Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Mol­lenel­lende

op .

Deze col­umn (sinds juni 2006) heet Ont­dek de Flora en Fauna van de Haar­lem­mer­meer. De reden is, dat er over het alge­meen gedacht wordt dat de Haar­lem­mer­meer een zeer arme polder is in bio­di­ver­siteit (en dat er daarom ook makke­lijk nieuw beton en asfalt wordt aan­gelegd). De afgelopen 12 jaar heeft al wel geleerd dat er een ongelofe­lijke ver­schei­den­heid aan soorten in onze polder voorkomen en mijn inschat­ting is dat ik voor het behan­de­len van alle ca 10.000 soorten een jaar of 400 nodig zal hebben. Zo nu en dan gaat het niet alleen over nieuwe soorten maar gebeurt er iets bij­zon­ders. Zo zit­ten we nu mid­den in de groot­ste droogte– en hit­te­golf sinds er weergegevens wor­den bijge­houden. En die droogte heeft ook effecten in de natuur op soorten. Zo vind ik aan de lopende band dode mollen en dat is opmerke­lijk.

Bij­zon­der
De eerste 3 mollen heb ik in de com­posthopen ver­w­erkt, maar bij nr 48 begon er enige ongerus­theid op te spe­len. Op mol 4 heb ik daarom een gecom­bi­neerde anatomis­che les en sec­tie uit­gevo­erd (foto) en wat bleek: de arme mol was heel mager, geen vet en geen inhoud in het spi­jsver­t­er­ingssys­teem. Dat mollen van de honger ster­ven, kan samen­hangen met de droogte omdat hun voor­naam­ste voed­sel: regen­wor­men steeds dieper in de aarde wegkruipt en de Haar­lem­mer­meerse klei bij droogte hard wordt als beton. Een mol moet dus steeds harder werken om steeds min­der voed­sel buit te maken. Als hij een ons wor­men ver­brandt om 50 gram te van­gen, sterft hij na 46 weken van honger en uit­putting. Graag hoor ik van lez­ers of er op andere plaat­sen ook extra mol­len­sterfte gecon­sta­teerd wordt.

Waar
Mollen zijn zeer algemene bewon­ers van onze polder. Ze graven gan­gen waarin ze via hun neus wor­men en ander bodem­leven opsporen. Ze leven 4 uur op en 4 uur slapen, jaar­rond. Meestal zijn de Ned­er­landse con­di­ties ideaal om wor­men te kun­nen zoeken in bijna altijd vochtige humus­rijke grond. Dit jaar zou wel eens een mol­len­ramp jaar in een groot deel van Europa kun­nen worden.

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 5 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 beukbomenBeuk25 apr 2016april

Col­umn Franke van der Laan

Eind april, begin mei is er een explosieve groei gaande in de natuur. In vier weken tijd veran­dert onze omgev­ing van grijs en grauw naar fris groen in duizend tin­ten. Een van de meest indruk­wekkende gedaan­tev­er­wis­selin­gen om te vol­gen, is die van de beuk. Meestal gebeurt dat in de eerste week van mei, maar door het zachte weer lijkt ook deze boom zich te laten ver­lei­den om eerder in blad te gaan. De beuk maakt namelijk lange win­ter­knop­pen die zich in lut­tele dagen lijken uit te rollen. En dan komt er niet alleen een blad uit, maar een hele twijg met een stuk of 6 bladeren. De beuk maakt zo’n dicht blader­dak dat er bijna geen andere planten onder kun­nen groeien.

 leegvogelsCol­umn Franke van der Laan: de Tapuit17 apr 2016april

Van alle zangvo­gelt­jes legt de tapuit de groot­ste afs­tand af tij­dens de jaar­lijkse trek. Franke zag deze reiziger in onze eigen Haarlemmermeer!

Lees verder in zijn col­umn »>

 tapuitvogelsTapuit17 apr 2016april

tapuitMid­den op het open veld bij de Geniedijk en de A4 zag ik deze week een vogel die ik nog nooit in de Haar­lem­mer­meer had gezien: hij viel op door z’n opval­lende zwart/​wit geblokte staart bij het opvliegen: onmisken­baar een tapuit. Dit kleine vogeltje uit de fam­i­lie van de vliegen­vangers kwam vroeger veel meer voor. Dit exem­plaar zou een broedgeval kun­nen zijn, maar is waarschi­jn­lijker een doortrekker. Het voorkomen van tapuiten is sterk gebon­den aan de aan­wezigheid van koni­j­nen, die de veg­e­tatie kort grazen en met hun gegraaf zor­gen voor plekken met open zand en nest­gele­gen­heid in koni­j­nen­holen. In hei­de­ter­reinen nestelt een groot deel van de tapuiten echter in ingerotte boom­sto­bben die na kap­w­erkza­amhe­den zijn achterge­bleven. Maar daar kun­nen roofdieren er makke­lijk bij.

Bij­zon­der

Tapuiten zijn trekvo­gels die in Afrika op de savan­nen ten zuiden van de Sahara over­win­teren en vroeg in de lente terugkomen. De tapuit legt van alle zangvo­gels de groot­ste afs­tand af tij­dens de jaar­lijkse trek. De soort broedde vooral op de Wad­denei­lan­den en in min­dere mate in de duinen van Noord-​Holland en Zuid-​Holland. Reeds in de jaren 1960 waren er aan­wi­jzin­gen dat de stand achteruit ging. In de jaren 1990 werd de tapuit schaars in de duinen op het vaste­land. In het bin­nen­land komt de tapuit nog voor op hei­de­velden en zand­ver­s­tu­ivin­gen op de Veluwe, in Dren­the en Zuidoost-​Friesland. Door het inten­sieve gebruik van de grond in Ned­er­land voor bebouwing, land­bouw, bosaan­plant, etc. is de hoeveel­heid opper­vlakte die geschikt is als broedge­bied voor de tapuit enorm afgenomen. Door atmos­ferische stik­stofde­posi­tie zijn er steeds min­der schrale open, zandige plekken, die onmis­baar zijn.

Waar

Tapuiten houden van open ter­rein zon­der stru­iken en bomen. Ze zijn te vin­den op wei­den en akkers met ste­nen muren, hoogveen– en duinge­bieden, stu­ifzan­den, rot­sachtig ter­rein, eilan­den, kusten, berghellin­gen en more­nen. Ze neste­len in rotss­pleten, ste­nen muren, steen­hopen, koni­j­nen­holen, etc.

 groenbekermosmossenGroen­bek­er­mos23 mrt 2016maart

In de win­ter staat de groei van de meeste pla­nen en bomen stil. Die hebben om te groeien nl tem­per­a­turen van boven de 10 graden nodig. De mossen zijn organ­is­men die prof­iteren van het weg­vallen van de andere (grotere) planten. Zij hebben namelijk de eigen­schap ontwikkeld om al vanaf nul graden te groeien. De win­ter is daarom in het geheel niet saai om buiten te lopen. Overal om je heen flo­r­eren de mossen en korstmossen, die de rest van het jaar een wat teruggetrokken en over­schaduwd bestaan lei­den. Ze voe­len zich zelfs zo happy in de koelte dat ze volop aan voort­plant­ing doen via aller­lei prachtige en inge­nieuze sporenkapsels. Korstmossen zijn nog kleiner en plat­ter dan gewone mossen. Zij kun­nen bijna uit­slui­tend op kale steen of hout of kale grond groeien. Op een houten balk trof ik deze week groen­bek­er­mos aan. Dat is een van de 50 soorten beker– of rendier­mossen die in Ned­er­land voorkomen.

Bij­zon­der

Aan korstmossen is bijna alles bij­zon­der. Ze zijn het schoolvoor­beeld van sym­biose in de biolo­gie. Een korstmos is een innig samen­lev­ingsver­band tussen een schim­mel en een alg. Apart kun­nen deze niet meer leven. De schim­mel zorgt voor aan­hecht­ing en bescherming en de groen– of blauwalg voor groei. In feite hebben deze schim­mels het principe van land­bouw al miljoe­nen jaren gele­den ontwikkeld. Korstmossen kun­nen zeer extreme omstandighe­den over­leven op gloeiend hete rot­sen en zelfs bij min 80 graden in de ruimte. Bek­ert­jes­mos bestaat uit blaad­jes (thal­lus) waar in de win­ter bek­ers uit­groeien. In deze bek­ers past pre­cies een regen­drup­pel. In deze drup­pel lossen sporen op die bij een vol­gende regen­drup­pel uiteenspat en zo ver­spreid wor­den. Maar er kun­nen ook stuk­jes afbreken (stek­jes) die elders weer aan­groeien. Een 3-​tal bek­er­mos soorten vormt prachtige rode bekers.

Waar

Er bestaan ca 350 soorten beker– en rendier mossen, waar­van er 50 in Ned­er­land voor komen. Er zijn soorten die op hout, op steen en op kale grond voor komen. Groen bek­er­mos groeit op hout.

 huisspitsmuis2kleine dierenHuis­spitsmuis23 mrt 2016maart

Bij het tuinieren met de oud­ers en kinderen van de Jeugdnatu­ur­club ontstond er hilar­iteit toen de kinderen een dode muis op het pad ont­dek­ten. Deze ‘veld­muis’ bleek een spitsmuis te zijn. Hij had wat bloed aan zijn kop, wat er op wijst dat een kat hem gedood had. Dat hij witte tanden had en zowat egaal grijs was, gaf aan dat het een huis­spitsmuis een geen veld­spitsmuis was. Het con­trol­eren van de kleur van de tand­jes gaf weer hilar­iteit, want ‘alle dode dieren zouden vies zijn’. Maar de bloed­drup­pels gaven aan dat het dier niet langer dan 2 uur dood was: Hoezo vies? Er wor­den tien­tallen keren per jaar dode mollen en (spits) muizen aangetrof­fen. De goed door­voede kat­ten die De Heiman­shof als jacht­ge­bied uitkiezen, doden ze uit jacht­drift, maar zeker spitsmuizen vin­den ze na een uur spe­len, niet om te pruimen. Spitsmuizen schei­den nl een nare muskusachtige geur af. Alleen uilen en dan vooral de kerkuil hebben daar geen moeite mee.

Bij­zon­der

Spitsmuizen zijn geen echte muizen. Het zijn insecteneters. Ze leven in het wild meestal niet langer dan 1.5 jaar. Na 3 maan­den zijn ze vol­wassen en kri­j­gen tot wel 5 wor­pen van zo’n 4 jon­gen per jaar. Je kunt de leeftijd van dieren meten in jaren, maar ook in hart­sla­gen. De meeste zoogdieren kri­j­gen ongeveer het zelfde aan­tal harsla­gen mee bij hun geboorte. Som­mige (grote) walvis­sen doen er 300 jaar over om die op te gebruiken. Wij als mensen een jaar of 80, maar de spitsmuis 1 of 2 jaar. Ze hebben dan ook een razend inten­sieve hart­slag van 10002000 sla­gen per min­uut. Een spitsmuis kan zich dan ook let­ter­lijk doo­d­schrikken. Spitsmuizen zijn de kle­in­ste zoogdieren. Om zich warm te houden, ver­sto­ken ze heel veel energie en moeten daarom dagelijks min­stens hun eigen gewicht aan voed­sel innemen en hebben zeker geen tijd voor een winterslaap.

Waar

Een huis­spitsmuis komt wel vaak in de buurt van huizen voor, maar leeft meestal gewoon in tuinen en velden. Hij komt voor in Noord Afrika en West, Mid­den en Zuid Europa.

 vlaamsegaaivogelsVlaamse Gaai23 mrt 2016maart

Gaaien of Vlaamse Gaaien zijn het hele jaar aan­wezig in Ned­er­land. De Ned­er­landse gaaien zijn stand­vo­gels. In heel Ned­er­land leven er zo’n 60.000 paar. In deze peri­ode van het jaar neemt het aan­tal gaaien toe omdat noordelijke vogels zich hier komen melden. In De Heiman­shof hebben we jaar­rond een paar of 3, maar nu is er een groep van soms wel 1015 dieren actief. Vroeger was de gaai een schuwe bosvo­gel. Deze vogels zijn, meer dan kraaien en eksters, waarmee ze ver­want zijn, gesteld op beboste en parkachtige land­schap­pen. Net als de merel, de grote bonte specht, de groene specht en een paar andere soorten zoals de hals­band­parkiet hebben ze zich zeer goed aangepast aan het leven in en om de mensen in ste­den en dorpen.

Bij­zon­der

De Vlaamse Gaai is een vogel met een veelk­leurig veren­pak, waar­bij vooral de blauwe veert­jes aan de vleugel opvallen. Het is een zeer alerte soort en de alarm­roep van de gaaien is voor vele dieren een sig­naal om zich gedekt te houden. De Vlaamse gaai is een alle­seter, die leeft van insecten, kleine dieren, eieren en jonge vogels die niet oppassen, maar hij is vooral ver­zot op hazel­noten, eikels en beuken­noot­jes. In deze peri­ode van het jaar heeft hij het extra druk. Het is zoals de meeste kraa­iachti­gen een redelijk intel­li­gente soort. Zijn voorkeur voor eikels gebruikt hij om tij­dens de ‘mast’ zoveel mogelijk eikels te verza­me­len en deze te ver­ber­gen als win­ter­voor­raad. Je ziet dan ook de eikels die onder eiken liggen als sneeuw voor de zon verd­wi­j­nen. Een Gaai kan maar liefst 9 eikels tegelijk in zijn keel zak ver­vo­eren en die stopt hij in zachte bodems in de grond als win­ter­voor­raad. Voor groen­te­tuin­ders kan dat een heel prob­leem wor­den, want een deel van die eikels vergeet hij. Daarmee is de Gaai de groot­ste ver­sprei­der van eiken­bomen en daarmee ook een ver­woed bosbouwer.

Waar

De Vlaamse gaai is in Ned­er­land een strand­vo­gel van beboste gebieden en ste­den. Hij komt in heel Europa voor behalve dicht bij de pool cirkel.

 gewoneesdoornbomenGewone Esdoorn13 mrt 2016maart

gewone esdoornblad met inktvlekkenziekteOp de woens­dag voor 21 maart wordt in heel Ned­er­land de Nationale Boom­feestdag gehouden. Bij veel scholen en in parken wor­den dan cer­e­monieel bomen geplant om de waarde van bomen te onder­strepen. De waarde van bomen wordt niet alleen door hun aan­tal bepaald, maar eerder door hun kroon­vol­ume en ecol­o­gis­che relaties met andere soorten: een kroon van een gekapte boom van 10 x 10 x 10 meter, heeft dan een waarde van 1000, en dat wordt niet gecom­penseerd door een boom met een kroon van 1 x 1 x 3 meter met een waarde van 3! (zoals maar al te vaak gebeurt). Ook veel burg­ers die hun tuin liever bestraten omdat dat ‚makke­lijker’ is, doen zichzelf, de flora en fauna en de samen­lev­ing tekort (omdat al die bestrate opper­vlak­tes grote prob­le­men geven met opvang van regen­wa­ter). Daarom is De Heiman­shof al 9 jaar gele­den ges­tart met de boomweggeef-​traditie: uit de tuin en de gebieden onder beheer van MEER­groen verza­me­len we boom­p­jes die meer­waarde in tuinen en ter­reinen hebben. Dit jaar zijn er tussen 16 maart en 1 april 10.000 boom­p­jes van 60 soorten te vergeven. De enige tegen­presta­tie die ver­langd wordt voor het natu­urvrien­delijk inrichten van uw eigen ter­rein, is het lid wor­den of spon­soren van De Heimanshof.

Bij­zon­der

Een van de best uitza­aiende soorten in Ned­er­land is de Gewone Esdoorn. De esdoorn is een soort die 35m hoog en 500 jaar oud kan wor­den en opvalt door z’n vlam­mende herf­stk­leuren. Esdoorn­bladeren zijn ken­merk­end hand­vormig ingesne­den met groffe pun­ten (foto) en de zaden bestaan uit dubbel gevleugelde ‚helikoptert­jes’. Esdoorns kun­nen last hebben van een schim­mel die ronde zwarte vlekken op de bladeren geeft. De meeste van de weggeef-​esdoorns komen uit het Groe­nen­daalse bos, waar een paar moeder­bomen miljoe­nen zaailin­gen hebben gepro­duceerd, die niet in de smaak vallen van de Schotse Hoog­lan­ders die er grazen.

Waar

De Esdoorn komt oor­spronke­lijke uit Zuid-​Europa, maar voelt zich al sinds de Mid­deleeuwen in onze regio op elke bodem thuis, zolang die niet te nat is.

 schelepos_400pxvis­senCol­umn van Franke van der Laan12 mrt 2016maart

gewone esdoornblad met inktvlekkenziekteDe Boomweggeefda­gen komen er aan! Natu­urlijk gaat de col­umn van Franke van der Laan over een prachtige boom: de Gewone Esdoorn.

Naar de col­umn »>

 roodwittecelspininsectenDe rood­witte celspin7 mrt 2016maart

de roodwitte celspinDe afgelopen tijd zijn we op De Heiman­shof bezig met het bouwen van een nieuwe natu­ur­muur. Die bouwen we van ste­nen die elders niet meer van pas komen. De tegels, klink­ers en andere min­der mooie ste­nen vor­men de achter­wand en aan de voorkant en bovenop komen mooie natu­urste­nen met daar­tussen planten. Al met al gaat het om tien­duizen­den ste­nen. Bij het af– en opstape­len kwa­men vele diert­jes te voorschijn: pis­sebed­den, duizend­poten, wor­men en wat van­daag erg opviel was een aan­tal soorten wolf­spin­nen. De meeste mensen ken­nen vooral web­spin­nen zoals de kruis­spin. Maar zoals altijd in de natuur zijn er vanuit het ‚spin­nen­con­cept’ weer tal­loze soortver­takkin­gen ontstaan. Een van de grotere spin­nen­fam­i­lies bestaat uit wolf­spin­nen. Zij maken geen web, maar van­gen hun prooi door ze te besprin­gen. De cel­spin­nen bin­nen die groep kun­nen wel draden spin­nen, maar gebruiken die om voor zichzelf een cel te spin­nen, van waaruit ze in hin­der­laag liggen.

Bij­zon­der

We kwa­men wel 34 soorten over­win­terende wolf­spin­nen­soorten tegen, maar de meest herken­bare daar­van was een rode spin met een bleek opgez­wollen achter­lijf, dat ongetwi­jfeld vol zat met eit­jes. En dat was dus de Rood­witte cel­spin. Het bij­zon­dere van deze spin is dat hij (vri­jwel) uit­slui­tend leeft van pis­sebed­den. Om door het ste­vige pantser van die pis­sebed­den heen te komen, is deze spin uit­gerust met ver­vaar­lijke kaken(foto). Deze kaken, die bij vrouwt­jes soms een halve cm. lang zijn, kun­nen ook door onze huid steken en pijn­lijke blaas­jes geven. Het is een nacht­jager die slecht ziet met z’n 6 oog­jes. De vrouwt­jes kun­nen ruim 2 cm. groot wor­den en zijn — zoals bij alle spin­nen — aan­merke­lijk groter dan de mannetjes.

Waar

De Rood­witte cel­spin komt bijna wereld­wijd voor in de gematigde streken. Dat komt omdat hij met de mensen is meegelift. Oor­spronke­lijk zou de soort uit Zuid Europa of Noord Afrika komen. Zijn leefge­bied is tussen ste­nen, tussen rot­tend hout en in com­posterend materiaal.

 groenestinkwantsinsectenGroene Stinkwants15 feb 2016feb­ru­ari

groene stinkwants

Het zou nog mid­den in de win­ter moeten zijn, maar het weer is al maan­den zo zacht dat veel planten zes weken eerder bloeien. En niet alleen temperatuur-​gevoelige planten rea­geren (er zijn ook daglengte-​gevoelige planten die niet rea­geren) maar ook insecten begin­nen zich te roeren. De eerste hom­mels zijn er, hon­ing­bi­jen vliegen volop en recen­telijk zag ik ook al een aan­tal wantsen. Er bestaan tien­duizen­den soorten wantsen, waar­van er in Ned­er­land ruim zeshon­derd soorten voorkomen. Wantsen voe­den zich met een steek­s­nuit, waarmee ze (meestal planten) sap­pen opzuigen. Zo zijn blad­luizen ook ver­want aan wantsen en de bek­ende schaat­sen­ri­jders. Verder zijn ze over het alge­meen plat­ter dan de meestal bol­ronde kev­ers. Wantsen hebben net als sprinkha­nen een ontwik­kel­ing die niet van rups of made gaat via een ver­pop­ping, maar in vijf nim­fen­sta­dia die steeds meer op een vol­wassen dier gaan lijken. Min­der bek­end is dat vele wantsen zich kun­nen bescher­men door het afschei­den van geurstof­fen. Een van de meest algemene wantsen­soorten die hier bij­zon­der goed in is, is de Groene Stinkwants.

Bij­zon­der

Groene Stinkwantsen zijn ‘s zomers helder groen, maar bij over­win­teren wor­den ze bruin, waarschi­jn­lijk om in de blad­loze tijd min­der op te vallen. Ze hebben zo’n sterke geur dat als ze aan bra­men ges­noept hebben deze zo weeïg ruiken dat ze oneet­baar gevon­den wor­den. En als deze soort door vogels wordt opgepikt, kan hij een drup­pel geurstof afschei­den die moeil­ijk afwas­baar is en in de mond tot blaren kan lei­den. Hier­door kan deze wants het zich veroorloven open en bloot te leven in tegen­stelling tot de meeste andere insecten die zich liever ver­stop­pen. De foto van deze wants is gemaakt door Theo Ter­wiel die al jaren in De Heiman­shof fotografeert. Hij heeft deze week bijna 1500 foto’s van ca 800 soorten gedoneerd, waar u nog vaak voor­beelden van zult zien. Van veel soorten die hij doc­u­menteerde, kende ik zelfs de fam­i­lie nog niet.

Waar

Deze soort tref je heel vaak aan op braam­stru­iken en hazelaars.

 schelepos_400pxvis­senSchele pos1 feb 2016feb­ru­ari

Schele posOp De Heiman­shof hebben we nu een jaar of drie onze onder­wa­teront­dek­w­ereld in ontwik­kel­ing. Het idee daarachter is dat de meeste kinderen geïn­trigeerd wor­den door wat er in de vaarten en sloten aan onder­wa­ter­leven zit. De onder­wa­teront­dek­w­ereld bestaat uit een tien­tal grote aquaria die we zelf gebouwd hebben en een tien­tal kleinere ‘kri­jgert­jes’. Daarin maken we de soorten van de in de Haar­lem­mer­meer meest voor komende vis­sen, mos­sels, krabben, kreeften, amfi­bieën en kleine beestjes voor edu­catieve doe­len goed zicht­baar en aan­schouwelijk. Door deze activiteiten leren we zelf ook weer veel over de onder­wa­ter­w­ereld. Een van de soorten die ik op deze manier heb leren ken­nen, is de schele pos. Dat is een visje dat meestal niet groter dan 1015 cm wordt. Hij is vol­wassen na 23 jaar en wordt meestal niet ouder dan een jaar of 67.

Bij­zon­der

De schele pos is fam­i­lie van de baarzen. Net als de baars, die wij voor de kinderen ‘tijgervis’ noe­men van­wege zijn ver­ti­cale strepen, heeft de schele pos stekels in zijn rugvin. Maar waar de baars twee vin­nen heeft, zijn die bij de pos samenge­groeid. Daar­naast heeft hij nog een lelijke (want effec­tieve!) stekel op zijn kieuwdek­sels. De schele pos heeft geen strepen maar stip­pen op zijn lichaam. Hij heet ‘schele’ pos omdat zijn ogen boven op zijn kop staan en als je hem dan van voren aankijkt, lijkt het of de vis twee kan­ten op kijkt. De pos is een belan­grijke bron van voed­sel voor de aalscholver en heeft nauwelijks com­mer­ciële of hen­gel­sport waarde.

Waar

Voor zo’n klein visje is het opmerke­lijk dat hij vooral in grote wateren voorkomt en nauwelijks in sloten en vaarten. De meeste pos in de buurt zit dan ook in de West­ein­der­plas. De schele pos komt in bijna heel Europa voor behalve in de uiter­ste zuiden en noorden.

Indien u geïn­ter­esseerd bent in de onder­wa­ter­w­ereld: op 7 feb­ru­ari (14.30 uur) houdt de beroepsvisser van de West­ein­der een lez­ing op de Heiman­shof. En dan komen er ongetwi­jfeld veel leuke en sterke visver­halen los. De lez­ing is vrij toe­ganke­lijk voor iedereen.

 gelekornoeljeplantenGele Kor­noelje20 jan 2016jan­u­ari

gele kornoeljeDe Gele Kor­noelje is een groot deel van het jaar een onop­val­lend stru­ikje of kleine boom. Het is een zeer langzaam groeiende plant, waar­van het hout om die reden erg hard is. In maart doet de gele kor­noelje zijn naam eer aan. Voor­dat er blad aan zit en voor­dat andere bomen en stuiken in blad komen, wordt het hele stru­ikje knal­geel van de bloe­sem (foto). Ik zou deze col­umn dus eigen­lijk in maart moeten schri­jven, maar ik doe het nu omdat door het vreemde weer van deze win­ter de gele kor­noel­jes al sinds de eerste week van jan­u­ari in bloei zijn gekomen. Ik hoop dat ze die bloei tot in maart vol­houden. Ook in sep­tem­ber is de struik weer opval­lend: uit de bloe­sem komen namelijk eet­bare vruchten. De hele struik kan dan rood zijn. Ze zijn wat zuur, maar er kan jam en sap van wor­den gemaakt.

Bij­zon­der

De naamgev­ing van de kor­noelje fam­i­lie is wat bizar. De gele kor­noelje heet geel van­wege zijn bloe­sem. De rode kor­noelje die in Haar­lem­mer­meerse bossen een plaag­plant is, heeft echter geen rode bloe­men, maar witte. Deze heet rode kor­noelje omdat zijn groene takken in de win­ter rood kleuren. Wel niet zo rood als de Japanse sierko­r­noelje, maar toch. Zijn zwarte bessen zijn niet eet­baar voor ons mensen, maar wel voor vogels. En wat voor bloe­sem zou de witte (sier) kor­noelje hebben: ook wit. Want deze struik heet wit om dat hij witte bessen heeft. De gele kor­noelje staat graag op kalkhoudende grond, dus dat past wel bij de Haar­lem­mer­meer. Hij is in Ned­er­land zo zeldzaam dat hij op een wet­telijke bescherming geniet en op de zoge­heten rode lijst staat als ‘zeldzaam, maar stabiel’.

Waar

Er ston­den een paar prachtige gele kor­noel­jes langs de Hoofd­vaart in Hoofd­dorp. Maar die zijn het afgelopen jaar ges­neu­veld. De enige gele kor­noel­jes die ik ken in de Haar­lem­mer­meer, staan in De Heiman­shof en in het bomen­pad van het Haar­lem­mer­meerse bos. Gele kor­noelje komt in een groot deel van Europa tot ver in Turk­ije van nature voor. De stru­iken groeien in en langs ran­den van bossen.