Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Lentek­lokje

op .

Hoewel het nog win­ter zou moeten zijn, is het in de natuur al volop voor­jaar. De vroege sneeuwk­lok is zelfs al uit­ge­bloeid en is bezig zaad te maken, de gewone sneeuwk­lokken bloeien mas­saal, net als de en afgelopen week zijn ook de wilde en de groot­bloemige krokussen mas­saal in bloei gegaan. Al deze soorten zijn wel bek­end en maken het een lust voor het oog om naar buiten te gaan. Maar er zijn nog veel meer soorten die nu in bloei komen en die de moeite van het ont­dekken waard zijn. Een daar­van is een van mijn favori­eten: het lentek­lokje. Hoewel de soort offi­cieel ver­want is aan de nar­cis, doet hij een aan een grote sneeuwk­lok denken. Z’n bladeren zijn niet blauw­groen zoals bij de meeste sneeuwk­lok­jes, maar donker­groen en z’n bloem is niet zo samenge­drukt lang­w­er­pig maar staat breed uit (foto). Ook het lentek­lokje is een stin­sen­plant die uit een bol­letje groeit waar­door hij op reserve stof­fen kan teren en min­der van de warmte van de zon afhanke­lijk is om te groeien.

Bij­zon­der
Het lentek­lokje heeft 1 ver­wante soort: het zomerk­lokje wat in mei bloeit en graag heel vochtig staat. Het is bijna een moeras­plant. Het lentek­lokje wordt 2030 cm hoog en heeft 1 bloem per bloeis­ten­gel, max­i­maal 2 en het zomerk­lokje kan wel 60 cm hoog wor­den en heeft ver­schil­lende bloe­men per bloeis­ten­gel. Hoewel het lentek­lokje heet, bloeit deze soort in de win­ter in feb­ru­ari. Z’n bloem is fraai en bestaat uit 6 bloem­bladen, waar­van er 3 eigen­lijk kelk­bladen zijn, maar die zijn niet van de kroon­bladen te onder­schei­den. En elke bloem­blad heeft een maan­vormige groene vlek.

Waar
Het lentek­lokje groeit in de strooisel­laag van bossen en het liefst op voed­sel­rijke en iet­wat vochtige plekken. Oor­spronke­lijk kwam het ook in Ned­er­land als wilde soort voor, maar dat is al lang verleden tijd. Maar als stin­sen­plant in land­goed­eren en in natu­ur­tu­inen is hij hier en daar wel te vin­den. In de Heiman­shof bloeit hij op dit moment mas­saal.
In Mid­den Europa komt de soort nog wel in het wild voor.

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 5 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 spiegelklokjeplantenGroot spiegelk­lokje in klaprozen­velden Overbos/​Floriande12 jun 2015juni

Iedereen die wel eens de avond­vier­daagse heeft meegelopen, kent de klaprozen­velden die in 2007 en 2008 zijn aan­gelegd aan beide zij­den van de IJtocht. In totaal liggen er 20 velden van 2.5 ha totaal als je ook de vochtige orchideeë­no­ever langs de IJtocht meerekent. Ze zijn des­ti­jds aan­gelegd met een wijk­bud­get door De Heiman­shof samen met de wijkraden.

Na de aan­leg heeft Sticht­ing MEER­Groen met vri­jwilligers elders uit de Haar­lem­mer­meer samen met de gemeente er voor gezorgd dat de velden elk jaar in volle bloei bli­jven komen. En dat gaat niet vanzelf. Alles moet elk jaar gemaaid en afgevo­erd wor­den en akkerkruiden (de stukken met klaprozen) ook los­ge­woeld. En in alle soorten ter­rein moeten de ‘plaag‘planten ver­wi­jderd wor­den. Dat zijn bv dis­tels die zich via zaad­pluizen in de hele regio uitza­aien, zur­ing­soorten, bra­men, riet, duizend­knopen en som­mige koolzaadachtigen.

Bij­zon­der

Tussen de opval­lende klaprozen staan tal­loze bij­zon­dere soorten: bolderik (paars), koren­bloem (blauw), kamille en de klim­mers zoals vogel­wikke, ten­gere wikke, voed­er­wikke, maar ook rogge, tarwe, spiegelk­lokje en cichorei.

De moera­so­ev­ers ken­merken zich door rate­laars (geel) met daar­tussen rietorchis (paars), moeraswe­spenorchis (zalmk­leurig), moeras vergeet-​mij– nietje, gele lis en vele soorten zegge, biezen en russen.

De meest bij­zon­dere soorten zijn het groot spiegelk­lokje (foto) en de kegel­si­lene. Beide zijn elders bijna uit­gestor­ven in Ned­er­land: het zijn rode lijst soorten.

De bloe­men rijk­dom is voor ons mensen een genot om naar te kijken maar voor tien­tallen soorten vlin­ders, sociale en soli­taire bijen, hom­mels, libellen, sprinkha­nen, kev­ers, zweefvliegen en andere kleine diert­jes is het een essen­tiële bron van voed­sel en schuilplaatsen.

Waar

Aan weer­sz­i­j­den van de IJtocht in de wijken Over­bos en Flo­riande. Mail voor een rondlei­d­ing en meer info

 geleklisboorvlieginsectenGelek­lis­boorvlieg30 mei 2015mei

Het droge voor­jaar van 2015 lijkt zeer insecten­vrien­delijk te zijn.
Zo hebben zich in de afgelopen 2 weken zeker 14 hon­ing­bi­jzw­er­men in en om De Heiman­shof ver­toond. Maar ook andere insecten­soorten lijken te gedi­jen en de planten­groei lijkt van de droogte weinig last te hebben.

Zo is de grote klis aan een groeis­purt bezig die in de komende maand planten van wel 22.5 m hoog gaat oplev­eren en die de steke­lige klit­ten maken die in haar en kleren vast bli­jven zit­ten.

Bij het ver­wi­jderen van een groot deel van deze dom­i­nante planten viel ons oog op een bij­zon­der insect (foto Lou vd Lin­den), die weer inzicht in een hele nieuwe wereld van insecten­leven opleverde. Het was de Gele Klisboorvlieg.

Bij­zon­der

Boorvliegen zijn een fam­i­lie van insecten uit de orde vliegen en muggen of twee­vleugeli­gen. Ze heten ook wel fruitvliegen, maar horen niet tot de bek­ende lab­o­ra­to­rium fruitvlieg­jes fam­i­lie.
Wereld­wijd zijn er wel 5000 soorten boorvliegen beken in ca 500 ges­lachten.

Boorvliegen onder­schei­den zich van deze soorten en van andere insecten door de mooie tekenin­gen van vlekken, ban­den of zigza­gstrepen op de vleugels, waar­door ze op het eerste zicht op een springspin kun­nen lijken. Zij danken hun naam aan het feit dat de vrouwt­jes de eit­jes in een plant leggen met behulp van hun puntige leg­boor, die vaak langer is dan de rest van het lichaam. De lichaam­slengte bedraagt max­i­maal 1,5 cm.

De larve van aan­tal boorvlieg­soorten is heel klein en vreet gan­gen uit tussen de onder– en bovenkant van bladeren. Andere soorten leven par­a­sitair op andere insecten.

Vol­wassen vliegen voe­den zich met planten­sap­pen en vocht uit rot­tend planten­ma­te­ri­aal. De eieren wor­den apart of groeps­gewijs afgezet onder de schil van vruchten.
Enkele boorvlieg­soorten staan bek­end als plaag­soorten van fruit­bomen zoals de appelvlieg uit Noord-​Amerika en kersen­vliegen uit Zuid-​Europa, die via trans­port hier terecht­gekomen zijn.

Waar

De Gele klis­boorvlieg is gebon­den aan de Grote klis als waardplant.

 aspergehaantjeinsectenAsperge­haan­t­jes16 mei 2015mei

In april en mei explodeert de natuur in vol­ume en soorten­rijk­dom.
Het is de tijd van de bli­jde verwacht­ing als je er oog voor hebt: of het nu de 1e gierzwaluw is in de lucht of de 1e orchidee, het houdt niet op.

Bij al dat rond­speuren is het natu­urlijk een uitdag­ing om bij­zon­dere soorten op te merken. Zo liep ik deze week langs het duin­biotoop op De Heiman­shof om te kijken of onze wilde asperges al boven de grond kwa­men. Behalve dat het leuk is bezoek­ers te wijzen op een eet­bare wilde soort en hoe die er in het wild uitziet is het ook de moeite waard om de prachtig gek­leurde asperge­haan­t­jes te ‘spotten’.

Want zo werkt het in de natuur: bij elke planten­soort hoort een hele gemeen­schap van soorten die ‘mee liften’.

Bij­zon­der

Asperge­haan­t­jes horen bij de fam­i­lie van blad­haan­t­jes. Ze zijn ca 6 mm lang. Er zijn veel soorten blad­haan­t­jes: munthaan­t­jes, elzen­haan­t­jes, wilgen­haan­t­jes, leliehaan­t­jes en ga zo maar door, voor bijna elke planten­groep wel een.
Ze zijn bijna alle­maal fel gek­leurd als waarschuwing dat ze niet lekker smaken.

De asperge­haan­t­jes maken 2 gen­er­aties per jaar en vol­wassen kev­ers over­win­teren in de grond. Ze leven alleen op asperge en de lar­ven kun­nen in een pro­duc­tieveld schade doen, maar in De Heiman­shof mogen ze hun gang gaan.
Vogels lus­ten de haan­t­jes niet, maar de natuur zou de natuur niet zijn als er niet een andere soort een onge­brei­delde voort­plant­ing onder con­t­role zou houden.

Bijna alle lar­ven van de asperge­haan­t­jes wor­den namelijk belaagd door sluip­we­spen die hun eit­jes daarin leggen. Ter­wijl de larve de asperge aan­vreet, eten de lar­f­jes van de sluip­w­erp de larve van bin­nenuit leeg. Net voor hij vol­wassen is, barst hij open en komt er geen aspergekever uit maar een groep sluip­we­sp­jes. Zo gaat dat bij de meeste insecten.
Daarom zijn er hon­der­den tot duizen­den sluip­we­spen soorten, die we nooit zien, maar per­ma­nent hun ‘reg­ulerende’ taak vervullen.

Waar

Asperge­haan­t­jes leven alleen van asperge. Ze komen overal voor waar asperge groeit.

 kameleonspininsectenKameleon­spin2 mei 2015mei

Een van de leuke din­gen van het schri­jven van deze col­umn, is dat mensen met bij­zon­dere zaken langs komen. Een paar weken gele­den meldde zich iemand, die zich zor­gen maakte over het feit dat er in haar sierdis­tel in de tuin elk jaar grote aan­tallen dode bijen hingen.<br/ > Deze oplet­tende lezer kwam op het spoor ven een witte spin, die in de bloem zat en wel eens de oorzaak kon zijn. Omdat haar kogeld­is­tel een niet inheemse tuin­plant is, bestond het ver­moe­den dat ook de spin wel eens een exoot kon zijn, die mogelijk gevaar­lijk voor onze inheemse bijen kon zijn.
De oploss­ing kwam zoals zovaak weer van pro­fes­sor Ernst. Het bleek te gaan om een soort krab­spin en wel de gewone kameleon­spin, die hier van nature voorkomt.

Bij­zon­der

Er bestaan in Ned­er­land tien­tallen soorten krab­spin­nen. Ze ontle­nen hun naam aan het feit dat ze niet zoals andere spin­nen vooruit kruipen, maar net als krabben een zijwaartse gang hebben. Deze soort leeft vooral van bijen en hom­mels. Ze maken geen web en wachten geduldig op de bloem tot haar prooien de bloe­men komen bes­tu­iven. Zo kun­nen ze dagen tot weken in een­zelfde hin­der­laag bli­jven zit­ten. Kameleon­spin­nen ontle­nen hun naam aan het feit dat ze geel ( inzet) of wit ( grote foto) zijn, wat afhangt van de kleur van de bloem waarin ze zich ophouden. Dankzij deze cam­ou­flage kun­nen ze hun prooien ver­rassen. Die prooi kan tot 3x groter zijn. Hun gif is snel­w­erk­end en sterk. De leegge­zo­gen prooi bli­jft soms aan de bloem hangen, wat de aan­wezigheid van de spin kan ver­raden.
Het bij­zon­dere aan deze spin is dat ze net als een kameleon de kleur van de bloem waarop ze kruipen aan­nemen. Om van kleur te veran­deren doet deze spin er echter langer over dan een kameleon. De kleurveran­der­ing van wit naar geel duurt 10 tot 25 dagen en terug van geel naar wit duurt 6 dagen.

Waar

Kameleon spin­nen hebben een voorkeur voor witte en gele bloe­men, waar­bij hun schutk­leur strate­gie opti­maal werkt.

 zwarte-ooievaarvogelsZwarte Ooievaar18 apr 2015april

Hoewel er veel slecht nieuws te melden is over bio­di­ver­siteit, is het ook niet moeil­ijk om hartver­war­mende ver­halen te vin­den. Zo rukt de ooievaar steeds verder op en het lijkt slechts een kwestie van tijd tot dat zich een of meer paart­jes laat ver­lei­den tot broe­den door de keur aan ooievaarspalen die er her en der in de Haar­lem­mer­meer al staan. De lep­elaar heeft die stap al gezet, hoewel het aan­tal paren niet of nauwelijks toe­neemt. In de kolonie van de Liede wordt al druk gebroed, maar in Hoofd­dorp zijn ze nog niet begonnen. Entoen ver­scheen er 26 maart opeens een wel heel bij­zon­dere lang­poot: een zwarte ooievaar. Dit exem­plaar, hoogst waarschi­jn­lijk op doortrek heef zich een kleine week op gehouden rond de start­ba­nen van Schiphol.

Bij­zon­der

Ned­er­land ligt aan het NW pun­tje van het ver­sprei­d­ings­ge­bied van de zwarte ooievaar. Voor 1800 broedde de soort hier wel. Door het ver­lies van ooi­bossen langs de riv­ieren is daar een eind aan gekomen. In de 20ste eeuw was de vogel een schaarse, maar regel­matige gast. Sinds de eeuwwis­sel­ing is het een doortrekker die steeds vaker wordt aangetrof­fen. Het gaat dan om tien­tallen tot hon­der­den waarne­min­gen per jaar. Dat gebeurt voor al in augus­tus als de net uit­gevlo­gen jon­gen gaan zwer­ven. Dat er nu al een exem­plaar eind maart ver­schi­jnt is dus ook bij­zon­der. In gebieden als de Ooipolder is het een kwestie van tijd voor er een paartje gaat broe­den. De zwarte ooievaar leeft vooral van vis, maar eet ook amfi­bieën en insecten.

Waar

De zwarte ooievaar broedt in een brede strook door Mid­den Europa en Siberië van Den­e­marken tot aan de Stille Oceaan en over­win­tert ten zuiden van de Sahara en de Gobi woestijn. Anders dan zijn ver­want de witte ooievaar, die in open wei­den broedt, bestaat het leefge­bied van de zwarte ooievaar uit bos met open plekken. De zwarte ooievaar leeft onop­val­lend in dicht, gemengd bos langs stromend water of in de buurt van poe­len en plassen met dichte begroei­ing, vaak in heuvelachtig gebied.

 stormmeeuwvogelsStor­m­meeuw9 apr 2015april

een stormmeeuw in vluchtDe Haar­lem­mer­meer ligt niet ver van de zee en dat kun je merken aan het feit dat er waar en wan­neer je naar de lucht kijkt, altijd wel ergens wat meeuwen ziet rond­vliegen. Meeuwen leven van afval, vis, aas, wor­men en in feite alles wat ze te pakken kun­nen krijgen.

Zoals overal in de natuur, heeft deze suc­cesvolle groep vogels zich gaan­deweg uit­ge­s­plitst in soorten die ver­schil­lende ‘niches’ benut­ten. Niches zijn com­bi­naties van eigen­schap­pen om te over­leven en dat betekent meestal het benut­ten van ver­schil­lende soorten voed­sel. Zo ontwikkelt zich meestal een reeks van kleinere en grotere soorten, die kleinere en grotere prooien eten. Bij meeuwen is de dwergmeeuw de kle­in­ste en de grote man­telmeeuw de groot­ste soort. In onze polder zie je vooral kok­meeuwen (met zomers een zwart kapje), stor­m­meeuwen en zil­ver­meeuwen (met gri­jze vleugels), kleine en grote man­telmeeuwen (met zwarte vleugels). De aan­lei­d­ing voor deze col­umn is dat er teke­nen zijn dat zich stor­m­meeuwen die vooral in de duinen en op de Wad­denei­lan­den broe­den bezig zijn om ook twee kolonies op daken te vor­men. Een­tje in Indus­triepark Hoofd­dorp Noord en een­tje in de President.

Bij­zon­der

De stor­m­meeuw is kleiner dan de zil­ver­meeuw en heeft met een ronde kop en en een zwarte iris een vrien­delijker uit­stral­ing dan de zil­ver­meeuw, die in kust­plaat­sen soms al een plaag wordt ervaren. Zowel zil­ver­meeuwen als stor­m­meeuwen zoeken vaak voed­sel door de trillin­gen van een mol na te boot­sen in grasvelden waar­door wor­men naar boven vluchten. Stor­m­meeuwen zijn hele­maal niet zo al gemeen: naar schat­ting 7000 paar in Ned­er­land. Een jaar of vijf gele­den had­den we een grote meeuwen– en ster­nenkolonie op het dak van de het PWN-​gebouw. Door­dat het dak lekte, kwam er vogelpoep in het drinkwa­ter. In plaats van het lek te maken, is de kolonie ver­sto­ord. De vogels zoeken nog steeds naar een nieuwe plek, vaak op daken van gebouwen.

Waar

Stor­m­meeuwen komen op heel het Noordelijk hal­frond voor in 4 onder­soorten. Vooral langs kusten.

 beukendopgeweizwampad­den­stoe­lenBeuk­endopgeweizwam23 mrt 2015maart

Afgelopen week was de nationale boom­feestdag en dus liep ik te zoeken naar een onder­w­erp over bomen: Het bomen­pad in het Haar­lem­mer­meerse bos is heropend, de 14 routes langs mon­u­men­tale bomen om ‚bij weg te dromen’ zijn gelanceerd en op De Heiman­shof staan tot 1 april10.000 gratis boom­p­jes van 54 soorten klaar om mee te nemen. Een van de soorten die we dit jaar in grote getalen beschik­baar hebben, (2500) zijn beuken. Die beuken groeien uit beukenoot­jes, waar­van er in som­mige jaren miljoe­nen zijn per boom. Als er zo’n top jaar van beukenoot­jes is, wor­den lang niet al die noot­jes een boom: muizen, eekhoorns, vogels eten het gros op. Maar ook op andere manieren komen de beuken aan hun eind. En dat brengt me op het eigen­lijke onder­w­erp van deze week: de super­spe­cial­is­ten: de natuur zit zo mooi en ingewikkeld in elkaar dat er overal waar er wat te halen valt, soorten ontstaan die er gebruik van maken. Een van die super­spe­cial­is­ten is de Beuk­endopgeweizwam. Dat is een ver­want van het zeer algemene gewone geweizwammetje wat op oude stronken groeit. Deze soort groeit alleen op de schillen van beuken­noot­jes en dan nog alleen als die onder een laag bladeren liggen.

Bij­zon­der

De beuk­endop geweizwammet­jes lagen in een dikke laag strooisel onder een beuk in Burg­erveen en zijn prachtig gefo­tografeerd door Lau­rens v/​d Linde, die al vaker leuke ont­dekkin­gen heeft vast gelegd. De natuur zit vol met de super­spe­cial­is­ten. Maar je moet er een oog voor ontwikke­len om ze te ont­dekken: een schotelzwammetje dat ook alleen in een leeg beuk­endopje groeit; de rupsendo­der, een zwam die alleen op vlin­der­pop­pen groeit en de lar­ven­do­der die alleen op de larve van de spin­nende water kever leeft; en uit de insecten­wereld: hyper­parasi­eten: zeer kleine sluip­we­spen die leven op de lar­ven en pop­pen van al zeer kleine sluip­we­spen die bijvoor­beeld op bijen en vliegen parasiteren.

Waar

De beuk­endopgeweizwam groeit alleen op vochtige beuk­endop­jes onder een laag strooisel.

 wcmotmuggestippeldeinsectenwc-​motmug7 mrt 2015maart

U bent van mij gewend om intrigerende natuur ver­schi­jnse­len overal van­daan te tov­eren. Deze week een tro­pis­che soort die recen­telijk (1020 jaar gele­den of zo) is meegelift met inter­na­tionale reizigers.

Zijn lev­en­scy­clus is niet heel appeti­jtelijk, want hij legt z’n eit­jes (soms mas­saal) in de sli­jmerige prut van goot­steen– en wc-​zwanenhalzen. Daar kauwen de lar­f­jes zich door die prut. De vol­wassen exem­plaren houden zich in en bij goot­ste­nen en wc-​potten op. Daar kun­nen ze jaar rond aangetrof­fen wor­den.
Ze heten mot­muggen. En om pre­ciezer te zijn wc-​motmuggen.

Het zijn circa 5 mm grote zwarte insecten met donkere zware behar­ing. Die behar­ing valt af als ze wat ouder worden.

Er zijn inmid­dels 2 soorten bek­end: de gestip­pelde wc mot­mug, die zijn vleugels hor­i­zon­taal houdt en rijen witte stip­pels op de ran­den heeft (foto) en de gewone wc-​motmug die wat kleiner is zon­der stip­pen en die zijn vleugels dak­pans­gewijs boven zijn lichaam houdt.

In de zomer kun­nen de wc-​motmuggen ook buiten leven. Daar wor­den ze soms aangetrof­fen in com­post­vaten en –hopen, vooral als deze vol met natte inhoud zit­ten.
Hoewel hun lar­vale sta­dium zich niet afspeelt in de meest fan­tasievolle omgev­ing, bren­gen ze voor zover bek­end geen ziek­ten en pla­gen met zich mee.

Bij­zon­der

De wc-​motmuggen ken ik zelf al een jaar of 10, maar naar nu blijkt ston­den ze tot voor kort niet eens gereg­istreerd als een soort die in Ned­er­land voorkomt. Dat heeft waarschi­jn­lijk meer te maken met de aan­dacht voor deze soort­groep dan met hun daad­w­erke­lijke voorkomen.
De lev­en­scy­clus van de mot­muggen is heel snel: van ei tot vol­wassen exem­plaar duurt ca. 17 dagen. De mot­mug­jes zelf leven ca 10 dagen en na ongeveer 9 uur kun­nen ze zich al voort planten met 200300 eit­jes per vrouwtje. Dat kan in korte tijd duizen­den nakomelin­gen opleveren.

Waar

Voor het waarne­men van mot­mug­jes hoeft u de deur niet uit. Ze leven in goot­ste­nen, wcpot­ten en blub­berige composthopen.

 springstaartandersSpringstaarten21 feb 2015feb­ru­ari

U denkt vast wel eens: hoe lang gaat deze col­umn nog door? Het antwo­ord daarop zal meer van mijn eigen leeftijd afhangen hebben dan van het aan­tal onder­w­er­pen. In Ned­er­land zijn tot dusver zo’n 48.000 soorten planten en dieren (exclusief een­cel­li­gen, etc) beschreven en de meeste komen wel eens in de Haar­lem­mer­meer langs.

Sinds 2006 heb ik ongeveer 450 soorten daar­van gehad en met eens in de 14 dagen een col­umn, kan ik zeker nog 100 jaar voort. Ik heb zelfs nog geen kans gezien een voor­beeld van alle grote groepen organ­is­men te behan­de­len. Deze week daarom weer eens een hele nieuwe cat­e­gorie, waar­van meer dan 8000 soorten ont­dekt zijn, met hon­der­den in Ned­er­land. Het gaat om de springstaarten. Springstaarten behoren, net als insecten, tot de zespotigen.

Bij­zon­der

Springstaarten wor­den slechts enkele mm groot en ontle­nen hun Ned­er­landse naam aan een vork die onder hun buik ligt (zie foto).

In rust zit­ten de tanden van de vork vast achter een soort gren­deltje. Als de springstaart bij gevaar wil sprin­gen, zet hij kracht op de vork en laat dan het gren­deltje los. Daar­door slaat de vork met een klap op de onder­grond (of op het water) en wordt de springstaart cen­time­ters weg gelanceerd.
Een springstaart heeft nog een 2e geheim wapen. Het is een buisvormig mon­dor­gaan wat eindigt in twee buis­jes en uit­ges­tulpt wordt met behulp van de bloed­druk. De func­tie is een com­bi­natie van het opne­men van vocht en het vas­thechten aan de ondergrond.

De springstaart is zelf wat­er­af­s­to­tend, waar­door hij zon­der moeite haast wrijv­ingsloos over het waterop­per­vlak gli­jdt. Dreigt hij door de wind weg te wor­den geblazen, dan steekt hij deze collo­foor, die niet wat­er­af­s­to­tend is, door het waterop­per­vlak als een soort micro ankertje en lijkt daar­door aan het waterop­per­vlak te kleven.

Waar

Springstaarten leven meestal in de strooisel­laag of op het waterop­per­vlak en voe­den zich met rot­tend organ­isch mate­ri­aal en schim­mels. Ze kun­nen daar in enorme aan­tallen voorkomen: hon­der­den of duizen­den per m2 in de meeste Ned­er­landse tuinen.

 rode-kelkzwampad­den­stoe­lenRode kelkzwam8 feb 2015feb­ru­ari

In de win­ter is het niet alleen wat frisser, de kleuren buiten zijn ook min­der uit­ge­spro­ken. Daarom is het extra leuk dat er ook mid­den in de win­ter vrolijk stem­mende kleurige ver­schi­jnse­len zijn te vin­den, die een wan­del­ing of zelfs een hele dag kun­nen opvrolijken. Recen­telijk noemde ik als de heldergele gele trilzwam.

Win­ter­pad­den­stoe­len hebben een manier weten te vin­den om mid­den in de win­ter te groeien: dat gaat wel langza­mer maar ze hebben weken of zelfs maan­den om hun sporen te ver­sprei­den. En blijk­baar is dat een goede over­lev­ingsstrate­gie.
Deze week kwam ik de mooiste kleur die je in de win­ter kan vin­den tegen in het Wan­del­bos Hoofd­dorp: schar­lak­en­rood van de rode kelkzwam (zie foto).

Bij­zon­der

Rode kelkzwammen zijn echte win­ter­pad­den­stoe­len.
Ze ver­schi­j­nen als het koud wordt, soms al in novem­ber, en verd­wi­j­nen medio maart.

Hoewel de vruchtlichamen slecht tegen droogte kun­nen, is uit exper­i­menten gebleken dat het mycelium daar wel goed tegen kan en zelfs tot tien jaar later onder gun­stige omstandighe­den weer vruchtlichamen pro­duceert. Het lijkt erop dat kelkzwammen nog lev­ende takken infecteren waar­bij het houtweef­sel gedurende gun­stige (vochtige) peri­o­den ver­teerd wordt. Pas nadat de takken afgevallen zijn en per­ma­nent in een vochtige omgev­ing liggen, waar­bij ze vaak bedekt raken met mos, begin­nen zich op de takken vruchtlichamen te vor­men. Daarna gebeurt dit ieder jaar opnieuw tot­dat de tak volledig ver­teerd is.

Slakken, springstaarten en insecten­lar­ven eten er graag van. Wellicht speelt de rode kleur een rol in het lokken van deze dieren. Zodra het weer wat opwarmt, zullen de kelkzwammen als sneeuw voor de zon verdwijnen.

Waar

In Ned­er­land komen 2 soorten rode kelkzwammen voor.
De Krul­haarkelkzwam die we ooit in De Heiman­shof gehad hebben, heeft een voorkeur voor rot­tend elzen– of essen­hout.
De Rode kelkzwam in het Wan­del­bos is een stuk zeldza­mer en heeft een voorkeur voor rot­tend essenhout.

 RamshoorngalinsectenRamshoorn­gal­we­sp­pa­rasiet24 jan 2015jan­u­ari

Al 8 jaar mag ik u eerst weke­lijks en nu 2-​wekelijks van de HC op de hoogte houden van de ver­baz­ing­wekkende flora en fauna in onze polder.

In augus­tus 2008 kon ik u melden dat de EU – een­word­ing ook ecol­o­gis­che invloe­den had: met vracht­wa­gens was uit Hon­gar­ije en omstreken de ramshoorn­gal­wesp meegelift.
Tot 1990 was de Ramshoorn­gal­wesp bek­end van Oost-​Europa tot Iran.
Vanaf 1990 heeft de Ramshoorn­gal­wesp zich naar West-​Europa uit­ge­breid. In het jaar 1990 komt de eerste waarne­m­ing uit Duit­s­land. In de omgev­ing van Lon­don was de eerste waarne­m­ing in 1998, nog voor het eerste exem­plaar in Ned­er­land (2003), in Diemen werd gezien.
In Ned­er­land heeft zich deze gal­wesp vooral in het zuiden van Noord-​Holland en in Zuid-​Holland sterk uit­ge­breid en is nauwelijks in Oost-​Nederland te vin­den.
In De Heiman­shof was de eerste gal in de zomer van 2008 op een jonge zomereik.

Bijzonder

Nieuwe soorten kun­nen zich vaak snel ontwikke­len omdat ze geen vijan­den hebben. Hoe snel de natuur zich soms kan aan­passen, bleek deze win­ter toen de gal­we­sp­jes in hun ’veilige’ gallen opgepeuzeld bleken: De vrouwt­jes van zoge­naamde bron­swe­spen (foto) kun­nen met hun spri­eten waarne­men waar de larve van de gal­wesp in de gal zit. Ze boren met hun leg­boor dan door de buiten­schil van de gal en leggen een ei in de gal­we­s­plarve. Zodra de parasiet uit het ei kruipt, wordt de gal­we­s­plarve opgepeuzeld. Bij kweek­ex­per­i­menten bleek dat in de late herfst zowel wijf­jes als man­net­jes van de par­a­sitaire bron­swesp Sycophila bigut­tata uitk­wa­men.
Ramshoorn­gal­we­spen zelf zijn ook bij­zon­der. Zij ken­nen twee gen­er­aties per jaar die elk een andere soort eik nodig hebben; de moseik of Turkse eik en de inheemse zomereik. In de Wieger Bruin­laan groeien moseiken en overal staan zomereiken. Uit de gallen op de zomereik komen alleen vrouwt­jes, uit de gallen op de moseik komen man­netje en vrouwtjes.

Waar

De par­a­sitaire bron­swesp komt overal in Europa en West-​Azië voor waar ook de Ramshoorn­gal­wesp aan­wezig is.

 Gebakken-Kippad­den­stoe­lenGebakken Kip zwam4 jan 2015jan­u­ari

Een halve hek­senkring van grote (12 cm) pad­den­stoe­len op een gazon vlak bij De Heiman­shof (foto) zette mij op een speur­tocht met ver­rassende resul­taten, die ik graag met u deel.

Mijn eerste indruk vanaf de weg was dat het een soort wilde champignon leek, waar­van som­mige soorten wel 25 groot kun­nen wor­den. Maar de eerste inspec­tie sloot dat al uit. Alle champignons hebben zwarte sporen en een ring (velum) om de stam. En deze exem­plaren had­den geen ring en de plaat­jes onder de hoed waren maagdelijk wit.

De vol­gende stap is dan om alle pad­den­stoe­len gid­sen er bij te nemen. Daar kwa­men als optie Gordi­jnzwammen uit naar voren. Gordi­jnzwammen hebben net als deze soort laag afhangende en brede plaat­jes en er blijken wel 180 soorten van te bestaan. Maar alle­maal hebben ze bru­ine sporen. Als de pad­den­stoe­lengid­sen geen uit­sluit­sel geven is Pro­fes­sor Ernst mijn geheime wapen. Deze pro­fes­sor waar ik in 1980 bij afges­tudeerd ben heeft toe­gang tot netwerken waar micro­scopis­che details uit­sluit­sel geven. Hij kwam de weten­schap­pelijke naam van deze zeer algemene en grote soort die geen Ned­er­landse naam heeft, maar in Amerika Gebakken kip zwam heet. Deze soort heeft nl witte ronde sporen, ter­wijl de enige Gordi­jnzwam met wit­tige sporen appelvormige sporen heeft.

Bij­zon­der

De naam geeft al aan dat het een eet­bare soort is. De smaak van de verse hoed doet aan radijs denken. In Azië wordt deze soort mas­saal gek­weekt en zeer gewaardeerd in purees en soepen. In het westen is dit min­der. Met de juiste kruiden smaakt de hoed naar gebakken kip en de robu­uste stam wordt of vers­maad of ook in gepureerde vorm ver​w​erkt​.De weten­schap­pelijke naam van de gebakken kipzwam is Lyophyl­lum decastes, omdat hij opval­lend vaak in clus­ters van 10 exem­plaren voor schi­jnt de komen; deca is 10 in het latijn.

Waar

Deze soort komt bij voorkeur op ver­sto­orde gron­den voor, waar hij organ­isch mate­ri­aal ver­teerd. Waar hij voorkomt is het meestal in zeer grote aantallen.