Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Mol­lenel­lende

op .

Deze col­umn (sinds juni 2006) heet Ont­dek de Flora en Fauna van de Haar­lem­mer­meer. De reden is, dat er over het alge­meen gedacht wordt dat de Haar­lem­mer­meer een zeer arme polder is in bio­di­ver­siteit (en dat er daarom ook makke­lijk nieuw beton en asfalt wordt aan­gelegd). De afgelopen 12 jaar heeft al wel geleerd dat er een ongelofe­lijke ver­schei­den­heid aan soorten in onze polder voorkomen en mijn inschat­ting is dat ik voor het behan­de­len van alle ca 10.000 soorten een jaar of 400 nodig zal hebben. Zo nu en dan gaat het niet alleen over nieuwe soorten maar gebeurt er iets bij­zon­ders. Zo zit­ten we nu mid­den in de groot­ste droogte– en hit­te­golf sinds er weergegevens wor­den bijge­houden. En die droogte heeft ook effecten in de natuur op soorten. Zo vind ik aan de lopende band dode mollen en dat is opmerke­lijk.

Bij­zon­der
De eerste 3 mollen heb ik in de com­posthopen ver­w­erkt, maar bij nr 48 begon er enige ongerus­theid op te spe­len. Op mol 4 heb ik daarom een gecom­bi­neerde anatomis­che les en sec­tie uit­gevo­erd (foto) en wat bleek: de arme mol was heel mager, geen vet en geen inhoud in het spi­jsver­t­er­ingssys­teem. Dat mollen van de honger ster­ven, kan samen­hangen met de droogte omdat hun voor­naam­ste voed­sel: regen­wor­men steeds dieper in de aarde wegkruipt en de Haar­lem­mer­meerse klei bij droogte hard wordt als beton. Een mol moet dus steeds harder werken om steeds min­der voed­sel buit te maken. Als hij een ons wor­men ver­brandt om 50 gram te van­gen, sterft hij na 46 weken van honger en uit­putting. Graag hoor ik van lez­ers of er op andere plaat­sen ook extra mol­len­sterfte gecon­sta­teerd wordt.

Waar
Mollen zijn zeer algemene bewon­ers van onze polder. Ze graven gan­gen waarin ze via hun neus wor­men en ander bodem­leven opsporen. Ze leven 4 uur op en 4 uur slapen, jaar­rond. Meestal zijn de Ned­er­landse con­di­ties ideaal om wor­men te kun­nen zoeken in bijna altijd vochtige humus­rijke grond. Dit jaar zou wel eens een mol­len­ramp jaar in een groot deel van Europa kun­nen worden.

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 11 ] Ga naar vorige«… 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 regenworm4kleine dierenRegen­worm (4)28 apr 2013april
 regenworm4

 regenworm4

Regen­wor­men danken hun naam aan het feit dat ze vooral te zien zijn als het regent en alleen dan over het bode­mop­per­vlak kruipen. Ze kun­nen een regen­bui waarne­men door de trillin­gen in de bodem, die veroorza­akt wor­den door de val­lende regendruppels.

Een ander bek­end mis­ver­stand over regen­wor­men is, dat ze proberen te ontsnap­pen aan de regen omdat ze kun­nen ver­drinken als hun hol­letje vol­loopt. De regen­worm leeft vaak in waterige omstandighe­den zoals onder de grond­wa­ter­spiegel. Ze nemen zuurstof op door hun dunne huid, wat ook onder water werkt. Aangezien regen­wa­ter rijk is aan zuurstof, hebben regen­wor­men niet veel te vrezen van een bui. Als echter zuursto­farm grond­wa­ter omhoog komt, kan een regen­worm ver­drinken en zal naar de opper­vlakte kruipen.

Ze komen wel boven­gronds tij­dens een bui omdat ze regen ver­war­ren met de trillin­gen van een vijand, zoals een gravende mol of om te paren. Deze trillin­gen kun­nen wor­den nage­bootst door een stok in de grond te steken en deze te laten trillen. De regen­wor­men zullen dan mas­saal naar boven kruipen, ongeacht de weersomstandigheden.

Waar

Regen­wor­men komen voor in Noord-​Amerika , Eurazië en het Midden-​Oosten. Wereld­wijd zijn er ongeveer 670 soorten regen­wor­men bek­end die in lengte variëren van enkele cen­time­ters tot decimeters.

In Ned­er­land komen 22 soorten voor. Regen­wor­men leven niet alle­maal onder­gronds, veel soorten zijn diep­gravers die lange ver­ti­cale gan­gen maken zoals de veel voorkomende dauw­pier of gewone regen­worm die 9 tot 30 cm lang wordt en de rode worm die tot 15 cm lang wordt.

Er zijn er ook die in de strooisel­laag leven zoals de mest­pier die 6 tot 13 cm lang wordt en door zijn rode kleur en soms oranje dwars­ban­den wel tijger­worm wordt genoemd. Ook veel voorkomend is een gri­js­blauwe soort die geen Ned­er­landse naam heeft. De mest– of tijger­worm en de blauwe regen­worm staan op de foto.

 regenworm3kleine dierenRegen­worm (3)22 apr 2013april
 regenworm3

De regen­worm heeft een verdikking aan de voorz­i­jde van het lichaam, die vaak lichter van kleur is ten opzichte van de rest van het lijf. Deze band wordt het zadel genoemd. Vaak wordt gedacht dat het verdikte zadel de ges­lacht­sor­ga­nen of eieren bevat maar dit is niet juist.

Het zadel is een groep van sli­jm­pro­duc­erende cellen. Het slijm dat wordt afgeschei­den dient als ′reageer­buis′ waarin de eit­jes en het sperma samenkomen en droogt later in tot een cocon dat de eieren beschermd tegen uitdroging.

Onder vochtige omstandighe­den kruipen de dieren naar boven en komen uit hun gang op zoek naar een part­ner. Omdat ze gevoelig zijn voor uit­droging, gebeurt dit meestal in de schemer­ing of na een regenbui.

Regen­wor­men bevruchten elkaar niet tij­dens de par­ing maar wis­se­len alleen zaad­cellen uit. Als eieren vol­doende zijn ontwikkeld, vindt de uitein­delijk de bevrucht­ing plaats. Hier­bij wordt een sli­jm­laag rond het zadel gevormd, dat als een gordel om de worm zit. In het slijm zit­ten voed­ingsstof­fen voor de zich ontwikke­lende embryo′s. Zodra de sli­jm­band is gevormd, ‘wurmt’ de worm deze band naar voren tot over de vrouwelijke ges­lach­topen­ing. Daar wor­den de eieren afgezet in het slijm. Nadat de sli­jmkoker van (nog onbevruchte) eieren is voorzien wordt deze verder afge­stroopt tot de blaas­jes waar het sperma bewaard wordt. Met het bewaarde sperma uit zak­jes wor­den de eieren bevrucht. Dan stroopt de worm de sli­jmkoker volledig van het lichaam en ver­droogt deze tot een harde cocon ter grootte van een erwt met een ken­merk­ende cit­roen­vorm (Zie foto).

Hoewel de cocon meerdere lev­ens­vat­bare eieren bevat, kruipt uit de meeste cocons maar één jonge worm. De gewone regen­worm kruipt na 15 maan­den uit de cocon, afhanke­lijk van de omstandighe­den. 0.51.5 jaar later is de worm ges­lacht­srijp. De lev­ens­duur van de gewone regen­worm in het wild is enkele jaren, maar weinig exem­plaren leven lang genoeg om de max­i­male lengte van 30 cen­time­ter te bereiken. Ze kun­nen 6 jaar oud worden.

 regenworm2kleine dierenRegen­worm (2)15 apr 2013april
 regenworm2

Bijna alle lichaamsseg­menten van regen­wor­men hebben kleine bors­tels, die grip geven bij graven.
Regen­wor­men wor­den op basis van hun lev­enswi­jze ingedeeld in 3 groepen.

Soorten die leven in de strooisel­laag bli­jven klein en graven geen gan­gen. Deze soorten verkleinen bladafval.

Andere soorten leven in de toplaag van de bodem en graven hor­i­zon­tale tun­nels. Deze wor­men breken bladaf­val af en zor­gen voor beluchting.

De 3e groep graaft diepe, ver­ti­cale tun­nels. Deze soorten hebben kleuren en wor­den het grootst. Door hun tun­nels wordt de bodem beter belucht en kan water wor­den afgevo­erd. Bij het graven van gan­gen wordt veel mate­ri­aal opgenomen, maar grond bevat maar een deel van het ben­odigde voed­sel. Een ander deel bestaat uit planten­de­len die in het hol wor­den getrokken en ver­vol­gens wor­den voorver­teerd in de mond en door bacteriën.

Regen­wor­men staan aan de basis van vele voed­selketens en dienen als voed­sel voor veel vogels, zoogdieren, insecten, naak­t­slakken en plat­wor­men . Vooral (spits)muizen en mollen eten veel regenwormen.

Bij­zon­der

Regen­wor­men kun­nen niet over­leven in te zure grond, zoals veen. Hier­door wor­den planten­resten niet op grote schaal omgezet in min­eralen, en kan turf ontstaan.

De gewone regen­worm kan een totale lichaam­slengte van 30 cm bereiken. De reuzen­re­gen­worm uit Aus­tralië wel 3 m. De regen­worm speelt een zeer belan­grijke rol in het ver­beteren van de bodem­struc­tuur. Hij graaft lange tun­nels waar­door de bodem wordt belucht. Dit heeft als gevolg dat bacteriën dieper in de bodem kun­nen leven, die de afbraak van organ­is­che stof­fen verder ver­snellen. Door de tun­nels van regen­wor­men kun­nen planten­wor­tels makke­lijker en dieper de bodem in. Daar­naast wordt de water­huishoud­ing van de grond beter, omdat water door de tun­nels beter in en uit de bodem en vast­ge­houden kan wor­den, al naar de omstandighe­den. Ook de omzetting van bladaf­val in min­eralen is belan­grijk voor de bodem en planten­groei. Door wor­men is (onbe­tre­den) bosgrond los en luchtig.

 regenworm1kleine dierenRegen­wor­men (1)7 apr 2013april
 regenworm1

Iedereen kent regen­wor­men. Maar ze zijn zo inter­es­sant en er bestaan zoveel mis­con­cep­ties over, dat er 4 columns nodig zijn voor een redelijke behandeling.

Regen­wor­men behoren tot de ring­wor­men. Dit is zijn wor­men die de zee ver­laten hebben en in zoet­wa­ter maar ook op het land kun­nen leven. Regen­wor­men zijn meestal in grote aan­tallen te vin­den. Het lichaam van regen­wor­men is net als bij alle ring­wor­men opge­bouwd uit seg­menten of rin­gen. De seg­menten zijn bin­nen in het lichaam geschei­den door een wand. Door deze seg­ment­wan­den heen lopen de spi­jsver­t­er­ingskolom, de aderen, de zenuw­streng en bepaalde klieren. Deze klieren werken als nieren, waarmee stof­fen als urinezuur, zouten en ammo­niak wor­den afgevo­erd en water wordt terugge­won­nen uit afvalstoffen.

Het lichaam van de regen­worm kan bestaan uit 100150 seg­menten. Ver­harde struc­turen zoals tanden of kaken ont­breken. Een regen­worm heeft geen ogen of oren maar kan wel trillin­gen en geschikte voed­ings­bron­nen waarne­men. De lichaamsholten zijn met een vloeistof gevuld en staan onder druk, wat de worm ste­vigheid geeft.

Net als andere ongew­ervelde dieren hebben ze geen herse­nen maar een aan­tal knoop­pun­ten waar de zenuwen samenkomen, bv in de mond­flap. De mond­flap is een belan­grijk lichaams­deel omdat het dient als een tastz­in­tuig bij het zoeken naar voed­sel. Deze ‘boven­lip’ dient ook als gri­j­por­gaan. Regen­wor­men hebben geen ogen, maar zijn wel gevoelig voor licht. De regen­worm heeft geen spe­ciale ademhal­ing­sor­ga­nen, maar wel een ges­loten bloed­vaten­sys­teem, waarmee door de huid zuurstof opgenomen wordt en uit de darm opgenomen voed­ingsstof­fen wor­den getransporteerd.

De gewone regen­worm heeft vijf paar harten en dus tien harten in totaal. Om het lichaam van zuurstof te voorzien, hebben regen­wor­men net als gew­ervelde dieren rood bloed, maar geen rode bloed­cellen. Omdat regen­wor­men soms in zuursto­farme omstandighe­den belanden, zoals bij lang­durige over­stro­min­gen van het land, kan hun bloed veel zuurstof opnemen.

 roodborstlijstervogelsRood­borstli­jster31 mrt 2013maart
 roodborstlijster

De rood­borstli­jster is een prachtig gek­leurde lijster­achtige die in Amerika alge­meen is. Het is een trekvo­gel die net als de Kramsvo­gel en de Kop­er­wiek een krachtige vlucht heeft. Het wordt ook onder de Europese vogels gerek­end als een zeer zeldzame dwaal­gast (in 10 jaar 3 meldin­gen in Ned­er­land). Recen­telijk was er opwind­ing in voge­laars­land toen er in Hoofd­dorp bij het sta­tion een en mogelijk 2 exem­plaren wer­den waargenomen. De rood­borstli­jster is een uiter­mate fraai gek­leurde vogel(foto). Beide ges­lachten zijn vri­jwel gelijk, alleen zijn de vrouwt­jes wat dof­fer van kleur. De man­nen hebben een nage­noeg zwarte kop met een zwart-​wit gestreepte keel. Om het oog zit een opval­lende, onder­bro­ken witte ring. Aan de oran­jerode borstk­leur hebben de vogels hun naam te danken. Die kleur doet denken aan de borstk­leur van het bek­ende Europese rood­borstje. Om die reden wordt deze vogel in Amerika Robin (Rood­borstje) genoemd.

Bij­zon­der

De rood­borstli­jster zou je de Amerikaanse merel kun­nen noe­men, want de gedragin­gen van deze vogel­soort komen op heel wat pun­ten overeen met onze merel. Zo heeft hij zich, net als de merel in Europa, van schuwe bosvo­gel ontwikkeld tot een cul­tu­ur­vol­ger. De vogel heeft een groot deel van zijn aange­boren schuwheid afgelegd, leeft graag in de buurt van mensen en is tot in de grote ste­den te vin­den in tuinen, parken en op sport­ter­reinen etc. Als er maar bosjes, gecom­bi­neerd met grasvelden of gazons zijn, dan is hij er te vin­den. Hij nestelt, eve­nals zijn neef de merel, op de meest uiteen­lopende plaatsen.

Waar

De rood­borstli­jster is een echte trekvo­gel. Met name uit Alaska en uit Canada komen vogels die ieder jaar grote trek­tochten onderne­men tot in Mex­ico. De rood­borstli­jsters uit het mid­den en zuiden van de V.S. zijn stand­vo­gels. Soms raken de vogels tij­dens stor­men uit de koers boven de Atlantis­che oceaan. Tij­dens zo’n tocht wordt er onder­weg soms meegelift op zeeschepen en bereiken ze soms de kusten van Europa.

 tepelgalvlieg1insectenTepel­galvlieg23 mrt 2013maart
 tepelgalvlieg1

 tepelgalvlieg1

In deze col­umn hebben we al eens een aan­tal soorten wespen behan­deld, die voor hun lar­ven en hun nages­lacht een com­fort­a­bele plek hebben weten te creëren door planten aan te zetten tot de vorm­ing van gallen. Gallen, die aan de buiten kant een harde beschermlaag vor­men en aan de bin­nenkant een eet­bare sub­stantie. Geen won­der dat er alleen al in Ned­er­land ruim 2000 galvor­mende insecten zijn ontstaan, waaron­der ook muggen,vliegen en mot­ten. Op bladeren en sten­gels wor­den de meeste gallen gevon­den, maar ook op eikels, knop­pen en bloe­men en wor­tels van alle denkbare soorten zijn er gallen te ont­dekken. Maar de soort die we van­daag behan­de­len, heeft wel een hele curieuze manier ontwikkeld: De tepel­galvlieg legt zijn eieren onder een meer­jarige ver­hou­tende pad­den­stoel: De platte ton­derzwam. Dat hij onder de brede hoed van de ton­derzwam groeit, is natu­urlijk handig tegen de regen. De platte ton­derzwamte­pel­galvlieg is 45 mm lang en behoort tot de fam­i­lie van breed­voetvliegen (foto onder) . Er bestaan 250 soorten breed­voetvliegen wereld­wijd. In Europa is dit de enige breed­voetvlieg die gallen op pad­den­stoe­len vormt.

Bij­zon­der

Omdat de platte ton­derzwam meer­jarig is, bli­jven de gallen lang onder de zwam zit­ten. De zwam vormt tij­dens en na de galvorm­ing nieuw sporen­vor­mend weef­sel om de gal heen (zie foto boven). Uitein­delijk verd­wi­j­nen de gallen in dit weef­sel, waarop in vol­gende jaren weer nieuwe gallen kun­nen wor­den gevormd. Er zijn in en op zo’n ton­derzwam wel eens 600 gallen geteld. Ver­schil­lende graafwe­spen, soli­taire bijen en sluip­we­spen neste­len graag in oude, ver­laten gallen. Gal­be­won­ers hebben zoals vele andere organ­is­men ook hun vijan­den. Niet alleen vogels weten de lar­ven in de gallen te vin­den, ook bepaalde parasi­eten kraken het huisje van de galver­wekker. Zo zijn sluip­we­spen geduchte vijan­den van galbewoners.

Waar

De ton­derzwamte­pel­galvlieg komt voor in het noor­den van Azië en in Europa en natu­urlijk alleen waar ton­derzwammen groeien.

 waterspitsmuis3kleine dierenWater­spitsmuis (3)17 mrt 2013maart
 waterspitsmuis3

In de peri­o­den dat de water­spitsmuis actief is, is hij op zoek naar voed­sel, waar­bij hij con­tinu in beweg­ing is. Deze actieve peri­odes duren enkele minuten tot 2 uur en wor­den onder­bro­ken door rust­pe­ri­odes. Ze rusten nooit langer dan een uur. De rust­pe­ri­o­den wor­den doorge­bracht in onder­grondse holen. Er bestaan 2 groepen spitsmuizen op basis van hun tanden. De helft van de soorten heeft witte tanden. De andere helft, waaron­der de water­spitsmuis heeft tanden met rode pun­ten, die hun schedels (vaak in braak­ballen) een bloed­dorstig uiter­lijk geven. Op de foto staan drie spitsmuis­soorten met rode tand­pun­ten. De tanden zijn spits om lev­ende prooien te kun­nen vast­pakken en verscheuren.

Waar

De water­spitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voed­sel­rijk, vrij snel stromend tot stil­staand water met een behoor­lijk ontwikkelde water­veg­e­tatie en ruig begroeide oev­ers. Dat is vaak bij beken, riv­ieren, sloten, plassen en daar waar schoon grond­wa­ter opwelt. Ook wordt hij aangetrof­fen langs de bin­nen­duin­rand, natu­urlijke duin­meren en kun­st­matige infil­tratiege­bieden. Boven­dien moet er in de oev­ers vol­doende schuil­mo­gelijkheid zijn waar de water­spitsmuis zich kan terugtrekken om zijn prooien op te eten. Het ver­sprei­d­ings­ge­bied van de water­spitsmuis ligt in een groot deel van Europa. Van de Mid­del­landse zee tot in het noor­den van Scan­di­navië. In Ned­er­land heeft de water­spitsmuis een zeer ver­snip­perde ver­sprei­d­ing, maar hij komt het meest voor in de water­rijke provin­cies Fries­land en Over­i­js­sel. In Oost– en Zuid-​Nederland komt zijn ver­sprei­d­ing overeen met beek– en riv­ierdalen van de zand– en lössgronden, in laag Ned­er­land betreft het vooral kwel­ge­bieden. Ook in De Heiman­shof is de water­spitsmuis in het verleden aangetrof­fen. De pop­u­latie in Poel­broek vlak buiten de Haar­lem­mer­meer bij Vijfhuizen geeft hoop dat deze soort ook in de vochtige veen­polder rond de Een­denkooi Stok­man kan voorkomen en langs de steeds fre­quenter aan­gelegde ecol­o­gis­che oev­ers in onze polder.

 waterspitsmuis2kleine dierenWater­spitsmuis (2)10 mrt 2013maart
 waterspitsmuis2

De water­spitsmuis heeft giftig speek­sel. Dit wordt vooral gebruikt om prooi­dieren als vis­sen en kikkers te ver­lam­men, die groter kun­nen zijn dan hijzelf (foto). De water­spitsmuis leeft soli­tair. Alleen in de voort­plant­i­ngstijd leven meerdere dieren bijeen in een los familieverband.

Het voed­sel van de water­spitsmuis bestaat uit prooi­dieren die hij zowel op het land als in het water vangt. Zijn voed­sel bestaat voor­namelijk uit insecten en andere ongew­ervelden zoals kreef­tachti­gen, water­slakken, kev­ers, mot­ten, vliegen, lar­ven en wor­men. Daar­naast eet hij ook kleine vis­sen, amfibieën(eieren) en aas. Soms legt de water­spitsmuis een voor­raad aan. Water­spitsmuizen eten per dag min­stens hun eigen lichaams­gewicht en kun­nen twee dagen zon­der voedsel.

De water­spitsmuis is vrij luidruchtig. Hij maakt flui­tende kreten, trillers en schrille kri­jsende en sis­sende geluiden.

Bij­zon­der

De water­spitsmuis is in Ned­er­land bedreigd en staat op de rode lijst als kwets­baar. Dit is het gevolg van de verni­etig­ing van hun leefge­bied door o.a. de aan­leg van water­we­gen, de drainage van lan­der­i­jen, het ver­wi­jderen van oev­erveg­e­tatie en watervervuiling.

Ook in veel Europese gebieden is de pop­u­latie van water­spitsmuizen hier­door teruggelopen. Maar omdat ze zo klein en ongri­jp­baar zijn, is het moeil­ijk een juiste schat­ting te maken van de mate van achteruit­gang. Natu­urlijke bedreigin­gen van de water­spitsmuis zijn kerkuil, steenuil, steen­marter en boom­marter. Daar­naast wor­den water­spitsmuizen ook wel gevan­gen door o.a. bun­z­ing, kat, vos en ran­suil, maar niet door hen opgegeten. Dit komt omdat spitsmuizen, vooral de man­net­jes, een ranzig ruik­ende stof uitschei­den en dan door deze geur of smaak niet wor­den opgegeten.

De water­spitsmuis is een ontzettend schuw dier, dat zich dood kan schrikken van een plot­sel­ing, hard geluid. De soort is zowel overdag als ′s nachts actief, maar vooral voor zonsopgang.

 waterspitsmuis1kleine dierenWater­spitsmuis (1)4 mrt 2013maart
 waterspitsmuis1

Afgelopen zater­dag werkte ik mee aan een project vlak bij Vijfhuizen net over de ring­vaart. Een ruig en nat wei­land, genaamd Poel­broek­park. Met 10 man deden we het achter­stal­lig maai­w­erk wat paar­den de jaren ervoor gedaan had­den. De sni­j­dende koude voelden we niet door het harde werken en vooral de vele leuke din­gen die we zagen: een vossen­burcht en maar liefst een stuk of 10 bij­zon­der spitsmuizen: de water­spitsmuis had het hier goed naar zijn zin. Nor­maliter zijn deze dieren in de ruige natte gebieden waar ze leven niet te vin­den of te van­gen, maar door het maaien kri­oelden ze overal. Zoals de naam doet ver­moe­den, zijn water­spitsmuizen water­dieren. Spitsmuizen zijn verder geen gewone muizen die zaad of gras eten, maar het zijn jagende car­ni­voren. Er zijn 6 spitsmuis­soorten in Ned­er­land, waar­van de water­spitsmuis de groot­ste is. En de spe­cialiteit van de water­spitsmuis is jagen onder water. Ook loopt hij over de bodem van het water. Hij kan tot 20 sec­on­den onder water bli­jven. De water­spitsmuis zwemt met zijn staart en poten. De onderz­i­jde van de staart is voorzien van rijen witte borstel­haren, die dienen als een soort kiel bij het zwem­men en franje bij met name de achter­poten en zwemvliezen. De oren liggen geheel ver­bor­gen in de vacht en wor­den bedekt door huid­flap­jes tegen inkomend water. Hij heeft kleine zwarte ogen en een spitse snuit met lange witte snorharen. De vacht is wat­er­af­s­to­tend, door de afschei­d­ing van vetk­lieren, die hij op het land door zijn vacht poetst. Als een water­spitsmuis zwemt, bli­jven er lucht­bellen tussen de vacht zit­ten, waar­door deze een zil­v­eren kleur kri­jgt (foto). Deze lucht­bellen houden warmte vast, maar zor­gen er ook voor dat de water­spitsmuis bli­jft dri­jven. Om bij de bodem te komen, moet een water­spitsmuis met een sprong het water induiken. De water­spitsmuis heeft gevoelige, beweeglijke snorharen en een spitse snuit, waarmee hij naar prooi kan zoeken in de mod­der en onder steen­t­jes. Vol­gende week verder.

 eik4bomenEiken­bi­j­zon­der­he­den (4)25 feb 2013feb­ru­ari
 eik4

Ook de naam Hol­land heeft met eiken te maken. Hol­land komt niet van ‘hol’ maar van ‘Holt’. Onze veenge­bieden beston­den vroeger uit machtige eiken­bossen. Vee­boeren op veen­wei­des stu­iten nog steeds elk jaar op enorme stam­men van eiken die in het veen ver­zonken waren en die door het inklinken en vervliegen van het veen boven­gronds komen, zoge­naamde veeneiken (foto).

De groot­ste eik van Groot-​Brittannië is ca 1000 jaar en heeft een sta­momtrek van 12,7 m. De Chêne du Tron­joli (ook 1000 jaar) staat op een boerderij in Bre­tagne. De Kongee­gen in Den­e­marken wordt op 10001400 jaar oud geschat. Op de Veluwe zijn eiken­hakhout­bosjes gevon­den die mogelijk al meer dan 1500 jaar om de 810 jaar zijn ‘geoogst’. In vroeger tij­den waren eikels vooral belan­grijk als varkensvoer. Eiken­hout is hard en sterk. En wordt nog steeds gebruikt als con­struc­tiehout, voor par­ket, deuren en voor de bouw van bruggen en steigers.

De bast bevat, eve­nals het hout van de oud­ere bomen, looistof­fen die gebruikt wor­den bij de leerindus­trie. Door koken komen de waarde­volle looizuren vrij die gebruikt wor­den voor het looien van huiden. Als dit looizuur met ijzer reageert ontstaat Oost-​Indische inkt. Dat pro­ces is te zien bij het omza­gen van een eik: op de zaagsnede vor­men zich zwarte vlekken. Op eiken komen zeer veel gallen voor. Wel 40 soorten gal­we­spen gebruiken alle onderde­len van de eik:het blad, blad­knop­pen, eikels, takken en zelfs wor­tels. De gal­wesp en zijn larve geven een soort planten­hor­moon af dat de plant aanzet tot het vor­men van een verdikking. Deze is meestal hard aan de buitenkant en zacht en smake­lijk van bin­nen en vormt een veilige en ide­ale plek om op te groeien voor jonge galwespen.

Waar

In alle gebieden boven de eve­naar groeien eiken. Uit­gestrekte eiken­wouden besloe­gen ooit grote delen van Europa. Van deze oer­bossen is er nog maar weinig overge­bleven. Groot-​Brittannië heeft de groot­ste en mooiste ongerepte oer­bossen van Noordwest-​Europa waar nog veel eiken staan.

 eik3bbomenEik (3)17 feb 2013feb­ru­ari
 eik3b

 eik3b

De Steeneik kan 20 m hoog wor­den, maar is meestal vele kleiner omdat hij vooral op onvrucht­bare rot­sige plekken groeit. Hij heeft een korte stam en een brede, ronde kroon. De bladeren zijn hard en leer­achtig en glanzend donker­groen en bli­jven jaren aan de boom, ter­wijl alle andere eiken blad­ver­liezend zijn. Ze lijken op hul­st­bladeren en hebben ook stekels. Hij komt voor in het Mid­del­landse Zeege­bied tot aan de zuidrand van de Alpen. De boom is niet win­ter­hard en staat daarom in de mediter­rane kas van De Heiman­shof. Vroeger bedek­ten wouden van steeneiken grote delen van het Mid­del­landse Zeege­bied. Hij is nu terugge­dron­gen tot steeds kleiner wor­dende arealen. De steeneik lev­ert zeer hard, zwaar hout dat azi­jn­hout genoemd wordt. Het leent zich voor onderde­len die zwaar belast wor­den, in de wagen­mak­erij en in molens voor de kam­men van de wielen.

De Libanese eik bli­jft een vrij kleine boom van max­i­maal 8 m. Zijn bladeren zijn lang­w­er­pig en zaagvormig gelobt met een punt. Hij komt voor van Libanon tot in Iran en is beperkt win­ter­hard. Ook deze groeit daarom in de mediter­rane kas van De Heimanshof.

Bij­zon­der

Eik is een Oud-​Germaans woord en betekent boom. In Ned­er­land en Bel­gië ken­nen wij de zomer– en win­tereik (Quer­cus robur en Quer­cus petraea). Robur betekent hard (eiken)hout en petraea van de rot­sen omdat deze eik met arme grond, zelfs rots­grond, genoe­gen neemt.

Het Griekse woord voor eik is drus en dat lijkt op het woord druïde voor de Keltische priesters, die ook wel eik­mensen genoemd wer­den. Eiken waren voor de Kel­ten Heilige bomen en wer­den vereerd. Bij de Het­titen, Perzen, Grieken en Romeinen was de eik sym­bool voor wilskracht. De eik was voor veel volk­eren een magis­che boom. De Griekse geschied­schri­jver Tracitus schri­jft dat de Ger­ma­nen geen tem­pels kenden, alleen heilige wouden. Hij was erg onder de indruk van de machtige eiken­bossen in Duit­s­land. Aan de voet van eiken spraken zij recht, brachten zij offers en begroeven zij hun doden.

 eik2bomenEik (2)10 feb 2013feb­ru­ari
 eik2

De Hon­gaarse Eik kan tot 40 m hoog wor­den en heeft een brede kroon en hoogop­gaande takken.

Langs de Hoofdweg-​Oost in Hoofd­dorp tussen het Griekse restau­rant en Quick-​fit staan de enige drie Hon­gaarse eiken die wij ont­dekt hebben, maar die mogen er dan ook zijn. Ze zijn ca 90 jaar oud en de dik­ste is ruim 2.5 m in omtrek. Deze soort komt uit de Balkan en met je vindt hem met name in Servië, Bul­gar­ije en Roe­me­nie. Het gekke is dat de boom nauwelijks in Hon­gar­ije voorkomt.

Deze eik houdt van zware, voedzame, iets zure gron­den die in het voor­jaar nat is en in de zomer kurk­droog. Hij houdt niet van een hoge grond­wa­ter­stand en heeft een hekel aan kalk. Opval­lend is dat de bladeren aan de uitein­den van de takken zit­ten. Daar­door kri­jgt de boom een open kroon.

De bladeren zijn met 1020 cm, erg groot en glanzend groen met ronde lobben en verkleuren in de herfst van geel naar bruin(Zie foto). De eikels wor­den voor 13 tot de helft omsloten door het napje.

De Amerikaanse eik komt, zoals de naam zegt uit Amerika en is goed win­ter­hard. Het mooiste exem­plaar in onze polder staat langs de Kromme Spier­ing weg (bij nr 289) en ook langs de Hoofd­vaart voor het Oude Raad­huis staan er een aan­tal. Deze eik kri­jgt in de herfst mooi rood blad. Dit blad is opval­lend groot (tot 22 cm) en geeft geen ronde maar puntige lobben. Hij kan 25 m hoog wor­den en groeit extra breed uit (foto). De Amerikaanse eik wordt niet zo oud. Met 80 jaar is het meestal wel gebeurd. Het hout van de Amerikaanse eik is min­der waarde­vol dan dat van de zomer– en win­tereik. Het rode herf­st­blad wordt veel gebruikt voor bloem­stukken, meestal in com­bi­natie met chrysan­ten. De eikels hebben een 2-​jarige ontwik­kel­ingscy­clus. In het eerste jaar wor­den ze bestoven. Het wor­den dan kleine groene vrucht­jes. Pas in het tweede jaar vindt de echte rijping plaats. De eikels wor­den dan groter dan die van zomer-​en win­tereik. Ze hebben ook een extra pun­tje waar­door ze als tol­let­jes zijn te gebruiken.