Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Reuzen­schaaf­stro

op .

Schaaf­stro behoort tot de paar­den­staart­fam­i­lie. Veel mensen ken­nen een fam­i­lielid daar­van, dat heer­moes heet en dat overal in de Haar­lem­mer­meer groeit, waar zand over klei ligt. Dat is een typ­is­che sit­u­atie bij trot­toirs en in tuin­paden. Van­daar dat veel mensen er een grote hekel aan hebben. Deze paar­den­staarten wor­den vaak kat­ten­staarten genoemd, wat mij als bioloog ver­driet doet, want kat­ten­staarten zijn prachtig paars­bloeiende planten van de waterkant. Paar­den­staarten vor­men een zeer oude fam­i­lie die 250350 miljoen jaar gele­den ontstond en die in de tijd van dinosauriërs, toen er nog geen bloeiende planten en loof­bomen waren hun voor­naam­ste voed­sel vor­mde. Dat ze het tot nu toe hebben vol­ge­houden betekent dat ze een goed over­lev­ingssys­teem hebben. Bij heer­moes heb ik daarmee ken­nis gemaakt toen ik voor een kelder 4 m diep in de grond moest graven en 12 m onder het grond­wa­ter nog wor­tels tegenkwam. Ze hebben dus zo’n wor­tel reserve dat je ze nooit kunt weg wieden.

Bij­zon­der

Paar­den­staarten en dus ook schaaf­stro zijn aan zand gebon­den, omdat ze geen cel­lu­lose als ‘skelet’ maken, maar kleine kristal­let­jes van kwarts. Van schaaf­stro wordt vaak ver­meld dat het vroeger door z’n ruwe sten­gel als schu­ur­pa­pier werd gebruikt, maar dat is vol­gens mij niet terecht. Voor de komst van indus­trieel schu­ur­pa­pier ver­brandde men dit schaaf­stro en kreeg in de as zeer homo­gene kristal­let­jes, die gebruikt wer­den voor het poli­jsten van muziekin­stru­menten. Schaaf­stro en reuzen­schaaf­stro zijn zeer dec­o­ratieve paar­den­staarten die niet mis­staan in (droog) boeket­ten ( zie detail­inzet). Alle paar­den­staarten bestaan uit seg­menten die uit en weer in elkaar geschoven kun­nen wor­den.

Waar

Schaaf­stro houdt van vochtige zand­m­i­lieus zoals duin­valleien en Reuzen­schaaf­stro (foto) dat 23 m hoog kan wor­den, houdt van vochtige grond of het nu klei, zand of veen is. Op dit moment vormt het sporenkapsels, maar veg­e­tatieve voort­plant­ing via scheuren van wor­tel stokken gaat effectiever.

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 10 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 waterspitsmuis3kleine dierenWater­spitsmuis (3)17 mrt 2013maart
 waterspitsmuis3

In de peri­o­den dat de water­spitsmuis actief is, is hij op zoek naar voed­sel, waar­bij hij con­tinu in beweg­ing is. Deze actieve peri­odes duren enkele minuten tot 2 uur en wor­den onder­bro­ken door rust­pe­ri­odes. Ze rusten nooit langer dan een uur. De rust­pe­ri­o­den wor­den doorge­bracht in onder­grondse holen. Er bestaan 2 groepen spitsmuizen op basis van hun tanden. De helft van de soorten heeft witte tanden. De andere helft, waaron­der de water­spitsmuis heeft tanden met rode pun­ten, die hun schedels (vaak in braak­ballen) een bloed­dorstig uiter­lijk geven. Op de foto staan drie spitsmuis­soorten met rode tand­pun­ten. De tanden zijn spits om lev­ende prooien te kun­nen vast­pakken en verscheuren.

Waar

De water­spitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voed­sel­rijk, vrij snel stromend tot stil­staand water met een behoor­lijk ontwikkelde water­veg­e­tatie en ruig begroeide oev­ers. Dat is vaak bij beken, riv­ieren, sloten, plassen en daar waar schoon grond­wa­ter opwelt. Ook wordt hij aangetrof­fen langs de bin­nen­duin­rand, natu­urlijke duin­meren en kun­st­matige infil­tratiege­bieden. Boven­dien moet er in de oev­ers vol­doende schuil­mo­gelijkheid zijn waar de water­spitsmuis zich kan terugtrekken om zijn prooien op te eten. Het ver­sprei­d­ings­ge­bied van de water­spitsmuis ligt in een groot deel van Europa. Van de Mid­del­landse zee tot in het noor­den van Scan­di­navië. In Ned­er­land heeft de water­spitsmuis een zeer ver­snip­perde ver­sprei­d­ing, maar hij komt het meest voor in de water­rijke provin­cies Fries­land en Over­i­js­sel. In Oost– en Zuid-​Nederland komt zijn ver­sprei­d­ing overeen met beek– en riv­ierdalen van de zand– en lössgronden, in laag Ned­er­land betreft het vooral kwel­ge­bieden. Ook in De Heiman­shof is de water­spitsmuis in het verleden aangetrof­fen. De pop­u­latie in Poel­broek vlak buiten de Haar­lem­mer­meer bij Vijfhuizen geeft hoop dat deze soort ook in de vochtige veen­polder rond de Een­denkooi Stok­man kan voorkomen en langs de steeds fre­quenter aan­gelegde ecol­o­gis­che oev­ers in onze polder.

 waterspitsmuis2kleine dierenWater­spitsmuis (2)10 mrt 2013maart
 waterspitsmuis2

De water­spitsmuis heeft giftig speek­sel. Dit wordt vooral gebruikt om prooi­dieren als vis­sen en kikkers te ver­lam­men, die groter kun­nen zijn dan hijzelf (foto). De water­spitsmuis leeft soli­tair. Alleen in de voort­plant­i­ngstijd leven meerdere dieren bijeen in een los familieverband.

Het voed­sel van de water­spitsmuis bestaat uit prooi­dieren die hij zowel op het land als in het water vangt. Zijn voed­sel bestaat voor­namelijk uit insecten en andere ongew­ervelden zoals kreef­tachti­gen, water­slakken, kev­ers, mot­ten, vliegen, lar­ven en wor­men. Daar­naast eet hij ook kleine vis­sen, amfibieën(eieren) en aas. Soms legt de water­spitsmuis een voor­raad aan. Water­spitsmuizen eten per dag min­stens hun eigen lichaams­gewicht en kun­nen twee dagen zon­der voedsel.

De water­spitsmuis is vrij luidruchtig. Hij maakt flui­tende kreten, trillers en schrille kri­jsende en sis­sende geluiden.

Bij­zon­der

De water­spitsmuis is in Ned­er­land bedreigd en staat op de rode lijst als kwets­baar. Dit is het gevolg van de verni­etig­ing van hun leefge­bied door o.a. de aan­leg van water­we­gen, de drainage van lan­der­i­jen, het ver­wi­jderen van oev­erveg­e­tatie en watervervuiling.

Ook in veel Europese gebieden is de pop­u­latie van water­spitsmuizen hier­door teruggelopen. Maar omdat ze zo klein en ongri­jp­baar zijn, is het moeil­ijk een juiste schat­ting te maken van de mate van achteruit­gang. Natu­urlijke bedreigin­gen van de water­spitsmuis zijn kerkuil, steenuil, steen­marter en boom­marter. Daar­naast wor­den water­spitsmuizen ook wel gevan­gen door o.a. bun­z­ing, kat, vos en ran­suil, maar niet door hen opgegeten. Dit komt omdat spitsmuizen, vooral de man­net­jes, een ranzig ruik­ende stof uitschei­den en dan door deze geur of smaak niet wor­den opgegeten.

De water­spitsmuis is een ontzettend schuw dier, dat zich dood kan schrikken van een plot­sel­ing, hard geluid. De soort is zowel overdag als ′s nachts actief, maar vooral voor zonsopgang.

 waterspitsmuis1kleine dierenWater­spitsmuis (1)4 mrt 2013maart
 waterspitsmuis1

Afgelopen zater­dag werkte ik mee aan een project vlak bij Vijfhuizen net over de ring­vaart. Een ruig en nat wei­land, genaamd Poel­broek­park. Met 10 man deden we het achter­stal­lig maai­w­erk wat paar­den de jaren ervoor gedaan had­den. De sni­j­dende koude voelden we niet door het harde werken en vooral de vele leuke din­gen die we zagen: een vossen­burcht en maar liefst een stuk of 10 bij­zon­der spitsmuizen: de water­spitsmuis had het hier goed naar zijn zin. Nor­maliter zijn deze dieren in de ruige natte gebieden waar ze leven niet te vin­den of te van­gen, maar door het maaien kri­oelden ze overal. Zoals de naam doet ver­moe­den, zijn water­spitsmuizen water­dieren. Spitsmuizen zijn verder geen gewone muizen die zaad of gras eten, maar het zijn jagende car­ni­voren. Er zijn 6 spitsmuis­soorten in Ned­er­land, waar­van de water­spitsmuis de groot­ste is. En de spe­cialiteit van de water­spitsmuis is jagen onder water. Ook loopt hij over de bodem van het water. Hij kan tot 20 sec­on­den onder water bli­jven. De water­spitsmuis zwemt met zijn staart en poten. De onderz­i­jde van de staart is voorzien van rijen witte borstel­haren, die dienen als een soort kiel bij het zwem­men en franje bij met name de achter­poten en zwemvliezen. De oren liggen geheel ver­bor­gen in de vacht en wor­den bedekt door huid­flap­jes tegen inkomend water. Hij heeft kleine zwarte ogen en een spitse snuit met lange witte snorharen. De vacht is wat­er­af­s­to­tend, door de afschei­d­ing van vetk­lieren, die hij op het land door zijn vacht poetst. Als een water­spitsmuis zwemt, bli­jven er lucht­bellen tussen de vacht zit­ten, waar­door deze een zil­v­eren kleur kri­jgt (foto). Deze lucht­bellen houden warmte vast, maar zor­gen er ook voor dat de water­spitsmuis bli­jft dri­jven. Om bij de bodem te komen, moet een water­spitsmuis met een sprong het water induiken. De water­spitsmuis heeft gevoelige, beweeglijke snorharen en een spitse snuit, waarmee hij naar prooi kan zoeken in de mod­der en onder steen­t­jes. Vol­gende week verder.

 eik4bomenEiken­bi­j­zon­der­he­den (4)25 feb 2013feb­ru­ari
 eik4

Ook de naam Hol­land heeft met eiken te maken. Hol­land komt niet van ‘hol’ maar van ‘Holt’. Onze veenge­bieden beston­den vroeger uit machtige eiken­bossen. Vee­boeren op veen­wei­des stu­iten nog steeds elk jaar op enorme stam­men van eiken die in het veen ver­zonken waren en die door het inklinken en vervliegen van het veen boven­gronds komen, zoge­naamde veeneiken (foto).

De groot­ste eik van Groot-​Brittannië is ca 1000 jaar en heeft een sta­momtrek van 12,7 m. De Chêne du Tron­joli (ook 1000 jaar) staat op een boerderij in Bre­tagne. De Kongee­gen in Den­e­marken wordt op 10001400 jaar oud geschat. Op de Veluwe zijn eiken­hakhout­bosjes gevon­den die mogelijk al meer dan 1500 jaar om de 810 jaar zijn ‘geoogst’. In vroeger tij­den waren eikels vooral belan­grijk als varkensvoer. Eiken­hout is hard en sterk. En wordt nog steeds gebruikt als con­struc­tiehout, voor par­ket, deuren en voor de bouw van bruggen en steigers.

De bast bevat, eve­nals het hout van de oud­ere bomen, looistof­fen die gebruikt wor­den bij de leerindus­trie. Door koken komen de waarde­volle looizuren vrij die gebruikt wor­den voor het looien van huiden. Als dit looizuur met ijzer reageert ontstaat Oost-​Indische inkt. Dat pro­ces is te zien bij het omza­gen van een eik: op de zaagsnede vor­men zich zwarte vlekken. Op eiken komen zeer veel gallen voor. Wel 40 soorten gal­we­spen gebruiken alle onderde­len van de eik:het blad, blad­knop­pen, eikels, takken en zelfs wor­tels. De gal­wesp en zijn larve geven een soort planten­hor­moon af dat de plant aanzet tot het vor­men van een verdikking. Deze is meestal hard aan de buitenkant en zacht en smake­lijk van bin­nen en vormt een veilige en ide­ale plek om op te groeien voor jonge galwespen.

Waar

In alle gebieden boven de eve­naar groeien eiken. Uit­gestrekte eiken­wouden besloe­gen ooit grote delen van Europa. Van deze oer­bossen is er nog maar weinig overge­bleven. Groot-​Brittannië heeft de groot­ste en mooiste ongerepte oer­bossen van Noordwest-​Europa waar nog veel eiken staan.

 eik3bbomenEik (3)17 feb 2013feb­ru­ari
 eik3b

 eik3b

De Steeneik kan 20 m hoog wor­den, maar is meestal vele kleiner omdat hij vooral op onvrucht­bare rot­sige plekken groeit. Hij heeft een korte stam en een brede, ronde kroon. De bladeren zijn hard en leer­achtig en glanzend donker­groen en bli­jven jaren aan de boom, ter­wijl alle andere eiken blad­ver­liezend zijn. Ze lijken op hul­st­bladeren en hebben ook stekels. Hij komt voor in het Mid­del­landse Zeege­bied tot aan de zuidrand van de Alpen. De boom is niet win­ter­hard en staat daarom in de mediter­rane kas van De Heiman­shof. Vroeger bedek­ten wouden van steeneiken grote delen van het Mid­del­landse Zeege­bied. Hij is nu terugge­dron­gen tot steeds kleiner wor­dende arealen. De steeneik lev­ert zeer hard, zwaar hout dat azi­jn­hout genoemd wordt. Het leent zich voor onderde­len die zwaar belast wor­den, in de wagen­mak­erij en in molens voor de kam­men van de wielen.

De Libanese eik bli­jft een vrij kleine boom van max­i­maal 8 m. Zijn bladeren zijn lang­w­er­pig en zaagvormig gelobt met een punt. Hij komt voor van Libanon tot in Iran en is beperkt win­ter­hard. Ook deze groeit daarom in de mediter­rane kas van De Heimanshof.

Bij­zon­der

Eik is een Oud-​Germaans woord en betekent boom. In Ned­er­land en Bel­gië ken­nen wij de zomer– en win­tereik (Quer­cus robur en Quer­cus petraea). Robur betekent hard (eiken)hout en petraea van de rot­sen omdat deze eik met arme grond, zelfs rots­grond, genoe­gen neemt.

Het Griekse woord voor eik is drus en dat lijkt op het woord druïde voor de Keltische priesters, die ook wel eik­mensen genoemd wer­den. Eiken waren voor de Kel­ten Heilige bomen en wer­den vereerd. Bij de Het­titen, Perzen, Grieken en Romeinen was de eik sym­bool voor wilskracht. De eik was voor veel volk­eren een magis­che boom. De Griekse geschied­schri­jver Tracitus schri­jft dat de Ger­ma­nen geen tem­pels kenden, alleen heilige wouden. Hij was erg onder de indruk van de machtige eiken­bossen in Duit­s­land. Aan de voet van eiken spraken zij recht, brachten zij offers en begroeven zij hun doden.

 eik2bomenEik (2)10 feb 2013feb­ru­ari
 eik2

De Hon­gaarse Eik kan tot 40 m hoog wor­den en heeft een brede kroon en hoogop­gaande takken.

Langs de Hoofdweg-​Oost in Hoofd­dorp tussen het Griekse restau­rant en Quick-​fit staan de enige drie Hon­gaarse eiken die wij ont­dekt hebben, maar die mogen er dan ook zijn. Ze zijn ca 90 jaar oud en de dik­ste is ruim 2.5 m in omtrek. Deze soort komt uit de Balkan en met je vindt hem met name in Servië, Bul­gar­ije en Roe­me­nie. Het gekke is dat de boom nauwelijks in Hon­gar­ije voorkomt.

Deze eik houdt van zware, voedzame, iets zure gron­den die in het voor­jaar nat is en in de zomer kurk­droog. Hij houdt niet van een hoge grond­wa­ter­stand en heeft een hekel aan kalk. Opval­lend is dat de bladeren aan de uitein­den van de takken zit­ten. Daar­door kri­jgt de boom een open kroon.

De bladeren zijn met 1020 cm, erg groot en glanzend groen met ronde lobben en verkleuren in de herfst van geel naar bruin(Zie foto). De eikels wor­den voor 13 tot de helft omsloten door het napje.

De Amerikaanse eik komt, zoals de naam zegt uit Amerika en is goed win­ter­hard. Het mooiste exem­plaar in onze polder staat langs de Kromme Spier­ing weg (bij nr 289) en ook langs de Hoofd­vaart voor het Oude Raad­huis staan er een aan­tal. Deze eik kri­jgt in de herfst mooi rood blad. Dit blad is opval­lend groot (tot 22 cm) en geeft geen ronde maar puntige lobben. Hij kan 25 m hoog wor­den en groeit extra breed uit (foto). De Amerikaanse eik wordt niet zo oud. Met 80 jaar is het meestal wel gebeurd. Het hout van de Amerikaanse eik is min­der waarde­vol dan dat van de zomer– en win­tereik. Het rode herf­st­blad wordt veel gebruikt voor bloem­stukken, meestal in com­bi­natie met chrysan­ten. De eikels hebben een 2-​jarige ontwik­kel­ingscy­clus. In het eerste jaar wor­den ze bestoven. Het wor­den dan kleine groene vrucht­jes. Pas in het tweede jaar vindt de echte rijping plaats. De eikels wor­den dan groter dan die van zomer-​en win­tereik. Ze hebben ook een extra pun­tje waar­door ze als tol­let­jes zijn te gebruiken.

 eik1bomenEik (1)7 feb 2013feb­ru­ari
 eik1

Na de lin­des­oorten in polder is het nu de beurt aan de eiken. In onze polder heb ik tot dusver 7 soorten gevon­den. Graag laat ik u in de komende weken weten waar ze staan en wat er voor bij­zon­der­he­den aan te ont­dekken zijn. Over eiken is een heel boek te schri­jven. Ik ga dat proberen in 4 aflev­erin­gen samen te persen.

De meest algemene inheemse eiken­soort is de zomereik. Deze boom kan een hoge oud­er­dom bereiken. De stam gaat gauw over in krachtige, maar kromme takken waar­door zich de kroon onregel­matig ontwikkelt en licht­door­la­tend is. De naam zomereik wijst erop dat de boom slechts in de zomer bladeren draagt in tegen­stelling tot de win­tereik. De bladeren ontluiken in de eerste helft van mei, hebben ronde lobben en korte ste­len. Zomereiken zijn door de mens bevo­ordeeld boven win­tereiken omdat deze soort meer eikels pro­duceert (de ‘mast’). Op deze mast wer­den de varkens vroeger vet­gemest in de herfst.

Ook de win­tereik is inheems. Ik heb maar 2 exem­plaren gevon­den in de polder: in het Wan­del­bos Hoofd­dorp en langs de Ben­nebroek­erdijk. Het herf­st­blad van deze boom bli­jft gedurende de hele win­ter aan de takken, net als bij som­mige beuken. De bladeren zijn glanzend en leer­achtig, vrij regel­matig van vorm en hebben een lange steel. Ook deze soort kan zeer oud worden.

Een uitheemse soort die het erg goed doet, is de Turkse of Moseik (bv in het cen­trale parkje in Vijfhuizen of langs de Wieger Bruin­laan in Hoofd­dorp) Deze eik kan 35 m hoog wor­den. De bladeren zijn 1015 cm lang, glanzend groen aan de bovenkant en met kleine rechthoekige lobben. De rijping van de kleine vruchten vindt pas in het 2e jaar na bevrucht­ing van de bloe­men plaats. Ze zijn voor de helft omgeven door een vrucht­beker met draadachtige, lange schubben. Aan deze draadachtige schubben dankt de soort zijn naam van moseik. Dit ‘mos’ lijkt als een eski­mo­muts op de eikel te zit­ten. De schors is gri­js­bruin tot zwart en diep gek­loofd. Hij groeit vooral in Zuidoost-​Europa en West-​Azië.

 linde3bomenLinde (3)28 jan 2013jan­u­ari
 linde3

Lin­den­hout is een hout­soort die zich zeer goed leent voor hout­sni­jw­erk, draai­w­erk en beeld­houww­erk, omdat het vrij zacht is, een fijne nerf heeft en gelijk­matig is opge­bouwd. De linde van Sam­beek wordt vaak de oud­ste boom van Ned­er­land genoemd. Of dat waar is, kan nie­mand met zek­er­heid zeggen, want de bepal­ing wordt bemoeil­ijkt door­dat de boom hol is en er dus geen jaar­rin­gen geteld kun­nen wor­den. Wel is zeker dat deze boom een van de oud­ste van Ned­er­land is. De boom zou 1000 jaar oud zijn, maar deskundi­gen houden het op 400500 jaar. Het is in elk geval de dik­ste linde van Ned­er­land, met een sta­mom­vang van 775 cm. Oor­spronke­lijk was het een etagelinde, in drie etages. In 1901 zijn de boven­ste twee etages ges­neu­veld. In het cen­trum van de holle stam is een nieuwe stam gegroeid uit het oude wor­tel­s­telsel; dit is inmid­dels zelf weer een forse boom van circa 2,5 m. omtrek.

Waar

Er bestaan ca 25 soorten lin­des wereld­wijd, die vooral voorkomen op het noordelijk hal­frond in Europa, Noord-​Amerika en Azië. De klein­bladige en de groot­bladige linde komen van nature in de Benelux voor. Lin­den gelden als een van de groot­ste loof­boom­soorten en heeft zijn biotoop van nature met name in beek­dalen. Mooie voor­beelden van de Win­ter­linde of klein­bladige linde (op foto: links) staan in het Gen­er­aal Sni­jder­s­plantsoen in Bad­ho­eve­dorp. Zomer­lin­des of groot­bladige lin­des (op foto: rechts) zijn aange­plant in het oude cen­trum van Hoofd­dorp (Fortweg, Man­age­laan, Ter­veen laan, etc) en Gewone lin­des (op foto: mid­den) staan daar vlak bij langs de Hoofd­vaart. Krim­lin­des zijn aange­plant op kerk­hof Iepen­hof. De dik­ste en mogelijk dus oud­ste linde van de polder staat bij de boerderij aan de Schiphol­weg 569. Een van de 6 daar­van is bijna 3 m in omvang. De meeste andere oude lin­des zijn 22.5 m in omvang. Een boom die ook deze omvang benadert staat in het Wan­del­bos van Hoofd­dorp. In de loop van 2013 en 2014 zullen de ca 20 routes langs mon­u­men­tale en bij­zon­dere bomen door de gehele polder uitkomen.

 linde2bomenLinde (2)20 jan 2013jan­u­ari
 linde2

Ken­merk­end voor lin­de­bomen is de krans van wortelop­slag rond de voet van bijna elke boom. De lin­de­boom werd bij de Kel­ten en de Ger­ma­nen gezien als heilige boom. De geest van de linde gold als bescher­mer voor huizen, bron­nen en kerken. Ook later werd de lin­de­boom als ′goede boom′ beschouwd. Huwelijken wer­den ges­loten onder de linde. Duimen van de gelief­den wer­den dan in de bast gedrukt.

De linde wordt veel gebruikt als lei­boom. De boom vormt een dicht blader­scherm dat in de zomer verkoel­ing biedt. Lin­des wor­den veelvuldig aange­plant als her­denk­ings­boom. De dik­ste her­denk­ings­boom staat op de Geniedijk, kruis­ing Spier­ing­weg. Deze Wil­helmina­boom (foto) is in 1923 geplant tgv het 25-​jarig regeringsju­bileum van Wil­helmina. Jon­gere geden­klin­des staan in vele parken en gazons.

Bijzonder

In juni bloeit de linde rijke­lijk en wordt door bijen en hom­mels bestoven. Voor­dat riet– en biet­suiker rijke­lijk beschik­baar kwam, was hon­ing de belan­grijk­ste zoet­stof. De linde was de groot­ste pro­du­cent van hon­ing. Door voed­sel­con­cur­ren­tie kun­nen onder laat­bloeiende lin­de­bomen, vooral onder alleen­staande bomen, veel dode hom­mels liggen. Hom­mels ver­hon­geren door­dat er meer energie bij het rond­vliegen ver­bruikt wordt dan er in de vorm van nec­tar verza­meld kan wor­den. Het ver­haal dat bv kon­ingslin­den giftig zouden zijn is hierop gebaseerd maar klopt niet. Van de bloe­men van de linde kan kruiden­thee gemaakt wor­den, ook wel tilleul genaamd, de Franse naam voor linde.

De linde kan zeer veel last hebben van de lin­de­blad­luis. De zil­ver­linde heeft hier echter weinig last van. De lin­de­blad­luis scheidt hon­ing­dauw, een suik­er­houdend vocht, af, waarop weer schim­mels zoals roet­dauw groeien. Insecten zoals mieren en bijen oog­sten deze ′blad­hon­ing′ ook. De hon­ing­dauw kan voor zeer veel over­last zor­gen (op gepar­keerde auto′s bv). Gemeen­ten plaat­sen om dit tegen te gaan soms zak­jes met gek­weekte lieve­heers­beestjes. Jam­mer genoeg ver­drin­gen de gebruikte buiten­landse soorten nu onze inheemse soorten.

 linde1bomenLinde (1)12 jan 2013jan­u­ari
 linde1

Al ruim een jaar zijn we met onder­zoek bezig naar mon­u­men­tale en bij­zon­dere bomen om daar wan­del– en fiet­sroutes langs te maken. Inmid­dels hebben we ca 500 locaties gevon­den met ca 3000 bomen die de moeite van een bezoek waard kun­nen zijn. Graag houden we ons nog steeds aan­bev­olen indien u een bij­zon­dere boom heeft en wij nog niet langs geweest zijn.

Er komen aller­lei leuke zaken boven tafel, waar­van ik er vast een aan­tal met u wil delen. De dik­ste boom die wij gevon­den hebben, mat ruim 9 m in omvang, de oud­ste (in onze polder van 160 jaar oud) min­stens 320 jaar en we hebben er 1 van 7 m, 2 van 6 m, 5 van 5m en 12 van 4 m of meer gevon­den. Het waren indruk­wekkende ont­moetin­gen met bomen die veel meege­maakt hebben. De dik­ste bomen zijn meest wilgen, treur­wilgen en beuken. Ook essen en kas­tan­jes komen soms boven de 4 m. Opval­lend was dat eiken en lin­des, die meestal door­gaan voor de oud­ste en dik­ste soorten, niet of nauwelijks boven de 3 m omvang te vin­den zijn. Van­daar dat we ons in een aan­tal columns wat nader verdiepen in lindebomen.

Lin­des en eiken groeien zeker min­der snel dan wilgen (6,7,9 m in 100 jaar) of beuken (dikte 5.20 m in 180 jaar of 5 m in 160 jaar).We moeten dus nog 100 of 200 jaargeduld hebben voor een 5 m exem­plaar in onze polder. De dik­ste linde in de polder, die we gevon­den hebben mat 3 m en groeit op een boeren­erf langs de Schiphol­weg bij Bad­ho­eve­dorp. Laten we in de tussen­tijd zuinig met onze mon­u­men­tale bomen zijn en niet zo snel met de zaag als tot dusver. Er komen in Ned­er­land een 5 tal soorten lin­des voor, waar­van we er 3 gevon­den hebben. Dit zijn de inheemse soorten zomer­linde of groot­bladige linde, de win­ter­linde en de kruis­ing van beide soorten, de Hol­landse of gewone linde. De kon­ingslinde en de Krim­linde zijn kweek­var­iëteiten van de Hol­landse linde. Lin­de­bomen kun­nen zeer oud wor­den en afhanke­lijk van de var­iëteit 1530 m hoog. De linde heeft een ken­merk­ende ronde kroon met steil opgaande takken (foto).
Vol­gende week verder.

 smelleken1vogelsSmelleken8 jan 2013jan­u­ari
 smelleken1

 smelleken1

Graag ves­tig ik uw aan­dacht op het ver­schi­jnsel win­ter­gas­ten. Ons land is geze­gend met een vrucht­bare bodem en een mild kli­maat. Veel vogels uit het barre hoge noor­den of oosten weten deze omstandighe­den te waarderen. Ze broe­den in de Siberische bossen of de toen­dra, maar bren­gen de win­ter hier door. Een van deze groepen is de roofvo­gels. Zo verveelvoudigd in de win­ter de stand aan buiz­erds, toren­valken, slecht­valken, sper­w­ers, blauwe kiek­endieven en haviken die hier broe­den. Er is geen betere tijd om roofvo­gels te zien dan de win­ter. De bomen zijn kaal en er zijn er veel. Vooral buiz­erds en sper­w­ers vallen op. Buiz­erds omdat zij overal rond autowe­gen jagen op muizen in bermen en sper­w­ers (een bosvo­gel) omdat die zich in hun jacht op vogelt­jes in tuinen wagen. ‘Luxer’ aan­gelegde vogels zoals de boom­valk en de bru­ine kiek­endief trekken naar het zuiden. Ook ver­schi­j­nen er soorten die hier niet broe­den. Een daar­van is het smelleken. Het is het kle­in­ste valkje van Europa, dat leeft van de jacht op vogelt­jes als vinken, piepers en lijster­achti­gen in open ter­reinen met bosjes, zoals de duinen.

Bij­zon­der

Van deze doortrekkers en over­win­ter­aars zwer­ven er ook indi­viduen het hele land door. In Nieuw-​Vennep zat een jong man­netje zo inten­sief achter een vogeltje aan dat hij een raam niet meer kon ontwijken. Door­dat de vogel ver­suft was, met bloed aan zijn snavel, kon hij naar de dier­e­narts gebracht wor­den en goed bekeken wor­den. Daaruit bleek dat het een smelleken was (foto boven) en niet een sper­wer (foto onder) zoals in 99 van de 100 gevallen. Een jong sper­w­er­man­netje heeft nl een gele ring rond zijn neus en geen oogstreep. Gelukkig her­stelde de vogel snel. De prooi (een graspieper) had de aan­val niet over­leefd en lag in de tuin.

Waar

Het smelleken broedt in de lage stru­iken van de toen­dra en trekt hier in sep­tem­ber en okto­ber door naar het zuiden en april en mei naar het noor­den. Maar vooral in de duin­streek bli­jven er ook kleinere aan­tallen de hele win­ter over.

 Grote_viltinktzwam3pad­den­stoe­len(Grote) Viltinkzwam (2)25 dec 2012decem­ber
 Grote_viltinktzwam3

Ver­volg van de col­umn van vorige week. Er zijn hon­der­den soorten ink­tzwammen wereld­wijd. Ze ontle­nen hun naam aan het feit dat een ‘rijpe’ ink­tzwam vervloeid tot een soort zwarte inkt. In deze vloeibare klev­erige inkt zit­ten de sporen, die aan poten van insecten (vooral vliegen) bli­jven kleven en zo ver­spreid wor­den. De grote viltink­tzwam is niet zo groot met een hoed van 24 cm en een steel van 38 cm. (zie foto)Veel kleiner dan de algemene gri­jze en geschubde ink­tzwammen, die vaak op voed­sel rijke gazons of com­posthopen staan. Vooral de geschubde ink­tzwam is een del­i­catesse. De Gri­jze ink­tzwam is ook eet­baar, maar alleen als je er min­stens 24 uur ervoor en erna geen alco­hol nut­tigt. In dat geval pro­duceert hij nl gif­stof­fen in je bloed. Of de Grote viltinkzwam eet­baar is, is mij niet bek­end. I.t.t. de gewone zwamdraden droogt het lucht­mycelium niet zo makke­lijk uit en heeft het een func­tie om te ontsnap­pen uit een plek waar het eten op is. Dat kan op 2 manieren: 1: door over een plek heen te groeien waar geen ver­teer­baar organ­isch mate­ri­aal voorkomt naar een plek waar de schim­mel wel weer kan gedi­jen 2: door met kleine pluk­jes af te breken en heel ergens anders heen te waaien. Lucht­mycelium komt ook bij schim­mel­soorten voor, maar niet als dit oran­je­bru­ine ‘vilt’: Schim­mels en bacteriën zijn voort­durend met elkaar in con­cur­ren­tie. Waar deze organ­is­men elkaar in de grond of in een petri schaal in lab­o­ra­to­ria tegen komen en ´elkaar niet uit kun­nen staan´ gaan de zwamdraden of dood of vor­men onder stressvolle con­di­ties ook vaak lucht­mycelium. Daar­bij wordt er tegelijk­er­tijd een soort chemis­che oor­log uit­ge­vochten. Een deel van de chemis­che bat­terij aan stof­fen bestaat uit antibi­ot­ica. Zo geven lucht­mycelia aan onder­zoek­ers aan waar inter­es­sante stof­fen gevon­den kun­nen worden.

Waar

Viltinkzwammen komen voor op dode takken, stronken en stam­men van loof­bomen (pop­ulier, els, esdoorn) op voed­sel­rijke bodem.