwijderen)

Waar

Glan­shaver is een alge­meen gras van rijke en matig voed­sel­rijke bodems in heel Europa, Noord-​Afrika en Noord-​Amerika.

 klaproos2.plantenKlaproos (2) 16 jun 2013juni
 klaproos2.

Er bestaat geen onkruid: Elke plant heeft wel een voed­ingswaarde, een med­i­c­i­nale waarde of een essentiële rol in een ecosys­teem. Alle klaproos­soorten bevat­ten bv een melk­sap met een opwekkende of rust­gevende werk­ing, al naar gelang de dosis. Als dit sap inge­droogd is en verza­meld wordt, heet dit opium. Alleen de ene soort en variëteit bevat er veel meer van dan een andere. In Ned­er­land ver­bouwen we naast de wilde klaproos de slaap­bol, die niet hon­der­den maar duizen­den zaad­jes per bloem pro­duceert (foto). En klaproos zaad­jes zijn niets anders dan maan­zaad. Een andere variëteit van dezelfde slaap­bol­soort die in Afghanistan wordt gebruikt, pro­duceert veel sap waar daar opium van wordt gewon­nen. Ook van de slaap­bol en de wilde klaproos kan dit gewon­nen wor­den (inzet). Alleen kost het nog 1001000 keer zoveel moeite als het in Afghanistan al kost. Maar het is wel leuk om met kinderen in hun groen­te­tuin het principe uit te legen en ze het intens bit­tere sap te laten proeven. Dan zijn ze meteen genezen van mogelijk onge­zonde intenties.

Alle klaprozen hebben een inge­nieus zaadsys­teem. De zaad­dozen hebben deurt­jes die pas open gaan als de zaad­jes rijp zijn. En verder is elk zaadje voorzien van een suik­erko­r­reltje: Om dat ‘mieren­broodje’ slepen insecten vele meters met die zaadjes.

Waar

Klaprozen zijn pio­nier­soorten van tijdelijk kale gron­den. Zowel op rijke als op arme gron­den komen ze voor. Indien niet door kun­st­matig ploe­gen en/​of frezen de kale akkerom­standighe­den elk jaar opnieuw wor­den gecreëerd is in het tweede seizoen al 80% van de exem­plaren weg en na 2 jaar vri­jwel alles. En dat doen we daarom elk jaar in onze akkerkruiden wei­den in Over­bos, Flo­riande, Houtwijk­erveld en De Heiman­shof. De komende weken loont het de moeite om daar eens langs te fiet­sen en te wan­de­len, naast de klaprozen bloeien er nog 1020 andere soorten uit­bundig: eigen aan hun pio­niers­bestaan. De slaap­bol is een gek­weekte klaproos die ook op akkers in de Haar­lem­mer­meer wordt verbouwd.

 klaproos1plantenKlaproos (1)9 jun 2013juni
 klaproos1

Als deze col­umn ver­schi­jnt zijn overal de klaprozen mas­saal in bloei gegaan.

Bijv. in de 6 ha bloe­men wei­des in Over­bos, Flo­riande, Haar­lem­mer­meerse Bos, Houtwijk­erveld en het Groene Carré, die sinds 2009 door de Heiman­shof /​Stichting MEER­Groen i.s.m. de gemeente en Recre­ati­eschap Spaarn­woude ingeza­aid zijn. En natu­urlijk ook in De Heiman­shof zelf.

Er komen wereld­wijd ca 60 soorten voor, waar­van een vijf­tal in Ned­er­land. De grote klaproos is het meest bek­end is (foto). Daar­naast bestaan er ook de kleine, de ruige, de bleke en de bas­taard klaproos en de slaapbol.

In de natuur kun­nen planten en dieren alleen voortbestaan als ze onder bepaalde con­di­ties sterker zijn dan alle andere. Bij planten is een van de strategieën daar­bij of je een ‘sprinter’ of een ‘stayer’ bent.

Een stayer is een plant die langzaam maar ons­tu­it­baar groeit en iedereen er uit­drukt. Kweek­gras of het beruchte zeven­blad zijn bij uit­stek soorten met een stayeraanpak.

De klaproos is bij uit­stek een voor­beeld van de sprint­ers. De plant groeit uit een minus­cuul zaadje, vooral op (door de mens) kaal gemaakte plekken waar de con­cur­ren­tie van andere soorten is wegge­ploegd of –gefreesd. Een klaproos kan op vrucht­bare grond 1 x 1 x 1 m groot wor­den en kri­jgt daar­bij hon­der­den bloe­men die alle­maal hon­der­den zaden maken. Deze zaden kun­nen tien­tallen jaren in de grond bli­jven (omdat ze veel olie bevat­ten) om bij geschikte omstandighe­den weer in groei te exploderen.

De klaproos is mijn favori­ete voor­beeld om aan te tonen dat er geen onkruid bestaat in de natuur. Onkruid is nl. een den­i­gr­erende term vanuit menselijk nuts­denken. En elke plant die bestaat heeft net zo goed zijn plek onder de zon ver­di­end als wij mensen zelf. Dat neemt niet weg dat we in een groen­te­tu­in­tje van 1.5 bij 4 m niet 10.000 klaprozen willen. Een­tje is leuk en vrolijk en de andere 9999 zijn daarom ongewenst. Maar op een andere plek kun­nen zij wel degelijk een rol vervullen en daarom zijn zij geen onkruid. Vol­gende week verder.

 tripmadamplantenTrip­madam1 jun 2013juni
 tripmadam

Achter de intrigerende naam trip­madam schuilt een vet­plant uit het ges­lacht van de sedums of vetkruiden. Dit ges­lacht kent nog meer illus­tere leden, zoals de hemel­sleu­tel, wit vetkruid, huis­look en muurpeper. De naam trip­madam is een ver­bas­ter­ing van de Franse naam Trique­madame. Deze naam en ook de Lati­jnse naam ‘reflexum’ ref­er­eren aan het feit dat het nog niet bloeiende plan­tje een ken­merk­ende knik in het topgedeelte heeft(hoofdfoto) . Zodra trip­madam bloeit met heldergele bloe­men richt deze knikkende top zich op (inzet). Ik kwam dit plan­tje tegen op de sedum daken die in de ‘antro­posofisch’ gebouwde wijk in Toolen­burg veel voorkomen (bv Rosa Spiers straat).

Bij­zon­der

Trip­madam is een laag liggend vet­plan­tje, waar­van de opgerichte bloeis­ten­gels 3540 cm hoog kun­nen wor­den. Het is in het wild uiterst zeldzaam in Ned­er­land, omdat het een voorkeur heeft voor voed­se­larme kalkrijke stenige ter­reinen. En in ons mod­derige delta land zijn die dun geza­aid. Net als andere Sedums, zoals muurpeper, is Trip­madam eet­baar zolang het niet bloeit en dat is het groot­ste deel van het jaar, want het is een vorst­bestendige altijd groene plant die het hele jaar door­groeit. Bloeien doet het alleen tij­dens de (hele) zomer. Het wordt in salades ver­w­erkt en heeft net als muurpeper een peper­achtige smaak.

Waar

De Duitse naam rotsmuurpeper geeft aan dat trip­madam houdt van stenige voed­se­larme groeiplakken (inzet foto). Bij rijkere grond kan deze soort niet con­cur­reren tegen hoger opgaande grassen en kruiden. Ook op schrale zand­gron­den kan het een mooie grondbe­dekker zijn. Zoals reeds aangegeven wordt de soort toegepast op groene daken en in rot­s­tu­inen. Ook op De Heiman­shof kan trip­madam het hele jaar door aangetrof­fen wor­den in muurveg­e­taties en op natu­ur­muren. Het ver­sprei­d­ings­ge­bied loopt van Zuid-​Noorwegen en Ier­land tot in Rus­land en in Zuid-​Europa tot het zuiden van Italië en Griekenland.

 oeverlopervogelsOev­er­loper25 mei 2013mei
 oeverloper

Vorige week hebben we de kluut bespro­ken. Dit is een van de grotere soorten stelt­lop­ers. Deze week liep ik een aan­tal keren tegen een oev­er­loper op. Dat is een van de kleinere soorten. De oev­er­loper heet niet voor niets zo. Hij fourageert langs de oev­ers van sloten , meren en plassen. Ik zag een aan­tal langs het kanaal achter het Groene Carré en voor het eerst een achter mijn huis langs de Geniedijk in Hoofddorp.

Veel oner­varen voge­laars ver­bazen zich erover hoe een ervaren voge­laar op grote afs­tand zo tre­fzeker soorten kan herken­nen. De oev­er­loper is een soort waar­bij dat op grote afs­tand kan. Ten eerste maakt hij een zeer karak­ter­istiek ‘tjiewiewie’ geluid en verder vliegt hij altijd op een zeer ken­merk­ende manier weg: namelijk laag over het water in bocht­jes langs de oever met karak­ter­istiek laagge­houden tril­lende vleugels. Er is geen andere vogel die dit zo doet. Als je hem ergens foer­agerend aantreft, doet hij dat ook heel karak­ter­istiek, met een per­ma­nent nerveus wip­pend achterlijf.

Bij­zon­der

De oev­er­loper zoekt zijn voed­sel aan de rand van kleine mod­der­poe­len, water­plassen en meren waar hij kleine insecten uit de bodem haalt. Hij vangt soms kleine insecten uit de lucht. De oev­er­loper nestelt op de grond in de buurt van zoet­wa­ter. Als er een dreig­ing is, klim­men de jon­gen op de rug zodat ze in vei­ligheid gebracht kun­nen wor­den door­dat de moeder ze naar een andere plek vliegt.

Waar

De oev­er­loper zoekt zijn broed­seizoen altijd langs beken, riv­ieren en meren, meestal met rot­sachtige oev­ers. Op trek is hij op veel plekken aan te tre­f­fen. De oev­er­loper broedt vooral in Scan­di­navië en Oost-​Europa en slechts bij hoge uit­zon­der­ing in Ned­er­land. Op weg naar het over­win­terge­bied rond het Mid­del­landse zee gebied trekken veel vogels door Ned­er­land, een klein aan­tal vogels bli­jft in Ned­er­land over­win­teren. In de Haar­lem­mer­meer is de soort regel­matig aan te tre­f­fen langs sloten en vaarten met ondiepe oev­ers zoals langs het Groene Carré Zuid.

 kluutvogelsKluut19 mei 2013mei
 kluut

Stelt­lop­ers zijn vogels met relatief lange poten en lange snavels die als voorkeurs leefge­bied (vochtige) wei­lan­den, slikken en wad­den hebben. Er zijn tien­tallen soorten stelt­lop­ers. Een aan­tal soorten zijn ook in onze polder regel­matig te zien, zoals de kievit en de scholek­ster. Onze Haar­lem­mer­meerse klei is voor de meeste soorten echter meestal te hard om er hun voed­sel te kun­nen vin­den. Toch trekken er veel soorten door met name in het voor­jaar en nazomer. En in bepaalde spe­ciale ter­reinen bli­jven ze nog wel eens hangen en broe­den. Zo ligt er vlak bij de A4 op het Groene Carré Zuid een ondiepe plas, waar vogels met lange poten net kun­nen waden. Op die plek zit­ten elk jaar groepen kluten, die op de eiland­jes waar mogelijk ook broeden.

Bij­zon­der

De kluut is in een aan­tal opzichten een bij­zon­dere ver­schi­jn­ing. Zijn smet­teloos zwart met witte veren kleed is bij­zon­der fraai, en con­trasteert mooi met bijna blauwe poten en zijn snavel heeft een bij­zon­der vorm (zie foto). Met deze omhoog gebo­gen snavel foer­ageren ze het liefst in water met een fijne sli­blaag, waar ze met deze snavel op een kiertje open, doorheen maaien. Zodra er een gar­naaltje of iets dergelijks naar bin­nen zwemt, klapt de kluut haar snavel direct dicht. De kluut jaagt zowel op zicht als op gevoel.

Waar

In Ned­er­land is de kluut tij­dens het broed­seizoen voor­namelijk langs de wad­denge­bieden zoals het Lauw­ersmeer aan­wezig. De soort over­win­tert langs de kust van de Mid­del­landse Zee en de Atlantis­che kust van Frankrijk en Por­tu­gal en een deel in de West­er­schelde. Buiten broed­seizoen tref je ze ook aan bij ondiepe open water­plekken met mod­derige bodems in het bin­nen­land. De kluut broedt in kolonies, meestal op zan­derige vlak­tes, moeras­sige wei­lan­den, opspuit­ter­reinen, etc., meestal bij water (ook brak en zout). De groot­ste kans om kluten te zien in de Haar­lem­mer­meer is bij de ondiepe poe­len van het Groene Carré (de ‘bul­ten’ in het akker­land tussen de A4 en het Haar­lem­mer­meerse Bos langs de rondweg Hoofddorp).

 iepenzaadbomenIepen­zaad12 mei 2013mei
 iepenzaad

Deze week vraag ik niet uw aan­dacht voor een soort, maar voor een ver­schi­jnsel. Half tot eind mei zijn we alle­maal in voor­jaarstem­ming en dan dwar­re­len er opeens krui­wa­gers vol aan ‘dode’ bladeren van de bomen. Veel mensen schrikken daar­van. Indien je goed kijkt en weet wat er speelt, hoeft dat niet. In vele gevallen is dit ‘bru­ine’ blad namelijk van de zaden van iepen (zie foto) . Alle soorten iepen (veldiep, Hol­landse iep, gladde iep, bergiep, goudiep, etc) ken­nen dit ver­schi­jnsel. Iepen bloeien namelijk al in maart met vrij onop­val­lende rode bloemet­jes. In de loop van april en mei lijkt de iep dan in blad te komen, maar dit zijn de groene vlies­jes die om de zaden zit­ten. Deze vlies­jes geven de zaden ‘vleugels’ zodat ze verder mee waaien met de wind. De iep heeft dus nog geen blad, maar zit wel vol met zaden. Zo omstreeks half mei rijpen de zaden af, wor­den bruin en vallen af. In een goed jaar kun­nen de zaden zo mas­saal gepro­duceerd wor­den dat de hele straat vol waait met grote hopen. Pas dan gaat de iep blad maken.

Bij­zon­der

Het ken­merk van alle iepen­bladeren is, dat ze een scheve blad­voet hebben en een geza­agde rand die eindigt in een punt. Een scheve blad­voet betekent dat links en rechts van het steeltje het blad niet op dezelfde plek begint. En verder hebben alle iepen een karak­ter­istieke ‘vis­graat’ manier om zowel hun bladeren en hun jonge takken te plaat­sen. D.w.z. zowel de takken als de bladeren staan in het­zelfde vlak strak in een regel­matig patroon.

Waar

Vroeger groei­den iepen in dichte bossen in Europa op vrucht­bare grond. Die bossen zijn er niet meer omdat die grond ingenomen is door land­bouw. De iep is een majestueuze boom met hele gun­stige eigen­schap­pen voor een stedelijk omgev­ing. Zijn takken breken niet bij storm (auto­lak!), zijn wor­tels zijn opper­vlakkig en wrikken geen rioolpi­jpen open. Daarom vin­den we heel veel iepen in ste­den. Jam­mer dat sinds 1919 tot 3x toe een iepen­ziekte plaag 90 % van de iepen heeft uitgeroeid.

 kievitsbloemplantenKievits­bloem5 mei 2013mei
 kievitsbloem

De kievits­bloem is een in het wild in Ned­er­land zeer zeldzaam voorkomend bol­ge­was. De bloem komt voor met paars geblokte of witte bloem­blaad­jes. De planten doen er 48 jaar over om in bloei te komen. De zaden zijn relatief groot en ver­sprei­den zich dri­jvend op het water. De plant heet voor z′n ver­sprei­d­ing van de zaden volledig afhanke­lijk te zijn van over­stro­min­gen en een hoge water­stand in de win­ter. Echter in en om De Heiman­shof ver­schi­j­nen kievits­bloe­men vaak spon­taan op aller­lei plekken in bos en bosran­den. Miss­chien slepen mieren ook met zaad. De kievits­bloem kwam veel voor in voed­se­larme blauw­graslan­den in het Groene Hart en werd daar ook wel veen­tulp genoemd. De naam kievits­bloem komt van de overeenkomst van de paarse bloem vari­ant met de kleur van kievit­seieren. Men kwam de kievits­bloe­men in het wei­land tegen als men naar kievit­seieren zocht.

Bij­zon­der

De kievits­bloem werd als bloemge­was al vroeg gewaardeerd. Rond 18201830 wer­den er zoveel ‘veen­tulpen’ geplukt dat mensen zich gin­gen realis­eren dat deze gewaardeerde wilde plant wel eens zou kun­nen uit­ster­ven. De allereer­ste natu­ur­wet die in Ned­er­land werd uit­gevaardigd ging dan ook over de bescherming van de kievits­bloem. Nog steeds is deze plant bedreigd. Nu niet meer zozeer van­wege over­matige pluk, maar van­wege over­matige mest toe­di­en­ing. De kievits­bloem richt i.t.t. de meeste bloe­men zijn bloem hoofdje niet naar de zon, maar hangt als een klokje naar bene­den, Voor zijn bes­tu­iv­ing is deze soort vooral afhanke­lijk van grote hom­mel­soorten zoals de aard­hom­mel (Zie foto).

Waar

De belan­grijk­ste groeiplaats van de wilde kievits­bloem is langs de oev­ers van de Vecht en het Zwarte Water in Zwolle. Van oud­sher kwam de kievits­bloem voor in gebieden met klei-​op-​veen en dan vooral de gebieden die ′s win­ters onder water ston­den. De plant kan slecht tegen aan­passin­gen aan het grond­wa­ter­peil en is op de meeste plaat­sen al voor de Tweede Werel­door­log uit­gestor­ven. In De Heiman­shof staat een bloeiende populatie.