Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Reuzen­schaaf­stro

op .

Schaaf­stro behoort tot de paar­den­staart­fam­i­lie. Veel mensen ken­nen een fam­i­lielid daar­van, dat heer­moes heet en dat overal in de Haar­lem­mer­meer groeit, waar zand over klei ligt. Dat is een typ­is­che sit­u­atie bij trot­toirs en in tuin­paden. Van­daar dat veel mensen er een grote hekel aan hebben. Deze paar­den­staarten wor­den vaak kat­ten­staarten genoemd, wat mij als bioloog ver­driet doet, want kat­ten­staarten zijn prachtig paars­bloeiende planten van de waterkant. Paar­den­staarten vor­men een zeer oude fam­i­lie die 250350 miljoen jaar gele­den ontstond en die in de tijd van dinosauriërs, toen er nog geen bloeiende planten en loof­bomen waren hun voor­naam­ste voed­sel vor­mde. Dat ze het tot nu toe hebben vol­ge­houden betekent dat ze een goed over­lev­ingssys­teem hebben. Bij heer­moes heb ik daarmee ken­nis gemaakt toen ik voor een kelder 4 m diep in de grond moest graven en 12 m onder het grond­wa­ter nog wor­tels tegenkwam. Ze hebben dus zo’n wor­tel reserve dat je ze nooit kunt weg wieden.

Bij­zon­der

Paar­den­staarten en dus ook schaaf­stro zijn aan zand gebon­den, omdat ze geen cel­lu­lose als ‘skelet’ maken, maar kleine kristal­let­jes van kwarts. Van schaaf­stro wordt vaak ver­meld dat het vroeger door z’n ruwe sten­gel als schu­ur­pa­pier werd gebruikt, maar dat is vol­gens mij niet terecht. Voor de komst van indus­trieel schu­ur­pa­pier ver­brandde men dit schaaf­stro en kreeg in de as zeer homo­gene kristal­let­jes, die gebruikt wer­den voor het poli­jsten van muziekin­stru­menten. Schaaf­stro en reuzen­schaaf­stro zijn zeer dec­o­ratieve paar­den­staarten die niet mis­staan in (droog) boeket­ten ( zie detail­inzet). Alle paar­den­staarten bestaan uit seg­menten die uit en weer in elkaar geschoven kun­nen wor­den.

Waar

Schaaf­stro houdt van vochtige zand­m­i­lieus zoals duin­valleien en Reuzen­schaaf­stro (foto) dat 23 m hoog kan wor­den, houdt van vochtige grond of het nu klei, zand of veen is. Op dit moment vormt het sporenkapsels, maar veg­e­tatieve voort­plant­ing via scheuren van wor­tel stokken gaat effectiever.

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 4 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 gewoneesdoornbomenGewone Esdoorn13 mrt 2016maart

gewone esdoornblad met inktvlekkenziekteOp de woens­dag voor 21 maart wordt in heel Ned­er­land de Nationale Boom­feestdag gehouden. Bij veel scholen en in parken wor­den dan cer­e­monieel bomen geplant om de waarde van bomen te onder­strepen. De waarde van bomen wordt niet alleen door hun aan­tal bepaald, maar eerder door hun kroon­vol­ume en ecol­o­gis­che relaties met andere soorten: een kroon van een gekapte boom van 10 x 10 x 10 meter, heeft dan een waarde van 1000, en dat wordt niet gecom­penseerd door een boom met een kroon van 1 x 1 x 3 meter met een waarde van 3! (zoals maar al te vaak gebeurt). Ook veel burg­ers die hun tuin liever bestraten omdat dat ‚makke­lijker’ is, doen zichzelf, de flora en fauna en de samen­lev­ing tekort (omdat al die bestrate opper­vlak­tes grote prob­le­men geven met opvang van regen­wa­ter). Daarom is De Heiman­shof al 9 jaar gele­den ges­tart met de boomweggeef-​traditie: uit de tuin en de gebieden onder beheer van MEER­groen verza­me­len we boom­p­jes die meer­waarde in tuinen en ter­reinen hebben. Dit jaar zijn er tussen 16 maart en 1 april 10.000 boom­p­jes van 60 soorten te vergeven. De enige tegen­presta­tie die ver­langd wordt voor het natu­urvrien­delijk inrichten van uw eigen ter­rein, is het lid wor­den of spon­soren van De Heimanshof.

Bij­zon­der

Een van de best uitza­aiende soorten in Ned­er­land is de Gewone Esdoorn. De esdoorn is een soort die 35m hoog en 500 jaar oud kan wor­den en opvalt door z’n vlam­mende herf­stk­leuren. Esdoorn­bladeren zijn ken­merk­end hand­vormig ingesne­den met groffe pun­ten (foto) en de zaden bestaan uit dubbel gevleugelde ‚helikoptert­jes’. Esdoorns kun­nen last hebben van een schim­mel die ronde zwarte vlekken op de bladeren geeft. De meeste van de weggeef-​esdoorns komen uit het Groe­nen­daalse bos, waar een paar moeder­bomen miljoe­nen zaailin­gen hebben gepro­duceerd, die niet in de smaak vallen van de Schotse Hoog­lan­ders die er grazen.

Waar

De Esdoorn komt oor­spronke­lijke uit Zuid-​Europa, maar voelt zich al sinds de Mid­deleeuwen in onze regio op elke bodem thuis, zolang die niet te nat is.

 schelepos_400pxvis­senCol­umn van Franke van der Laan12 mrt 2016maart

gewone esdoornblad met inktvlekkenziekteDe Boomweggeefda­gen komen er aan! Natu­urlijk gaat de col­umn van Franke van der Laan over een prachtige boom: de Gewone Esdoorn.

Naar de col­umn »>

 roodwittecelspininsectenDe rood­witte celspin7 mrt 2016maart

de roodwitte celspinDe afgelopen tijd zijn we op De Heiman­shof bezig met het bouwen van een nieuwe natu­ur­muur. Die bouwen we van ste­nen die elders niet meer van pas komen. De tegels, klink­ers en andere min­der mooie ste­nen vor­men de achter­wand en aan de voorkant en bovenop komen mooie natu­urste­nen met daar­tussen planten. Al met al gaat het om tien­duizen­den ste­nen. Bij het af– en opstape­len kwa­men vele diert­jes te voorschijn: pis­sebed­den, duizend­poten, wor­men en wat van­daag erg opviel was een aan­tal soorten wolf­spin­nen. De meeste mensen ken­nen vooral web­spin­nen zoals de kruis­spin. Maar zoals altijd in de natuur zijn er vanuit het ‚spin­nen­con­cept’ weer tal­loze soortver­takkin­gen ontstaan. Een van de grotere spin­nen­fam­i­lies bestaat uit wolf­spin­nen. Zij maken geen web, maar van­gen hun prooi door ze te besprin­gen. De cel­spin­nen bin­nen die groep kun­nen wel draden spin­nen, maar gebruiken die om voor zichzelf een cel te spin­nen, van waaruit ze in hin­der­laag liggen.

Bij­zon­der

We kwa­men wel 34 soorten over­win­terende wolf­spin­nen­soorten tegen, maar de meest herken­bare daar­van was een rode spin met een bleek opgez­wollen achter­lijf, dat ongetwi­jfeld vol zat met eit­jes. En dat was dus de Rood­witte cel­spin. Het bij­zon­dere van deze spin is dat hij (vri­jwel) uit­slui­tend leeft van pis­sebed­den. Om door het ste­vige pantser van die pis­sebed­den heen te komen, is deze spin uit­gerust met ver­vaar­lijke kaken(foto). Deze kaken, die bij vrouwt­jes soms een halve cm. lang zijn, kun­nen ook door onze huid steken en pijn­lijke blaas­jes geven. Het is een nacht­jager die slecht ziet met z’n 6 oog­jes. De vrouwt­jes kun­nen ruim 2 cm. groot wor­den en zijn — zoals bij alle spin­nen — aan­merke­lijk groter dan de mannetjes.

Waar

De Rood­witte cel­spin komt bijna wereld­wijd voor in de gematigde streken. Dat komt omdat hij met de mensen is meegelift. Oor­spronke­lijk zou de soort uit Zuid Europa of Noord Afrika komen. Zijn leefge­bied is tussen ste­nen, tussen rot­tend hout en in com­posterend materiaal.

 groenestinkwantsinsectenGroene Stinkwants15 feb 2016feb­ru­ari

groene stinkwants

Het zou nog mid­den in de win­ter moeten zijn, maar het weer is al maan­den zo zacht dat veel planten zes weken eerder bloeien. En niet alleen temperatuur-​gevoelige planten rea­geren (er zijn ook daglengte-​gevoelige planten die niet rea­geren) maar ook insecten begin­nen zich te roeren. De eerste hom­mels zijn er, hon­ing­bi­jen vliegen volop en recen­telijk zag ik ook al een aan­tal wantsen. Er bestaan tien­duizen­den soorten wantsen, waar­van er in Ned­er­land ruim zeshon­derd soorten voorkomen. Wantsen voe­den zich met een steek­s­nuit, waarmee ze (meestal planten) sap­pen opzuigen. Zo zijn blad­luizen ook ver­want aan wantsen en de bek­ende schaat­sen­ri­jders. Verder zijn ze over het alge­meen plat­ter dan de meestal bol­ronde kev­ers. Wantsen hebben net als sprinkha­nen een ontwik­kel­ing die niet van rups of made gaat via een ver­pop­ping, maar in vijf nim­fen­sta­dia die steeds meer op een vol­wassen dier gaan lijken. Min­der bek­end is dat vele wantsen zich kun­nen bescher­men door het afschei­den van geurstof­fen. Een van de meest algemene wantsen­soorten die hier bij­zon­der goed in is, is de Groene Stinkwants.

Bij­zon­der

Groene Stinkwantsen zijn ‘s zomers helder groen, maar bij over­win­teren wor­den ze bruin, waarschi­jn­lijk om in de blad­loze tijd min­der op te vallen. Ze hebben zo’n sterke geur dat als ze aan bra­men ges­noept hebben deze zo weeïg ruiken dat ze oneet­baar gevon­den wor­den. En als deze soort door vogels wordt opgepikt, kan hij een drup­pel geurstof afschei­den die moeil­ijk afwas­baar is en in de mond tot blaren kan lei­den. Hier­door kan deze wants het zich veroorloven open en bloot te leven in tegen­stelling tot de meeste andere insecten die zich liever ver­stop­pen. De foto van deze wants is gemaakt door Theo Ter­wiel die al jaren in De Heiman­shof fotografeert. Hij heeft deze week bijna 1500 foto’s van ca 800 soorten gedoneerd, waar u nog vaak voor­beelden van zult zien. Van veel soorten die hij doc­u­menteerde, kende ik zelfs de fam­i­lie nog niet.

Waar

Deze soort tref je heel vaak aan op braam­stru­iken en hazelaars.

 schelepos_400pxvis­senSchele pos1 feb 2016feb­ru­ari

Schele posOp De Heiman­shof hebben we nu een jaar of drie onze onder­wa­teront­dek­w­ereld in ontwik­kel­ing. Het idee daarachter is dat de meeste kinderen geïn­trigeerd wor­den door wat er in de vaarten en sloten aan onder­wa­ter­leven zit. De onder­wa­teront­dek­w­ereld bestaat uit een tien­tal grote aquaria die we zelf gebouwd hebben en een tien­tal kleinere ‘kri­jgert­jes’. Daarin maken we de soorten van de in de Haar­lem­mer­meer meest voor komende vis­sen, mos­sels, krabben, kreeften, amfi­bieën en kleine beestjes voor edu­catieve doe­len goed zicht­baar en aan­schouwelijk. Door deze activiteiten leren we zelf ook weer veel over de onder­wa­ter­w­ereld. Een van de soorten die ik op deze manier heb leren ken­nen, is de schele pos. Dat is een visje dat meestal niet groter dan 1015 cm wordt. Hij is vol­wassen na 23 jaar en wordt meestal niet ouder dan een jaar of 67.

Bij­zon­der

De schele pos is fam­i­lie van de baarzen. Net als de baars, die wij voor de kinderen ‘tijgervis’ noe­men van­wege zijn ver­ti­cale strepen, heeft de schele pos stekels in zijn rugvin. Maar waar de baars twee vin­nen heeft, zijn die bij de pos samenge­groeid. Daar­naast heeft hij nog een lelijke (want effec­tieve!) stekel op zijn kieuwdek­sels. De schele pos heeft geen strepen maar stip­pen op zijn lichaam. Hij heet ‘schele’ pos omdat zijn ogen boven op zijn kop staan en als je hem dan van voren aankijkt, lijkt het of de vis twee kan­ten op kijkt. De pos is een belan­grijke bron van voed­sel voor de aalscholver en heeft nauwelijks com­mer­ciële of hen­gel­sport waarde.

Waar

Voor zo’n klein visje is het opmerke­lijk dat hij vooral in grote wateren voorkomt en nauwelijks in sloten en vaarten. De meeste pos in de buurt zit dan ook in de West­ein­der­plas. De schele pos komt in bijna heel Europa voor behalve in de uiter­ste zuiden en noorden.

Indien u geïn­ter­esseerd bent in de onder­wa­ter­w­ereld: op 7 feb­ru­ari (14.30 uur) houdt de beroepsvisser van de West­ein­der een lez­ing op de Heiman­shof. En dan komen er ongetwi­jfeld veel leuke en sterke visver­halen los. De lez­ing is vrij toe­ganke­lijk voor iedereen.

 gelekornoeljeplantenGele Kor­noelje20 jan 2016jan­u­ari

gele kornoeljeDe Gele Kor­noelje is een groot deel van het jaar een onop­val­lend stru­ikje of kleine boom. Het is een zeer langzaam groeiende plant, waar­van het hout om die reden erg hard is. In maart doet de gele kor­noelje zijn naam eer aan. Voor­dat er blad aan zit en voor­dat andere bomen en stuiken in blad komen, wordt het hele stru­ikje knal­geel van de bloe­sem (foto). Ik zou deze col­umn dus eigen­lijk in maart moeten schri­jven, maar ik doe het nu omdat door het vreemde weer van deze win­ter de gele kor­noel­jes al sinds de eerste week van jan­u­ari in bloei zijn gekomen. Ik hoop dat ze die bloei tot in maart vol­houden. Ook in sep­tem­ber is de struik weer opval­lend: uit de bloe­sem komen namelijk eet­bare vruchten. De hele struik kan dan rood zijn. Ze zijn wat zuur, maar er kan jam en sap van wor­den gemaakt.

Bij­zon­der

De naamgev­ing van de kor­noelje fam­i­lie is wat bizar. De gele kor­noelje heet geel van­wege zijn bloe­sem. De rode kor­noelje die in Haar­lem­mer­meerse bossen een plaag­plant is, heeft echter geen rode bloe­men, maar witte. Deze heet rode kor­noelje omdat zijn groene takken in de win­ter rood kleuren. Wel niet zo rood als de Japanse sierko­r­noelje, maar toch. Zijn zwarte bessen zijn niet eet­baar voor ons mensen, maar wel voor vogels. En wat voor bloe­sem zou de witte (sier) kor­noelje hebben: ook wit. Want deze struik heet wit om dat hij witte bessen heeft. De gele kor­noelje staat graag op kalkhoudende grond, dus dat past wel bij de Haar­lem­mer­meer. Hij is in Ned­er­land zo zeldzaam dat hij op een wet­telijke bescherming geniet en op de zoge­heten rode lijst staat als ‘zeldzaam, maar stabiel’.

Waar

Er ston­den een paar prachtige gele kor­noel­jes langs de Hoofd­vaart in Hoofd­dorp. Maar die zijn het afgelopen jaar ges­neu­veld. De enige gele kor­noel­jes die ik ken in de Haar­lem­mer­meer, staan in De Heiman­shof en in het bomen­pad van het Haar­lem­mer­meerse bos. Gele kor­noelje komt in een groot deel van Europa tot ver in Turk­ije van nature voor. De stru­iken groeien in en langs ran­den van bossen.

 spiegelklokjeplantenGroot spiegelk­lokje in klaprozen­velden Overbos/​Floriande12 jun 2015juni

Iedereen die wel eens de avond­vier­daagse heeft meegelopen, kent de klaprozen­velden die in 2007 en 2008 zijn aan­gelegd aan beide zij­den van de IJtocht. In totaal liggen er 20 velden van 2.5 ha totaal als je ook de vochtige orchideeë­no­ever langs de IJtocht meerekent. Ze zijn des­ti­jds aan­gelegd met een wijk­bud­get door De Heiman­shof samen met de wijkraden.

Na de aan­leg heeft Sticht­ing MEER­Groen met vri­jwilligers elders uit de Haar­lem­mer­meer samen met de gemeente er voor gezorgd dat de velden elk jaar in volle bloei bli­jven komen. En dat gaat niet vanzelf. Alles moet elk jaar gemaaid en afgevo­erd wor­den en akkerkruiden (de stukken met klaprozen) ook los­ge­woeld. En in alle soorten ter­rein moeten de ‘plaag‘planten ver­wi­jderd wor­den. Dat zijn bv dis­tels die zich via zaad­pluizen in de hele regio uitza­aien, zur­ing­soorten, bra­men, riet, duizend­knopen en som­mige koolzaadachtigen.

Bij­zon­der

Tussen de opval­lende klaprozen staan tal­loze bij­zon­dere soorten: bolderik (paars), koren­bloem (blauw), kamille en de klim­mers zoals vogel­wikke, ten­gere wikke, voed­er­wikke, maar ook rogge, tarwe, spiegelk­lokje en cichorei.

De moera­so­ev­ers ken­merken zich door rate­laars (geel) met daar­tussen rietorchis (paars), moeraswe­spenorchis (zalmk­leurig), moeras vergeet-​mij– nietje, gele lis en vele soorten zegge, biezen en russen.

De meest bij­zon­dere soorten zijn het groot spiegelk­lokje (foto) en de kegel­si­lene. Beide zijn elders bijna uit­gestor­ven in Ned­er­land: het zijn rode lijst soorten.

De bloe­men rijk­dom is voor ons mensen een genot om naar te kijken maar voor tien­tallen soorten vlin­ders, sociale en soli­taire bijen, hom­mels, libellen, sprinkha­nen, kev­ers, zweefvliegen en andere kleine diert­jes is het een essen­tiële bron van voed­sel en schuilplaatsen.

Waar

Aan weer­sz­i­j­den van de IJtocht in de wijken Over­bos en Flo­riande. Mail voor een rondlei­d­ing en meer info

 geleklisboorvlieginsectenGelek­lis­boorvlieg30 mei 2015mei

Het droge voor­jaar van 2015 lijkt zeer insecten­vrien­delijk te zijn.
Zo hebben zich in de afgelopen 2 weken zeker 14 hon­ing­bi­jzw­er­men in en om De Heiman­shof ver­toond. Maar ook andere insecten­soorten lijken te gedi­jen en de planten­groei lijkt van de droogte weinig last te hebben.

Zo is de grote klis aan een groeis­purt bezig die in de komende maand planten van wel 22.5 m hoog gaat oplev­eren en die de steke­lige klit­ten maken die in haar en kleren vast bli­jven zit­ten.

Bij het ver­wi­jderen van een groot deel van deze dom­i­nante planten viel ons oog op een bij­zon­der insect (foto Lou vd Lin­den), die weer inzicht in een hele nieuwe wereld van insecten­leven opleverde. Het was de Gele Klisboorvlieg.

Bij­zon­der

Boorvliegen zijn een fam­i­lie van insecten uit de orde vliegen en muggen of twee­vleugeli­gen. Ze heten ook wel fruitvliegen, maar horen niet tot de bek­ende lab­o­ra­to­rium fruitvlieg­jes fam­i­lie.
Wereld­wijd zijn er wel 5000 soorten boorvliegen beken in ca 500 ges­lachten.

Boorvliegen onder­schei­den zich van deze soorten en van andere insecten door de mooie tekenin­gen van vlekken, ban­den of zigza­gstrepen op de vleugels, waar­door ze op het eerste zicht op een springspin kun­nen lijken. Zij danken hun naam aan het feit dat de vrouwt­jes de eit­jes in een plant leggen met behulp van hun puntige leg­boor, die vaak langer is dan de rest van het lichaam. De lichaam­slengte bedraagt max­i­maal 1,5 cm.

De larve van aan­tal boorvlieg­soorten is heel klein en vreet gan­gen uit tussen de onder– en bovenkant van bladeren. Andere soorten leven par­a­sitair op andere insecten.

Vol­wassen vliegen voe­den zich met planten­sap­pen en vocht uit rot­tend planten­ma­te­ri­aal. De eieren wor­den apart of groeps­gewijs afgezet onder de schil van vruchten.
Enkele boorvlieg­soorten staan bek­end als plaag­soorten van fruit­bomen zoals de appelvlieg uit Noord-​Amerika en kersen­vliegen uit Zuid-​Europa, die via trans­port hier terecht­gekomen zijn.

Waar

De Gele klis­boorvlieg is gebon­den aan de Grote klis als waardplant.

 aspergehaantjeinsectenAsperge­haan­t­jes16 mei 2015mei

In april en mei explodeert de natuur in vol­ume en soorten­rijk­dom.
Het is de tijd van de bli­jde verwacht­ing als je er oog voor hebt: of het nu de 1e gierzwaluw is in de lucht of de 1e orchidee, het houdt niet op.

Bij al dat rond­speuren is het natu­urlijk een uitdag­ing om bij­zon­dere soorten op te merken. Zo liep ik deze week langs het duin­biotoop op De Heiman­shof om te kijken of onze wilde asperges al boven de grond kwa­men. Behalve dat het leuk is bezoek­ers te wijzen op een eet­bare wilde soort en hoe die er in het wild uitziet is het ook de moeite waard om de prachtig gek­leurde asperge­haan­t­jes te ‘spotten’.

Want zo werkt het in de natuur: bij elke planten­soort hoort een hele gemeen­schap van soorten die ‘mee liften’.

Bij­zon­der

Asperge­haan­t­jes horen bij de fam­i­lie van blad­haan­t­jes. Ze zijn ca 6 mm lang. Er zijn veel soorten blad­haan­t­jes: munthaan­t­jes, elzen­haan­t­jes, wilgen­haan­t­jes, leliehaan­t­jes en ga zo maar door, voor bijna elke planten­groep wel een.
Ze zijn bijna alle­maal fel gek­leurd als waarschuwing dat ze niet lekker smaken.

De asperge­haan­t­jes maken 2 gen­er­aties per jaar en vol­wassen kev­ers over­win­teren in de grond. Ze leven alleen op asperge en de lar­ven kun­nen in een pro­duc­tieveld schade doen, maar in De Heiman­shof mogen ze hun gang gaan.
Vogels lus­ten de haan­t­jes niet, maar de natuur zou de natuur niet zijn als er niet een andere soort een onge­brei­delde voort­plant­ing onder con­t­role zou houden.

Bijna alle lar­ven van de asperge­haan­t­jes wor­den namelijk belaagd door sluip­we­spen die hun eit­jes daarin leggen. Ter­wijl de larve de asperge aan­vreet, eten de lar­f­jes van de sluip­w­erp de larve van bin­nenuit leeg. Net voor hij vol­wassen is, barst hij open en komt er geen aspergekever uit maar een groep sluip­we­sp­jes. Zo gaat dat bij de meeste insecten.
Daarom zijn er hon­der­den tot duizen­den sluip­we­spen soorten, die we nooit zien, maar per­ma­nent hun ‘reg­ulerende’ taak vervullen.

Waar

Asperge­haan­t­jes leven alleen van asperge. Ze komen overal voor waar asperge groeit.

 kameleonspininsectenKameleon­spin2 mei 2015mei

Een van de leuke din­gen van het schri­jven van deze col­umn, is dat mensen met bij­zon­dere zaken langs komen. Een paar weken gele­den meldde zich iemand, die zich zor­gen maakte over het feit dat er in haar sierdis­tel in de tuin elk jaar grote aan­tallen dode bijen hingen.<br/ > Deze oplet­tende lezer kwam op het spoor ven een witte spin, die in de bloem zat en wel eens de oorzaak kon zijn. Omdat haar kogeld­is­tel een niet inheemse tuin­plant is, bestond het ver­moe­den dat ook de spin wel eens een exoot kon zijn, die mogelijk gevaar­lijk voor onze inheemse bijen kon zijn.
De oploss­ing kwam zoals zovaak weer van pro­fes­sor Ernst. Het bleek te gaan om een soort krab­spin en wel de gewone kameleon­spin, die hier van nature voorkomt.

Bij­zon­der

Er bestaan in Ned­er­land tien­tallen soorten krab­spin­nen. Ze ontle­nen hun naam aan het feit dat ze niet zoals andere spin­nen vooruit kruipen, maar net als krabben een zijwaartse gang hebben. Deze soort leeft vooral van bijen en hom­mels. Ze maken geen web en wachten geduldig op de bloem tot haar prooien de bloe­men komen bes­tu­iven. Zo kun­nen ze dagen tot weken in een­zelfde hin­der­laag bli­jven zit­ten. Kameleon­spin­nen ontle­nen hun naam aan het feit dat ze geel ( inzet) of wit ( grote foto) zijn, wat afhangt van de kleur van de bloem waarin ze zich ophouden. Dankzij deze cam­ou­flage kun­nen ze hun prooien ver­rassen. Die prooi kan tot 3x groter zijn. Hun gif is snel­w­erk­end en sterk. De leegge­zo­gen prooi bli­jft soms aan de bloem hangen, wat de aan­wezigheid van de spin kan ver­raden.
Het bij­zon­dere aan deze spin is dat ze net als een kameleon de kleur van de bloem waarop ze kruipen aan­nemen. Om van kleur te veran­deren doet deze spin er echter langer over dan een kameleon. De kleurveran­der­ing van wit naar geel duurt 10 tot 25 dagen en terug van geel naar wit duurt 6 dagen.

Waar

Kameleon spin­nen hebben een voorkeur voor witte en gele bloe­men, waar­bij hun schutk­leur strate­gie opti­maal werkt.

 zwarte-ooievaarvogelsZwarte Ooievaar18 apr 2015april

Hoewel er veel slecht nieuws te melden is over bio­di­ver­siteit, is het ook niet moeil­ijk om hartver­war­mende ver­halen te vin­den. Zo rukt de ooievaar steeds verder op en het lijkt slechts een kwestie van tijd tot dat zich een of meer paart­jes laat ver­lei­den tot broe­den door de keur aan ooievaarspalen die er her en der in de Haar­lem­mer­meer al staan. De lep­elaar heeft die stap al gezet, hoewel het aan­tal paren niet of nauwelijks toe­neemt. In de kolonie van de Liede wordt al druk gebroed, maar in Hoofd­dorp zijn ze nog niet begonnen. Entoen ver­scheen er 26 maart opeens een wel heel bij­zon­dere lang­poot: een zwarte ooievaar. Dit exem­plaar, hoogst waarschi­jn­lijk op doortrek heef zich een kleine week op gehouden rond de start­ba­nen van Schiphol.

Bij­zon­der

Ned­er­land ligt aan het NW pun­tje van het ver­sprei­d­ings­ge­bied van de zwarte ooievaar. Voor 1800 broedde de soort hier wel. Door het ver­lies van ooi­bossen langs de riv­ieren is daar een eind aan gekomen. In de 20ste eeuw was de vogel een schaarse, maar regel­matige gast. Sinds de eeuwwis­sel­ing is het een doortrekker die steeds vaker wordt aangetrof­fen. Het gaat dan om tien­tallen tot hon­der­den waarne­min­gen per jaar. Dat gebeurt voor al in augus­tus als de net uit­gevlo­gen jon­gen gaan zwer­ven. Dat er nu al een exem­plaar eind maart ver­schi­jnt is dus ook bij­zon­der. In gebieden als de Ooipolder is het een kwestie van tijd voor er een paartje gaat broe­den. De zwarte ooievaar leeft vooral van vis, maar eet ook amfi­bieën en insecten.

Waar

De zwarte ooievaar broedt in een brede strook door Mid­den Europa en Siberië van Den­e­marken tot aan de Stille Oceaan en over­win­tert ten zuiden van de Sahara en de Gobi woestijn. Anders dan zijn ver­want de witte ooievaar, die in open wei­den broedt, bestaat het leefge­bied van de zwarte ooievaar uit bos met open plekken. De zwarte ooievaar leeft onop­val­lend in dicht, gemengd bos langs stromend water of in de buurt van poe­len en plassen met dichte begroei­ing, vaak in heuvelachtig gebied.

 stormmeeuwvogelsStor­m­meeuw9 apr 2015april

een stormmeeuw in vluchtDe Haar­lem­mer­meer ligt niet ver van de zee en dat kun je merken aan het feit dat er waar en wan­neer je naar de lucht kijkt, altijd wel ergens wat meeuwen ziet rond­vliegen. Meeuwen leven van afval, vis, aas, wor­men en in feite alles wat ze te pakken kun­nen krijgen.

Zoals overal in de natuur, heeft deze suc­cesvolle groep vogels zich gaan­deweg uit­ge­s­plitst in soorten die ver­schil­lende ‘niches’ benut­ten. Niches zijn com­bi­naties van eigen­schap­pen om te over­leven en dat betekent meestal het benut­ten van ver­schil­lende soorten voed­sel. Zo ontwikkelt zich meestal een reeks van kleinere en grotere soorten, die kleinere en grotere prooien eten. Bij meeuwen is de dwergmeeuw de kle­in­ste en de grote man­telmeeuw de groot­ste soort. In onze polder zie je vooral kok­meeuwen (met zomers een zwart kapje), stor­m­meeuwen en zil­ver­meeuwen (met gri­jze vleugels), kleine en grote man­telmeeuwen (met zwarte vleugels). De aan­lei­d­ing voor deze col­umn is dat er teke­nen zijn dat zich stor­m­meeuwen die vooral in de duinen en op de Wad­denei­lan­den broe­den bezig zijn om ook twee kolonies op daken te vor­men. Een­tje in Indus­triepark Hoofd­dorp Noord en een­tje in de President.

Bij­zon­der

De stor­m­meeuw is kleiner dan de zil­ver­meeuw en heeft met een ronde kop en en een zwarte iris een vrien­delijker uit­stral­ing dan de zil­ver­meeuw, die in kust­plaat­sen soms al een plaag wordt ervaren. Zowel zil­ver­meeuwen als stor­m­meeuwen zoeken vaak voed­sel door de trillin­gen van een mol na te boot­sen in grasvelden waar­door wor­men naar boven vluchten. Stor­m­meeuwen zijn hele­maal niet zo al gemeen: naar schat­ting 7000 paar in Ned­er­land. Een jaar of vijf gele­den had­den we een grote meeuwen– en ster­nenkolonie op het dak van de het PWN-​gebouw. Door­dat het dak lekte, kwam er vogelpoep in het drinkwa­ter. In plaats van het lek te maken, is de kolonie ver­sto­ord. De vogels zoeken nog steeds naar een nieuwe plek, vaak op daken van gebouwen.

Waar

Stor­m­meeuwen komen op heel het Noordelijk hal­frond voor in 4 onder­soorten. Vooral langs kusten.