Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Lentek­lokje

op .

Hoewel het nog win­ter zou moeten zijn, is het in de natuur al volop voor­jaar. De vroege sneeuwk­lok is zelfs al uit­ge­bloeid en is bezig zaad te maken, de gewone sneeuwk­lokken bloeien mas­saal, net als de en afgelopen week zijn ook de wilde en de groot­bloemige krokussen mas­saal in bloei gegaan. Al deze soorten zijn wel bek­end en maken het een lust voor het oog om naar buiten te gaan. Maar er zijn nog veel meer soorten die nu in bloei komen en die de moeite van het ont­dekken waard zijn. Een daar­van is een van mijn favori­eten: het lentek­lokje. Hoewel de soort offi­cieel ver­want is aan de nar­cis, doet hij een aan een grote sneeuwk­lok denken. Z’n bladeren zijn niet blauw­groen zoals bij de meeste sneeuwk­lok­jes, maar donker­groen en z’n bloem is niet zo samenge­drukt lang­w­er­pig maar staat breed uit (foto). Ook het lentek­lokje is een stin­sen­plant die uit een bol­letje groeit waar­door hij op reserve stof­fen kan teren en min­der van de warmte van de zon afhanke­lijk is om te groeien.

Bij­zon­der
Het lentek­lokje heeft 1 ver­wante soort: het zomerk­lokje wat in mei bloeit en graag heel vochtig staat. Het is bijna een moeras­plant. Het lentek­lokje wordt 2030 cm hoog en heeft 1 bloem per bloeis­ten­gel, max­i­maal 2 en het zomerk­lokje kan wel 60 cm hoog wor­den en heeft ver­schil­lende bloe­men per bloeis­ten­gel. Hoewel het lentek­lokje heet, bloeit deze soort in de win­ter in feb­ru­ari. Z’n bloem is fraai en bestaat uit 6 bloem­bladen, waar­van er 3 eigen­lijk kelk­bladen zijn, maar die zijn niet van de kroon­bladen te onder­schei­den. En elke bloem­blad heeft een maan­vormige groene vlek.

Waar
Het lentek­lokje groeit in de strooisel­laag van bossen en het liefst op voed­sel­rijke en iet­wat vochtige plekken. Oor­spronke­lijk kwam het ook in Ned­er­land als wilde soort voor, maar dat is al lang verleden tijd. Maar als stin­sen­plant in land­goed­eren en in natu­ur­tu­inen is hij hier en daar wel te vin­den. In de Heiman­shof bloeit hij op dit moment mas­saal.
In Mid­den Europa komt de soort nog wel in het wild voor.

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 11 ] Ga naar vorige«… 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 eik1bomenEik (1)7 feb 2013feb­ru­ari
 eik1

Na de lin­des­oorten in polder is het nu de beurt aan de eiken. In onze polder heb ik tot dusver 7 soorten gevon­den. Graag laat ik u in de komende weken weten waar ze staan en wat er voor bij­zon­der­he­den aan te ont­dekken zijn. Over eiken is een heel boek te schri­jven. Ik ga dat proberen in 4 aflev­erin­gen samen te persen.

De meest algemene inheemse eiken­soort is de zomereik. Deze boom kan een hoge oud­er­dom bereiken. De stam gaat gauw over in krachtige, maar kromme takken waar­door zich de kroon onregel­matig ontwikkelt en licht­door­la­tend is. De naam zomereik wijst erop dat de boom slechts in de zomer bladeren draagt in tegen­stelling tot de win­tereik. De bladeren ontluiken in de eerste helft van mei, hebben ronde lobben en korte ste­len. Zomereiken zijn door de mens bevo­ordeeld boven win­tereiken omdat deze soort meer eikels pro­duceert (de ‘mast’). Op deze mast wer­den de varkens vroeger vet­gemest in de herfst.

Ook de win­tereik is inheems. Ik heb maar 2 exem­plaren gevon­den in de polder: in het Wan­del­bos Hoofd­dorp en langs de Ben­nebroek­erdijk. Het herf­st­blad van deze boom bli­jft gedurende de hele win­ter aan de takken, net als bij som­mige beuken. De bladeren zijn glanzend en leer­achtig, vrij regel­matig van vorm en hebben een lange steel. Ook deze soort kan zeer oud worden.

Een uitheemse soort die het erg goed doet, is de Turkse of Moseik (bv in het cen­trale parkje in Vijfhuizen of langs de Wieger Bruin­laan in Hoofd­dorp) Deze eik kan 35 m hoog wor­den. De bladeren zijn 1015 cm lang, glanzend groen aan de bovenkant en met kleine rechthoekige lobben. De rijping van de kleine vruchten vindt pas in het 2e jaar na bevrucht­ing van de bloe­men plaats. Ze zijn voor de helft omgeven door een vrucht­beker met draadachtige, lange schubben. Aan deze draadachtige schubben dankt de soort zijn naam van moseik. Dit ‘mos’ lijkt als een eski­mo­muts op de eikel te zit­ten. De schors is gri­js­bruin tot zwart en diep gek­loofd. Hij groeit vooral in Zuidoost-​Europa en West-​Azië.

 linde3bomenLinde (3)28 jan 2013jan­u­ari
 linde3

Lin­den­hout is een hout­soort die zich zeer goed leent voor hout­sni­jw­erk, draai­w­erk en beeld­houww­erk, omdat het vrij zacht is, een fijne nerf heeft en gelijk­matig is opge­bouwd. De linde van Sam­beek wordt vaak de oud­ste boom van Ned­er­land genoemd. Of dat waar is, kan nie­mand met zek­er­heid zeggen, want de bepal­ing wordt bemoeil­ijkt door­dat de boom hol is en er dus geen jaar­rin­gen geteld kun­nen wor­den. Wel is zeker dat deze boom een van de oud­ste van Ned­er­land is. De boom zou 1000 jaar oud zijn, maar deskundi­gen houden het op 400500 jaar. Het is in elk geval de dik­ste linde van Ned­er­land, met een sta­mom­vang van 775 cm. Oor­spronke­lijk was het een etagelinde, in drie etages. In 1901 zijn de boven­ste twee etages ges­neu­veld. In het cen­trum van de holle stam is een nieuwe stam gegroeid uit het oude wor­tel­s­telsel; dit is inmid­dels zelf weer een forse boom van circa 2,5 m. omtrek.

Waar

Er bestaan ca 25 soorten lin­des wereld­wijd, die vooral voorkomen op het noordelijk hal­frond in Europa, Noord-​Amerika en Azië. De klein­bladige en de groot­bladige linde komen van nature in de Benelux voor. Lin­den gelden als een van de groot­ste loof­boom­soorten en heeft zijn biotoop van nature met name in beek­dalen. Mooie voor­beelden van de Win­ter­linde of klein­bladige linde (op foto: links) staan in het Gen­er­aal Sni­jder­s­plantsoen in Bad­ho­eve­dorp. Zomer­lin­des of groot­bladige lin­des (op foto: rechts) zijn aange­plant in het oude cen­trum van Hoofd­dorp (Fortweg, Man­age­laan, Ter­veen laan, etc) en Gewone lin­des (op foto: mid­den) staan daar vlak bij langs de Hoofd­vaart. Krim­lin­des zijn aange­plant op kerk­hof Iepen­hof. De dik­ste en mogelijk dus oud­ste linde van de polder staat bij de boerderij aan de Schiphol­weg 569. Een van de 6 daar­van is bijna 3 m in omvang. De meeste andere oude lin­des zijn 22.5 m in omvang. Een boom die ook deze omvang benadert staat in het Wan­del­bos van Hoofd­dorp. In de loop van 2013 en 2014 zullen de ca 20 routes langs mon­u­men­tale en bij­zon­dere bomen door de gehele polder uitkomen.

 linde2bomenLinde (2)20 jan 2013jan­u­ari
 linde2

Ken­merk­end voor lin­de­bomen is de krans van wortelop­slag rond de voet van bijna elke boom. De lin­de­boom werd bij de Kel­ten en de Ger­ma­nen gezien als heilige boom. De geest van de linde gold als bescher­mer voor huizen, bron­nen en kerken. Ook later werd de lin­de­boom als ′goede boom′ beschouwd. Huwelijken wer­den ges­loten onder de linde. Duimen van de gelief­den wer­den dan in de bast gedrukt.

De linde wordt veel gebruikt als lei­boom. De boom vormt een dicht blader­scherm dat in de zomer verkoel­ing biedt. Lin­des wor­den veelvuldig aange­plant als her­denk­ings­boom. De dik­ste her­denk­ings­boom staat op de Geniedijk, kruis­ing Spier­ing­weg. Deze Wil­helmina­boom (foto) is in 1923 geplant tgv het 25-​jarig regeringsju­bileum van Wil­helmina. Jon­gere geden­klin­des staan in vele parken en gazons.

Bijzonder

In juni bloeit de linde rijke­lijk en wordt door bijen en hom­mels bestoven. Voor­dat riet– en biet­suiker rijke­lijk beschik­baar kwam, was hon­ing de belan­grijk­ste zoet­stof. De linde was de groot­ste pro­du­cent van hon­ing. Door voed­sel­con­cur­ren­tie kun­nen onder laat­bloeiende lin­de­bomen, vooral onder alleen­staande bomen, veel dode hom­mels liggen. Hom­mels ver­hon­geren door­dat er meer energie bij het rond­vliegen ver­bruikt wordt dan er in de vorm van nec­tar verza­meld kan wor­den. Het ver­haal dat bv kon­ingslin­den giftig zouden zijn is hierop gebaseerd maar klopt niet. Van de bloe­men van de linde kan kruiden­thee gemaakt wor­den, ook wel tilleul genaamd, de Franse naam voor linde.

De linde kan zeer veel last hebben van de lin­de­blad­luis. De zil­ver­linde heeft hier echter weinig last van. De lin­de­blad­luis scheidt hon­ing­dauw, een suik­er­houdend vocht, af, waarop weer schim­mels zoals roet­dauw groeien. Insecten zoals mieren en bijen oog­sten deze ′blad­hon­ing′ ook. De hon­ing­dauw kan voor zeer veel over­last zor­gen (op gepar­keerde auto′s bv). Gemeen­ten plaat­sen om dit tegen te gaan soms zak­jes met gek­weekte lieve­heers­beestjes. Jam­mer genoeg ver­drin­gen de gebruikte buiten­landse soorten nu onze inheemse soorten.

 linde1bomenLinde (1)12 jan 2013jan­u­ari
 linde1

Al ruim een jaar zijn we met onder­zoek bezig naar mon­u­men­tale en bij­zon­dere bomen om daar wan­del– en fiet­sroutes langs te maken. Inmid­dels hebben we ca 500 locaties gevon­den met ca 3000 bomen die de moeite van een bezoek waard kun­nen zijn. Graag houden we ons nog steeds aan­bev­olen indien u een bij­zon­dere boom heeft en wij nog niet langs geweest zijn.

Er komen aller­lei leuke zaken boven tafel, waar­van ik er vast een aan­tal met u wil delen. De dik­ste boom die wij gevon­den hebben, mat ruim 9 m in omvang, de oud­ste (in onze polder van 160 jaar oud) min­stens 320 jaar en we hebben er 1 van 7 m, 2 van 6 m, 5 van 5m en 12 van 4 m of meer gevon­den. Het waren indruk­wekkende ont­moetin­gen met bomen die veel meege­maakt hebben. De dik­ste bomen zijn meest wilgen, treur­wilgen en beuken. Ook essen en kas­tan­jes komen soms boven de 4 m. Opval­lend was dat eiken en lin­des, die meestal door­gaan voor de oud­ste en dik­ste soorten, niet of nauwelijks boven de 3 m omvang te vin­den zijn. Van­daar dat we ons in een aan­tal columns wat nader verdiepen in lindebomen.

Lin­des en eiken groeien zeker min­der snel dan wilgen (6,7,9 m in 100 jaar) of beuken (dikte 5.20 m in 180 jaar of 5 m in 160 jaar).We moeten dus nog 100 of 200 jaargeduld hebben voor een 5 m exem­plaar in onze polder. De dik­ste linde in de polder, die we gevon­den hebben mat 3 m en groeit op een boeren­erf langs de Schiphol­weg bij Bad­ho­eve­dorp. Laten we in de tussen­tijd zuinig met onze mon­u­men­tale bomen zijn en niet zo snel met de zaag als tot dusver. Er komen in Ned­er­land een 5 tal soorten lin­des voor, waar­van we er 3 gevon­den hebben. Dit zijn de inheemse soorten zomer­linde of groot­bladige linde, de win­ter­linde en de kruis­ing van beide soorten, de Hol­landse of gewone linde. De kon­ingslinde en de Krim­linde zijn kweek­var­iëteiten van de Hol­landse linde. Lin­de­bomen kun­nen zeer oud wor­den en afhanke­lijk van de var­iëteit 1530 m hoog. De linde heeft een ken­merk­ende ronde kroon met steil opgaande takken (foto).
Vol­gende week verder.

 smelleken1vogelsSmelleken8 jan 2013jan­u­ari
 smelleken1

 smelleken1

Graag ves­tig ik uw aan­dacht op het ver­schi­jnsel win­ter­gas­ten. Ons land is geze­gend met een vrucht­bare bodem en een mild kli­maat. Veel vogels uit het barre hoge noor­den of oosten weten deze omstandighe­den te waarderen. Ze broe­den in de Siberische bossen of de toen­dra, maar bren­gen de win­ter hier door. Een van deze groepen is de roofvo­gels. Zo verveelvoudigd in de win­ter de stand aan buiz­erds, toren­valken, slecht­valken, sper­w­ers, blauwe kiek­endieven en haviken die hier broe­den. Er is geen betere tijd om roofvo­gels te zien dan de win­ter. De bomen zijn kaal en er zijn er veel. Vooral buiz­erds en sper­w­ers vallen op. Buiz­erds omdat zij overal rond autowe­gen jagen op muizen in bermen en sper­w­ers (een bosvo­gel) omdat die zich in hun jacht op vogelt­jes in tuinen wagen. ‘Luxer’ aan­gelegde vogels zoals de boom­valk en de bru­ine kiek­endief trekken naar het zuiden. Ook ver­schi­j­nen er soorten die hier niet broe­den. Een daar­van is het smelleken. Het is het kle­in­ste valkje van Europa, dat leeft van de jacht op vogelt­jes als vinken, piepers en lijster­achti­gen in open ter­reinen met bosjes, zoals de duinen.

Bij­zon­der

Van deze doortrekkers en over­win­ter­aars zwer­ven er ook indi­viduen het hele land door. In Nieuw-​Vennep zat een jong man­netje zo inten­sief achter een vogeltje aan dat hij een raam niet meer kon ontwijken. Door­dat de vogel ver­suft was, met bloed aan zijn snavel, kon hij naar de dier­e­narts gebracht wor­den en goed bekeken wor­den. Daaruit bleek dat het een smelleken was (foto boven) en niet een sper­wer (foto onder) zoals in 99 van de 100 gevallen. Een jong sper­w­er­man­netje heeft nl een gele ring rond zijn neus en geen oogstreep. Gelukkig her­stelde de vogel snel. De prooi (een graspieper) had de aan­val niet over­leefd en lag in de tuin.

Waar

Het smelleken broedt in de lage stru­iken van de toen­dra en trekt hier in sep­tem­ber en okto­ber door naar het zuiden en april en mei naar het noor­den. Maar vooral in de duin­streek bli­jven er ook kleinere aan­tallen de hele win­ter over.

 Grote_viltinktzwam3pad­den­stoe­len(Grote) Viltinkzwam (2)25 dec 2012decem­ber
 Grote_viltinktzwam3

Ver­volg van de col­umn van vorige week. Er zijn hon­der­den soorten ink­tzwammen wereld­wijd. Ze ontle­nen hun naam aan het feit dat een ‘rijpe’ ink­tzwam vervloeid tot een soort zwarte inkt. In deze vloeibare klev­erige inkt zit­ten de sporen, die aan poten van insecten (vooral vliegen) bli­jven kleven en zo ver­spreid wor­den. De grote viltink­tzwam is niet zo groot met een hoed van 24 cm en een steel van 38 cm. (zie foto)Veel kleiner dan de algemene gri­jze en geschubde ink­tzwammen, die vaak op voed­sel rijke gazons of com­posthopen staan. Vooral de geschubde ink­tzwam is een del­i­catesse. De Gri­jze ink­tzwam is ook eet­baar, maar alleen als je er min­stens 24 uur ervoor en erna geen alco­hol nut­tigt. In dat geval pro­duceert hij nl gif­stof­fen in je bloed. Of de Grote viltinkzwam eet­baar is, is mij niet bek­end. I.t.t. de gewone zwamdraden droogt het lucht­mycelium niet zo makke­lijk uit en heeft het een func­tie om te ontsnap­pen uit een plek waar het eten op is. Dat kan op 2 manieren: 1: door over een plek heen te groeien waar geen ver­teer­baar organ­isch mate­ri­aal voorkomt naar een plek waar de schim­mel wel weer kan gedi­jen 2: door met kleine pluk­jes af te breken en heel ergens anders heen te waaien. Lucht­mycelium komt ook bij schim­mel­soorten voor, maar niet als dit oran­je­bru­ine ‘vilt’: Schim­mels en bacteriën zijn voort­durend met elkaar in con­cur­ren­tie. Waar deze organ­is­men elkaar in de grond of in een petri schaal in lab­o­ra­to­ria tegen komen en ´elkaar niet uit kun­nen staan´ gaan de zwamdraden of dood of vor­men onder stressvolle con­di­ties ook vaak lucht­mycelium. Daar­bij wordt er tegelijk­er­tijd een soort chemis­che oor­log uit­ge­vochten. Een deel van de chemis­che bat­terij aan stof­fen bestaat uit antibi­ot­ica. Zo geven lucht­mycelia aan onder­zoek­ers aan waar inter­es­sante stof­fen gevon­den kun­nen worden.

Waar

Viltinkzwammen komen voor op dode takken, stronken en stam­men van loof­bomen (pop­ulier, els, esdoorn) op voed­sel­rijke bodem.

 viltinktzwam1pad­den­stoe­len(Grote) Viltink­tzwam (1)18 dec 2012decem­ber
 viltinktzwam1

Op de schors van een aan­tal dode wilgen­takken in De Heiman­shof namen we in de loop van de herfst plukken, van wat het meest leek op een bruin soort mos, waar. Iets dergelijks prikkelt altijd onze nieuws­gierigheid, want deze oran­je­bru­ine vitale kleur kenden we van geen enkele mossen­soort. De enige bru­ine mossen die in de lit­er­atuur beschreven wor­den, zijn ver­droogde mossen en deze soort zag er blak­end gezond uit. Daarmee werd het ver­schi­jnsel alleen maar interessanter.

Een zoek­tocht onder mossendeskundi­gen leverde de tip op over een pad­den­stoel. Wat wij als pad­den­stoel ken­nen, is het vruchtlichaam van de eigen­lijke organ­isme, dat bestaat uit een zwamvlok, het zoge­naamde mycelium. Deze draad­vormige schim­mel­netwerken bevin­den zich meestal in hout of in de grond, waar zij leven van het vert­eren van organ­isch mate­ri­aal . Er zijn mycelia in alle soorten en maten. Hele grote exem­plaren kun je soms herken­nen in de vorm van hek­senkrin­gen. Bin­nen de hek­senkring is het voed­sel ver­teerd en aan de rand van het organ­isme (en vaak waar er con­tact gemaakt wordt met andere ´schimmelindividuen´) wor­den de pad­den­stoe­len gevormd. Er zijn hek­senkrin­gen van tien­tallen, hon­der­den meters en zelfs kilo­me­ters doorsnede bekend.

Bij­zon­der

Zwamdraden zijn zeer gevoelig voor uit­dro­gen en daarom tref je ze zelden aan in de open lucht. Maar in som­mige gevallen is dat wel een noodzaak. En dat is spe­ci­aal het geval als het eten opraakt of wan­neer het mycelium het op een andere manier benauwd kri­jgt. Dan wordt er een zoge­naamd lucht­mycelium of Ozo­nium gevormd (zie op de foto het ozo­nium van de grote viltink­tzwam). Er bestaan een dri­etal soorten ink­tzwammen die dit oran­je­bru­ine lucht­mycelium vor­men. De meest waarschi­jn­lijke soort is de Grote viltink­tzwam. Deze is het meest alge­meen, maar pas als er pad­den­stoe­len gevormd wor­den kan de soort defin­i­tief bepaald wor­den. Vol­gende week meer.

 druivenpitjepad­den­stoe­lenGlanzend Druiv­en­pitje9 dec 2012decem­ber
 druivenpitje

Ondanks het donkere droe­vige weer is er in de natuur (als je goed kijkt) nog veel moois te ont­dekken. Deze week trok een curieus organ­isme de aan­dacht: Iets wat in ken­ner­skrin­gen het glanzend druiv­en­pitje genoemd wordt.

Bij­zon­der

Dit organ­isme trof­fen we aan op een paar tak­jes in de Groene Weelde. Het was een minus­cuul maar opval­lend heldergeel plekje. We hebben het over een sli­jmzwammen­soort. Wereld­wijd zijn er ca 500 soorten. I.t.t. wat de naam sug­gereert, is het geen pad­den­stoe­len­soort. Pad­den­stoe­len bestaan uit zwamdraden, maar sli­jmzwammen bestaan uit losse amoe­boide cellen, die aan voed­sel komen door op bacteriën en schim­mels te jagen en hen te vert­eren door ze te omsluiten. Het is een unieke oer­oude lev­ensvorm, het resul­taat van exper­i­menten uit de begin­tijd van het leven, die op het zelfde niveau staat als het dieren­rijk en het planten­rijk. Alle lev­ensvor­men op aarde behalve sli­jmzwammen hebben gemeen dat ze uit cellen bestaan met 1 celk­ern. In een deel van zijn bestaan heeft de sli­jmzwam dat ook, maar soms versmelten alle losse cellen tot een ‘plasmodium’. Dat is een soort reuzen­cel, waarbin­nen celk­er­nen uit de oor­spronke­lijke cellen zich gedra­gen als zelf­s­tandige cellen die zich delen en sporen vor­men. Veel sli­jmzwammen hebben intrigerende namen: Het spreekt nl zeer tot de ver­beeld­ing dat plas­modia ’blobs’ zich kun­nen ver­plaat­sen tij­dens hun jacht op voed­sel. Een andere soort heet bv ‘heksenboter’. Plas­modia ver­to­nen zich vaak na regen­val als er veel te jagen valt en ze flink kun­nen groeien of bij droogte, wan­neer ze het benauwd kri­j­gen en sporen willen vor­men. Bij ons glanzend druiv­en­pit­jeskolonie zijn het de sporen­vor­mende sporangiën die door hun heldergele kleur de aan­dacht trekken. De mooie kleur duurt maar kort. Na 24 uur zijn de sporen rijp, is de kleur weg en ver­s­tu­iven de sporen.

Waar

Sli­jmzwammen en ook het glanzend druiv­en­pitje zijn niet zeldzaam. Deze soort leeft soms enkele cm’s boven de grond op afgevallen blaad­jes en takjes.

 glanzendehoutmier2insectenGlanzende Hout­mier (2)1 dec 2012decem­ber
 glanzendehoutmier2

 glanzendehoutmier2

De ves­tig­ing van een volk is een com­plexe zaak. De glanzende hout­mier heeft nl een nest van een andere soort mieren nodig als start. Daar­voor hebben de hout­mieren een spe­ci­aal wapen. Dit wapen bestaat uit geurstof­fen die ook door mensen waar te nemen zijn als een zoete geur. Voor mieren is deze geur een sterk alarmteken. Bij proeven met het loslaten van een hand­vol glanzende hout­mieren in de kolonie van een andere soort vluchten de koningin­nen met een deel van de werk­sters onmid­del­lijk. Deze proef verk­laart waarom vaak ver­schil­lende jonge koningin­nen van de glanzende hout­mier zich ves­ti­gen in een bestaand nest van een andere soort. De eieren en lar­ven wor­den eerst door de werk­sters van het andere volk ver­zorgd en groot­ge­bracht. Gelei­delijk wordt de andere soort wegge­drukt ter­wijl hun geza­men­lijk kolonie zich uit­breidt. Dit wordt soci­aal par­a­sitisme genoemd. Ter­wijl andere mieren­soorten met een een­voudig grondnest vrij snel verkassen bij ver­storin­gen, doet de glanzende hout­mier dit zelden of nooit. Dat komt omdat het maken van een dergelijk nest een grote invester­ing is. Een geves­tigd glanzende hout­miernest kan vele jaren bli­jven voortbestaan en 2 miljoen werk­sters tellen. Deze mieren leven van het melken van blad­luizen. Vanuit het nest gaat van april tot met sep­tem­ber een gestage stroom van mieren tegen de stam omhoog. Daar oog­sten ze hon­ing­dauw en melken ze blad­luizen en komen dan met opgez­wollen achter­li­jven naar beneden.

Waar

De glanzende hout­mier leeft in holle bomen in de onderkant van de stam en tussen de wor­tels in de grond. De voorkeur­soorten zijn eik, linde en berk, maar ander soorten komen ook voor. De linde is een logis­che soort die bek­end is van zwarte aanslag eron­der afkom­stig van blad­luizen. Deze blad­luizen pro­duc­eren het voed­sel waar deze mieren van leven: hon­ing­dauw of luizen­poep. De glanzende hout­mier wordt gaan­deweg een steeds zeldza­mer soort, met name door het feit dat holle bomen pre­ven­tief ver­wi­jderd wor­den door de mens.

 glanzendehoutmiernestinsectenGlanzende Hout­mier (1)24 nov 2012novem­ber
 glanzendehoutmiernest

Een paar weken gele­den kwam iemand naar De Heiman­shof met een vreemd bouwsel,die hij de grond van zijn tuin had gevon­den. Er zijn aller­lei soorten insecten die nesten bouwen, vooral volken­vor­mende sociale insecten zoals de gewone wesp, hoor­naars, hom­mels maar ook graafwe­spen en mieren. De meeste nesten wor­den van papier­achtig mate­ri­aal of van pluizig mate­ri­aal zoals mosjes gemaakt. Dit nest was vrij ste­vig met grote kamers die gemaakt leken van aan elkaar gekitte zand­ko­r­rels (zie foto). De puzzel werd uitein­delijk pas opgelost met hulp van spe­cial­is­ten uit Nat­u­ralis in Lei­den. Die deden de sug­gestie van de glanzende hout­mier. De meeste mensen ken­nen de zwarte weg­mier, die veel onder tegels huist, de gele wei­demier die zand­heuvels in grasland maakt of de rode bosmier met zijn den­nen­naaldennesten in bossen. Maar er zijn in Ned­er­land wel 50 soorten mieren bek­end van de 12000 soorten wereld­wijd. Elke soort heeft zich op zijn eigen wijze ontwikkeld met een spe­cial­isatie waarmee hij de con­cur­ren­tie met andere soorten aankan. De Glanzende hout­mier is een 46 mm grote diep zwart glanzende mier.

Bij­zon­der

De glanzende hout­mier of kar­ton mier leeft meestal in holle bomen tussen de wor­tels. De bin­nenkant van de boom kan geheel gevuld wor­den met een soms reusachtig nest met hele grote kamers. Dat nest lijkt van kar­ton gebouwd, omdat het bestaat uit fijngekauwd hout wat met een suik­er­houdend speek­sel aan elkaar gekit wordt. De wan­den bestaan voor 50 % of meer uit suiker. Het nest kan ook doorge­bouwd wor­den in de grond en kan dan zoals in ons geval voor een groot deel uit zand­ko­r­rels bestaan. Om de wan­den een grotere ste­vigheid te geven, kweken de mieren bepaalde soorten schim­mels in de kamers. Deze schim­mels wor­den niet gegeten, maar dienen uis­lui­tend om met hun zwamdraden de wan­den te ver­ste­vi­gen. De spe­ciale schim­mel­soort heeft dagelijks zorg van de mieren nodig om niet overal heen te woek­eren en in nieuwe kamers zijn werk te doen. Vol­gende week verder.

 zwarteelzenvlag3bomenZwarte Els (3)17 nov 2012novem­ber
 zwarteelzenvlag3

Als reac­tie op de columns over de zwarte els kreeg ik een aan­tal meldin­gen van Lou van der Linde, een natu­ur­fo­tograaf met een scherp waarne­m­ingsver­mo­gen. In de Groene Weelde kwam hij op en bij de els 2 organ­is­men tegen die beide zeldzaam tot zeer zeldzaam en er nauw ver­bon­den mee zijn.

Elzen­vlag

De zwarte els vormt houtige, eivormige vrouwelijke vruchten, ook wel elzen­prop­pen genoemd, die eerst groen zijn en later bruin tot zwart wor­den. In de win­ter maakt de boom een zwarte indruk door zijn donkere schors en de elzen­prop­pen, van­daar zijn Ned­er­landse naam. Op deze elzen­prop­jes kan soms een gal wor­den aangetrof­fen. Deze gal wordt veroorza­akt door een par­a­sitaire schim­mel. Deze ves­tigt zich via sporen in het jonge vrouwelijk elzenkatje. De schim­mel zorgt ervoor dat één van de schut­bladen van het elzenkatje een abnor­maal groeipa­troon ver­toont en enkele cen­time­ters lang kan wor­den. Dit vreemd ver­schi­jnsel kreeg de mooie en passende Ned­er­landse naam ‚Elzen­vlag’ (foto). Hek­sen­bezems in berken wor­den op soort­gelijke wijze door een schim­mel veroorza­akt. Deze schim­mels pro­duc­eren of rem­men groei­hor­mo­nen, die de plant aanzetten tot per schim­mel­soort karak­ter­istieke uit­groeisels. Elzen­vlaggen zijn in de win­ter bruin gek­leurd. In het begin van de zomer is de elzen­vlag fris­groen, later geel tot roze, oran­jerood tot paarsachtig(zie inzet in foto) . In het najaar wordt de gal net zo bruin of zwart als het rijpe elzenkatje. Op het wim­pelvormig uit­steek­sel van de elzen­vlag ontwikke­len zich dan nieuwe schim­mel­sporen die door de wind wor­den ver­spreid, waarna een nieuwe schim­mel­cy­clus kan starten. Tij­dens de win­ter­maan­den bli­jft enkel de zwarte vlag aan de elzen­prop over. Elzenkrul­zoom De elzenkrul­zoom is een pad­den­stoel die een sym­bi­o­tis­che relatie met de els heeft. Zijn zwamdraden ont­van­gen suik­ers van de boom en lev­eren min­eralen terug.(Zie inzet in foto)

Waar

Beide soorten groeien op of aan de voet van elzen langs het voet­pad tussen de Big Spot­ters Hill en de golfbaan.

 zwarteels2bomenZwarte Els (2)10 nov 2012novem­ber
 zwarteels2

 zwarteels2

Naast de wortel­knollen heeft de els nog meer bij­zon­dere eigen­schap­pen. Bij doorza­gen, kleurt het witte hout na 5 minuten sterk oran­jerood (foto met inzet blad, kat­jes en elzen­prop­pen). De achter­grond daar­van heeft een anolo­gie met meniev­erf. Die verf gaat roestvorm­ing op ijzer tegen. Nu groeit de els altijd met zijn voeten in het water en daar liggen per­ma­nent schim­mels op de loer om het hout aan te tas­ten. De rode kleur bestaat uit een ijz­erverbind­ing die aan de lucht rood kleurt. De els maakt deze ijz­erverbind­ing die schim­mel­w­erend werkt op dezelfde manier als meniev­erf. Elzen­hout heeft geen hoge kwaliteit. Het is zacht en kan makke­lijk bew­erkt wor­den. Maar onder water (buiten bereik van zuurstof) is het bij­zon­der duurzaam. De palen waar Ams­ter­dam op gebouwd is, bestaan vooral uit elzen­hout. Elzen zijn sterke bomen die weinig ziek­ten en pla­gen ken­nen. Een vaste begelei­der van de els is het elzen­haan­tje. De kever leeft ook op de pop­ulier, haze­laar en wilg. Elzen­haan­t­jes over­win­teren op de grond onder bladeren en afgestor­ven planten­resten. Van april tot juni komen ze voor op de bladeren van de els. Hierin wor­den ronde tot lang­w­er­pige gaten gevreten. De vrouwt­jes leggen tot 1000 oranje eit­jes aan de onderkant van een blad. Uit de eit­jes komen na 514 dagen oli­jf­groene, later zwart wor­dende kev­er­lar­ven, die zich na 3 weken, vanaf juli, op de grond onder afgestor­ven planten­resten gaan ver­pop­pen. Na 811 dagen komt de nieuwe gen­er­atie kev­ert­jes uit. Een ander insect dat in of bij elzen kan wor­den aangetrof­fen is de tot 8 cm lang vingerdikke wilgen­houtrups. Deze kan in 23 jaar zoveel gaten in het hout vreten dat de boom kan breken. De vraatopenin­gen van deze rups ruiken naar azijn. Uit de rups komt de wilgenhoutvlinder.

Waar

Elzen horen bij de berken­fam­i­lie. Ze hebben beide lange hangende man­nelijke kat­jes, die zeer veel stu­ifmeel pro­duc­eren tbv windbes­tu­iv­ing. Elzen komen ver­spreid voor op het noordelijk halfrond.