Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Reuzen­schaaf­stro

op .

Schaaf­stro behoort tot de paar­den­staart­fam­i­lie. Veel mensen ken­nen een fam­i­lielid daar­van, dat heer­moes heet en dat overal in de Haar­lem­mer­meer groeit, waar zand over klei ligt. Dat is een typ­is­che sit­u­atie bij trot­toirs en in tuin­paden. Van­daar dat veel mensen er een grote hekel aan hebben. Deze paar­den­staarten wor­den vaak kat­ten­staarten genoemd, wat mij als bioloog ver­driet doet, want kat­ten­staarten zijn prachtig paars­bloeiende planten van de waterkant. Paar­den­staarten vor­men een zeer oude fam­i­lie die 250350 miljoen jaar gele­den ontstond en die in de tijd van dinosauriërs, toen er nog geen bloeiende planten en loof­bomen waren hun voor­naam­ste voed­sel vor­mde. Dat ze het tot nu toe hebben vol­ge­houden betekent dat ze een goed over­lev­ingssys­teem hebben. Bij heer­moes heb ik daarmee ken­nis gemaakt toen ik voor een kelder 4 m diep in de grond moest graven en 12 m onder het grond­wa­ter nog wor­tels tegenkwam. Ze hebben dus zo’n wor­tel reserve dat je ze nooit kunt weg wieden.

Bij­zon­der

Paar­den­staarten en dus ook schaaf­stro zijn aan zand gebon­den, omdat ze geen cel­lu­lose als ‘skelet’ maken, maar kleine kristal­let­jes van kwarts. Van schaaf­stro wordt vaak ver­meld dat het vroeger door z’n ruwe sten­gel als schu­ur­pa­pier werd gebruikt, maar dat is vol­gens mij niet terecht. Voor de komst van indus­trieel schu­ur­pa­pier ver­brandde men dit schaaf­stro en kreeg in de as zeer homo­gene kristal­let­jes, die gebruikt wer­den voor het poli­jsten van muziekin­stru­menten. Schaaf­stro en reuzen­schaaf­stro zijn zeer dec­o­ratieve paar­den­staarten die niet mis­staan in (droog) boeket­ten ( zie detail­inzet). Alle paar­den­staarten bestaan uit seg­menten die uit en weer in elkaar geschoven kun­nen wor­den.

Waar

Schaaf­stro houdt van vochtige zand­m­i­lieus zoals duin­valleien en Reuzen­schaaf­stro (foto) dat 23 m hoog kan wor­den, houdt van vochtige grond of het nu klei, zand of veen is. Op dit moment vormt het sporenkapsels, maar veg­e­tatieve voort­plant­ing via scheuren van wor­tel stokken gaat effectiever.

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 7 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 kogelhoutskoolzwampad­den­stoe­lenKogel­hout­skoolzwam22 feb 2014feb­ru­ari
 kogelhoutskoolzwam

Op dood hout van de es kun je donker­bru­ine tot zwarte halve bollen van 19 cm diam­e­ter vin­den. Deze kogel­hout­skoolzwammen lijken op verkoolde cakes.

Vol­wassen exem­plaren zijn voorzien van uiterst fijne openin­gen waar­door in april en mei donkere sporen naar buiten gestoten wor­den, die je dan als een ring zwart sporen­stof om de zwam kunt aantr­e­f­fen. Deze wor­den in een soort mini-​kamertjes, vlak onder het opper­vlak gevormd. Wan­neer je een exem­plaar doorsni­jdt zijn er meer dan 10 ver­schil­lende laag­jes te zien (foto). Deze zijn wit-​grijzig en van elkaar geschei­den door een donkere strook.

Ze doen denken aan de jaar­rin­gen van bomen, maar kogel­hout­skoolzwammen groeien van okto­ber tot maart. In die tijd wor­den de ver­schil­lende laag­jes dus gevormd.

Alleen de buiten­ste laag maakt sporen. Die ziet er dan ook anders uit dan de onderliggende laag­jes. Kogel­houtzwammen spe­len een rol bij de houtaf­braak en maken geen lev­ende bomen dood. In Ned­er­land is de soort vrij zeldzaam.

Bij­zon­der

Een bij­naam van de kogel­hout­skoolzwam in Enge­land is Cramp Balls: in ver­pul­verde vorm zou deze als mid­del (norit) tegen maag– en darm­bezwaren hebben gediend.

Recent onder­zoek toonde aan dat loofhoutwe­spen of zwaard­we­spen een nauwe relatie met hout­skoolzwammen hebben. Vrouwt­jes van deze houtwesp dra­gen mycelium van een hout­skoolzwam met zich mee in spe­ciale toegeruste orga­nen. Als ze eit­jes leggen in het hout van de boom van hun voorkeur, dan infecteren ze daarmee het hout tegelijk­er­tijd met de schim­mel. Als de wespeneit­jes uitkomen, leven de lar­ven van de schim­mel en van het door de schim­mel ‘voorver­teerde’ hout.

Waar

Kogel­hout­skoolzwammen zijn, dankzij hun ste­vigheid, jaar­rond te vin­den op loofhout­boom­stronken en takken, spe­ci­aal op essen­hakhout. Het mooiste en oud­ste essen­hakhout in de Haar­lem­mer­meer (350 jaar oud) is te vin­den in de Een­denkooi van Vijfhuizen. Hier is deze zwam dan ook alge­meen. Ook in natu­ur­speelplaats Meer­mond trof­fen we hem aan deze week.

 kraailookplantenKraailook16 feb 2014feb­ru­ari
 kraailook

Alle planten die we als voed­ings­ge­wassen gebruiken, zijn uit het wild afkom­stig en naar onze smaak en voorkeuren veredeld.

Een van de meest gebruikte planten­soorten is de ui.

In het wild bestaan nog veel andere uien­soorten. Alle­maal met de karak­ter­istieke smaak en geur van een zwavel­houdende vluchtige stof die in ons traan­vocht omgezet wordt in zwavelzuur.

Maar elke soort voegt daar weer zijn eigen ele­menten aan toe. Zo werkt het altijd in de natuur: als een soort een nut­tige aan­pass­ing door­maakt (in dit geval onap­peti­jtelijk wor­den voor insecten­vraat) ontwikke­len zich variëteiten en soorten voor aller­lei spec­i­fieke omstandighe­den: een ui voor de bosrand, voor het bos, op de velden, een moerasvorm, etc.

Alleen in De Heiman­shof hebben we min­stens 8 soorten staan: arm­bloemig look, daslook, driekantig look, slan­gen­look, bies­look, berglook, moes­look en kraailook.

Bij­zon­der

Kraailook staat vooral in (blauw)graslanden.

Het vormt zoals alle uien een (zeer klein) bol­letje. Het ronde blad van de kraailook (foto) is blauw­groen en vezeliger dan de andere soorten.

Hoe alge­meen kraailook wel is, is vooral in deze tijd van het jaar te zien. Op de ca. 300 m2 wei­dege­bied van de heem­tuin staan er miljoe­nen. Dat ze nu zo goed te zien zijn, komt door een andere uieneigen­schap: de meeste planten­soorten en ook grassen gedi­jen pas bij tem­per­a­turen boven de 10 graden, maar uien (mede dankzij de reser­vestof­fen in hun bol­letje) groeien de hele win­ter door zolang de tem­per­atuur maar boven 05 graden is.

Zo kleuren al onze voed­se­larme graslan­den blauw­groen mede door deze kraailook­bladen. Kraailook bloeit van juni-​augustus. Omdat ze vanaf mei geduchte con­cur­ren­tie ondervin­den van grassen en andere soorten komen er maar een paar hon­derd tot 1000 in de tuin tot bloei. Zo zijn uien­soorten ide­ale gewassen in een groen­te­tuin: je plant ze in sep­tem­ber en ze groeien de hele win­ter door.

Waar

Kraailook staat vooral in bermen, maar gedijt ook in bossen in heel Europa en een deel van Amerika.

 gekraagdeaardsterpad­den­stoe­lenGekraagde Aard­ster5 jan 2014jan­u­ari
 gekraagdeaardster

De natuur lijkt in rust in de win­ter, maar niets is min­der waar.

Voor de goede waarne­mer is er volop activiteit waar te nemen.

Zo zwer­ven er miljoe­nen win­ter­gas­ten door ons land die over­leven op de bessen en grassen van onze rijke rivierdeltagronden.

In de bossen is het al een gekri­oel van planten. Dat komt omdat de bosplanten hun lev­en­scy­clus rond moeten hebben voor het bladerdek van de bomen ges­loten is. Dat is goed te zien in De Heiman­shof waar nu al weer 3 soorten planten bloeien en 40 soorten stin­sen­planten zich mas­saal uit de strooisel­laag omhoog werken. Dat doen ze vanuit reser­vestof­fen in bol­let­jes en wortelstokken.

Spiedend naar de bol­let­jes valt ook op dat er ook gedurende de win­ter nog veel pad­den­stoe­len te vin­den zijn: bv juda­soren en vele soorten elfen­bankjes, kogelzwammen en opval­lende gele trilzwammen. De meest curieuze zwam die plaat­selijk alge­meen uit de strooisel­laag tevoorschijn komt, is de gekraagde aardster.

Bij­zon­der

De gekraagde aard­ster is een zoge­naamde buikzwam, die ver­want is aan de bovis­ten. Deze soorten maken bolvormige vruchtlichamen die gro­ten­deels ver­s­tu­iven in de vorm van sporen.

De gekraagde aard­ster barst in 2 niveaus open.

De buiten­ste wand is heel dik en barst in de vorm van een ster open, waarmee hij zich naar boven drukt uit de strooisellaag.

Daar­bij komt een 25 cm dikke bol vrij met een heel dun vel­letje, waarin bovenin een gaatje valt. Door regen­drup­pels en dieren die er op stap­pen, wor­den de rijpe sporen in dit bol­letje als een soort vulkaan explosie wegge­blazen. (Zie foto). Heel leuk voor kinderen (en vol­wasse­nen) om eens te proberen. Veel bovis­ten zijn eet­baar zolang de sporen niet rijp zijn. Van de gekraagde aard­ster is dit niet zo bek­end, want hij drukt zich pas boven de grond uit als de sporen rijp zijn. De sporen wer­den in tra­di­tionele geneeskunst gebruikt om ontstekin­gen en bloedin­gen tegen te gaan.

Waar

De Gekraagde Aard­ster komt wereld wijd voor in gematigde streken. In de Heiman­shof staan veel exemplaren.

 pluimzeggeplantenpluimzegge30 dec 2013decem­ber
 pluimzegge

Sinds de zomer van dit jaar is MEER­Groen ook met een werk­groep in Heem­st­ede verte­gen­wo­ordigd. Daar hebben we een natu­ur­speelplaats van 5.5 ha in beheer genomen op nauwelijks 100 m van de Haar­lem­mer­meer. Deze natu­ur­speelplaats is 3 jaar gele­den gemaakt op de oude vuil­nis­belt van Heem­st­ede en heet Meer­mond. Op 100 m van het Cruquius gemaal ligt dit ter­rein op de plek waar het Spaarne begint en wat ik hartelijk in uw aan­dacht wil aan­beve­len om eens te gaan ont­dekken. Een semi-​wild ter­rein van 5.5 ha is nl een heer­lijke ruimte voor kinderen ( en vol­wasse­nen) om los te gaan. Zeker met de kabel­ba­nen, pon­tje, wilgen labyrint, heel veel hout om mee te slepen en heuvel par­ti­jen. Wij zor­gen voor de tal­loze bessendra­gende stuiken, bloe­men­wei­des, het insecten­ho­tel, de ijsvo­gel poel en de tal­loze pad­den­stoe­len­lo­caties, bouwen aan uit­brei­d­ing van het wilgen­labyrint en maken ruimte vrij voor een boom­gaard. We werken er elke vri­jdag en von­den er afgelopen week een prachtig ver­geten moerasje met bij­zon­dere veg­e­tatie waar­van de Pluimzegge het meest opviel(foto). Dit is een bedreigde en dus bescher­mde polvor­mende soort zegge die zeer oud kan woor­den en daar­door ook zeer groot. Som­mige van de exem­plaren waren ruim een meter hoog.

Bij­zon­der

De pluimzegge hoort in veen­mo­erassen en is door zijn grootte en massa soms een lev­en­sred­der voor mensen en dieren die in moerassen verd­walen. Je kunt nl van de ene pol naar de ander sprin­gen of waden. Maar ook door zijn grootte vormt hij een aansprek­ende en beeld­bepal­ende soort. Er zijn ca 200 zegge soorten in Ned­er­land, waar­van veel soorten makke­lijk met elkaar kruisen en daar­door moeil­ijk uit elkaar te houden zijn. De pluimzegge is echter zeer karak­ter­istiek. Het woord zegge is afkom­stig van een oud Ger­maans woord, dat sni­j­den betekent. De bladeren kun­nen nl zeer scherp zijn.

Waar

De ca 50 pluimzegges van Meer­mond staan in de oever van het Spaarne, maar ook op De Heiman­shof zijn een 10-​tal pluimzegges van een jaar of 40 oud te bewonderen.

 giebel2goudvisvis­senGiebel (2)9 dec 2013decem­ber
 giebel2goudvis

De Giebel is de wilde vorm van de goud­vis (foto). Naast de nor­male wijze van voort­plant­ing, blijkt de giebel over een bij­zon­dere strate­gie te beschikken: Paair­i­jpe vrouwt­jes giebels drin­gen zich tussen de paaiende karpers en zetten hun eieren af. Daar­bij bleek, dat de zaad­cellen van (kroes)karpers, de eicellen van de giebel prikkelden om zich te gaan ontwikke­len. De zaad­cellen drin­gen hier­voor de eicel bin­nen, maar er vindt geen versmelt­ing plaats zoals in het nor­male voort­plant­i­ng­spro­ces. Er is daarom geen sprake van bevrucht­ing. De eicellen bevat­ten daar­door uit­slui­tend vrouwelijke eigen­schap­pen, met als gevolg dat er ook alleen maar vrouwelijke nakomelin­gen uit wor­den geboren. Deze zijn in uiter­lijk en erfe­lijk opzicht pre­cies gelijk aan de oud­ergiebel. Men noemt dit ook wel „klo­nen”. Deze unieke wijze van voort­plant­ing (gyno­genese), heeft ertoe heeft bijge­dra­gen dat de giebel zich in korte tijd over grote delen van Azië en Europa heeft kun­nen verspreiden.

Buiten de „hulp” van karper en kroeskarper, bleek de giebel zich ook suc­cesvol te kun­nen voort­planten met behulp van blankvoorn, zeelt, grote mod­derkruiper en zelfs regenboogforel.

Gyno­gese is dus een bij­zon­dere vorm van maagdelijke voortplanting.

Extra bij­zon­der bij de Giebel is ook nog dat deze vis niet 2 sets chro­mo­somen heeft in zijn celk­ern (dat heet diploid: zoals bijna alle hogere planten en dieren) maar drie: de soort is dus triploid.

Waar

De natu­urlijke ver­sprei­d­ing van de Giebel is van West-​Siberië tot Roe­menië, Bul­gar­ije, Grieken­land en Turk­ije. De soort komt al sinds de zeven­tiende eeuw in Duit­s­land voor. Er is maar weinig bek­end over de lev­enswi­jze van de giebel. In grote lijn komt deze waarschi­jn­lijk overeen met de lev­enswi­jze van de kroeskarper. Water met een weelderige planten­groei en een zachte mod­derige bodem hebben de voorkeur van de giebel. De giebel is een sterke vis die goed tegen vervuild water kan. Het is vaak een van de laat­ste vis­soorten die in vervuild water gevon­den wordt.

 giebel1vis­senGiebel (1)27 nov 2013novem­ber
 giebel1

In de Heiman­shof hebben we sinds juni een nieuw ele­ment aan de ecol­o­gis­che vari­atie in de tuin toegevoegd: onze onderwater-​ontdekwereld.

Inmid­dels leven in onze 12 aquaria zo’n 30 soorten vis­sen, kreeften, mos­sels, amfibieën en andere onder­wa­ter dieren en planten. Het is fascinerend om meer te leren over het gedrag en de leef­con­di­ties van de vele organ­is­men die er onzicht­baar onder water naast ons leven.

Een van mijn vele onder­wa­ter ont­dekkin­gen was de Giebel. Achter deze iet­wat lach­wekkende naam schuilt een brons– of goud­kleurige vis, die niet inheems was, maar inmid­dels zoals zoveel soorten wel inge­burg­erd is (foto). Het is een Azi­atis­che karper­soort waaruit in China, al zo’n 4000 jaar gele­den, goud­vis­sen zijn gekweekt.

De giebel is een gron­de­laar. Daar­door draagt hij bij aan vertroe­bel­ing van het water, net als brasems en kapers. Het is een alle­seter: naast dier­lijk voed­sel als dier­lijk plank­ton, insecten­lar­ven en kleine kreef­tachti­gen, eet de giebel ook algen en planten­de­len. In de win­ter stopt de voed­selop­name. Veel Giebels zijn waarschi­jn­lijk afs­tam­melin­gen van uit­gezette goud­vis­sen die hun rode of oranje kleur ver­loren hebben. In de vrije natuur verd­wi­j­nen deze kleur­vor­men door­dat ze te veel opvallen en als eerste ten prooi vallen aan rovers. Zo bli­jven er op ter­mijn alleen wild­kleurige exem­plaren over.

Bij­zon­der

De giebel kan vanaf het tweede jaar ges­lacht­srijp zijn. Het aan­tal eieren kan oplopen tot circa 400.000 per vis per jaar. Daar­door is de giebel in staat voor grote aan­tallen nakomelin­gen te zor­gen. Bij afwezigheid van reg­ulerende roofvis­sen treedt bin­nen enkele jaren „vergiebel­ing” op. Naast de nor­male wijze van voort­plant­ing, blijkt de giebel over een bij­zon­dere strate­gie te beschikken: Paair­i­jpe vrouwt­jes­giebels drin­gen zich tussen de paaiende karpers en zetten hun eieren af. Daar­bij bleek dat de zaad­cellen van (kroes)karpers de eicellen van de giebel prikkelden om zich te gaan ontwikke­len. Vol­gende col­umn meer (over 2 weken).

 waternetjeplantenWater­netje13 nov 2013novem­ber
 waternetje

Zowel in de Toolen­burgse plas als in het meer van het Haar­lem­mer­meerse bos is het water vrij helder en diep. Daar­door wor­den deze meren druk bezocht door toen­e­mende aan­tallen duik­liefheb­bers. En onder water zijn er natu­urlijk weer intrigerende flora en fauna zaken te ont­dekken. Onlangs stuitte een van de duik­ers tussen 27 m diepte op netvormige wolken bestaande uit groene bol­let­jes. Deze bol­let­jes bestaan uit netvormige struc­turen van 530 mm groot (foto). De netvormige struc­tuur van het water­netje is een kolonie, bestaande uit meerdere cellen. Een vol­groeid netje kan een paar cm groot worden.

De groei van water­net­jes wordt door hogere tem­per­a­turen ver­sterkt. De kli­maat veran­der­ing heeft veroorza­akt dat water­net­jes zich op som­mige plekken tot een plaag kun­nen ontwikkelen.

Het is in de zomer veel aan­wezig, maar sterft af als het water kouder wordt. Het water­netje over­leeft de win­ter door dik­wandige sporen te maken die naar de bodem zakken.

Bij­zon­der

Een jong netje ontstaat al bin­nen een vol­wassen cel. Elk bol­letje ontstaat uit één zich opde­lende cel bin­nen een moed­er­cel. Dit wor­den sporen die zich met zweep­draden bin­nen de moed­er­cel kun­nen bewe­gen. Al voor het uiteen­vallen van de moed­ercel­wand ver­liezen deze sporen hun zweep­draden en groeperen ze zich in de vorm van een nieuw jong netje. Door het strekken van de cellen groeit het nieuwe netje verder.

Waar

Water­netje is een groen­wier, waar­van in (Mid­den– en West-​) Europa 1 en in de wereld 5 soorten bestaan. De foto is gemaakt in het meer van het Haar­lem­mer­meerse Bos waar deze algen voorkomen op 27 m diepte. Het water­netje is bek­end uit voed­sel­rijke, vooral stik­stofrijke wateren, sloten en plassen. Het kan ook in het kust­ge­bied in water met een hoog zout­ge­halte voorkomen.

 Kruisspin4Urntjesspinnendoder1insectenkruis­spin (4)13 nov 2013novem­ber
 Kruisspin4Urntjesspinnendoder1

 Kruisspin4Urntjesspinnendoder1

Bij ver­stor­ing begint de spin hevig heen en weer te schud­den in haar web. Bij ern­stige ver­stor­ing laat de spin zich lood­recht naar bene­den vallen waar­bij het lichaam met een spin­draad wordt geankerd. De spin houdt zich op de bodem een tijdje schi­jn­dood. Na enige tijd klimt de spin hier­aan weer naar boven. Kruis­spin­nen hebben gifkaken maar gebruiken deze alleen om op prooien te jagen en niet om vijan­den af te weren. Alleen als een spin tussen de vingers wordt vast­gek­lemd zal deze in het uiter­ste geval bijten. Dit voel je wel maar is niet gevaarlijk.

De groot­ste vijand van de spin­nen is het kli­maat. Ze lij­den vooral onder droogte en zware regen­val. Ook de mens is een belan­grijke vijand, omdat deze spin­nen doodt en hun web vernielt.

De spin­nen moeten ook oplet­ten voor som­mige sluip­we­spen zoals spin­nen­do­ders, die de spin ver­lam­men en naar het nest bren­gen. Alle spin­nen­do­ders behoren tot wes­pachti­gen, zoals graafwe­spen. Er zin wereld­wijd bijna 5000 soorten bek­end. In Ned­er­land komen ongeveer 65 soorten voor (foto′s Urn­t­jesspin­nen­do­der). De ver­lamde spin wordt in een hol­letje gebracht en er wordt een ei bij afgezet. Als de larve van de sluip­wesp uit het ei kruipt wordt de kruis­spin lev­end en van bin­nenuit opgegeten.

Waar

De kruis­spin bouwt haar web op open plekken tussen lage boom­takken of in stru­iken, die van de wind zijn afgeschermd. Het web wordt gemakke­lijk door regen en wind vernield, waar­door de kruis­spin alleen voorkomt op beschutte plaat­sen. Tuinen zijn voor de kruis­spin ideaal, omdat deze vaak hogere begroei­ing bevat­ten en relatief goed zijn afgeschermd van felle zon en van wind. De kruis­spin heeft een vochtige leefomgev­ing nodig en kan slecht tegen droogte en komt vooral voor in laaglan­den. Een andere weer­som­standigheid waar de spin onder lijdt is hevige regen­val. De kruis­spin komt in grote delen van Europa en delen van Noord-​Amerika. In Europa komt de kruis­spin voor van noordelijk Scan­di­navië tot in lan­den aan de Mid­del­landse Zee.

 kruisspinmetprooiinsectenKruis­spin (3)20 okt 2013okto­ber
 kruisspinmetprooi

De kruis­spin is een groot deel van het leven bezig met het bouwen van een web. Het web is vergelijk­baar met dat van andere wiel­web­spin­nen. Deze spin­nen­fam­i­lie bouwt een vierkant frame met een spi­raalvormige vang­draad in het mid­den. Deze wordt onder­s­te­und door een aan­tal draden die van het frame naar het mid­den van het web lopen waar­door ze doen denken aan spaken. Het web in zijn geheel lijkt hier­door op een fietswiel waaraan de naam van de spin­nen te danken is.

Het web raakt gemakke­lijk beschadigd en snel vervuild. Boven­dien dro­gen de draden snel uit, zodat het web iedere dag ver­van­gen moet wor­den. Dit duurt ongeveer 20 minuten. Ook na iedere vangst moet het web gere­pa­reerd wor­den, omdat een sparte­lend prooi­dier het web beschadigt. De kruis­spin bouwt het web op enige hoogte boven de bodem in stru­iken en lagere takken van bomen.

Het web is bedoeld om kleine en grotere vliegende insecten te van­gen. Bek­ende prooien zijn vliegen en muggen, wespen en bijen maar ook grotere insecten zoals vlin­ders wor­den gegeten. Heel kleine prooien, zoals blad­luizen, wor­den genegeerd. Zodra een prooi het web invliegt, wordt de spin gealarmeerd door de trillin­gen in de zoge­naamde sig­naal­draden. De spin wikkelt deze snel in een spin­sel­pakket (foto). Pas daarna wordt een beet toege­di­end die de prooi ver­lamt. De ingepakte prooi wordt dan uit het web gehaald en in een schuilplaats opgegeten. In de zomer van het tweede lev­en­s­jaar zijn de wijf­jes zo groot dat ze een web van ongeveer 60 cm doorsnede maken. Vooral bij vochtige weer­som­standighe­den zijn de webben duidelijk te zien door­dat ze bedekt zijn met dauw­drup­pels. Het groot­ste deel van de vol­wassen spin­nen over­leeft de eerste nachtvorst niet.

De voor­naam­ste vijan­den van de kruis­spin zijn insectene­tende vogels, die de spin uit het web plukken. Er zijn ook spin­nen­soorten die alleen op andere spin­nen jagen en hen in hun eigen web aan­vallen. Daar­naast zijn kruis­spin­nen kan­ni­balen en eten ze kleinere soortgenoten.

 kruisspinbabies1insectenKruis­spin (2)20 okt 2013okto­ber
 kruisspinbabies1

 kruisspinbabies1

De par­ing is voor een man­netje een hache­lijke zaak. De vrouwt­jes bli­jven in hun web ter­wijl de man­net­jes op zoek gaan. Hij laat weten dat hij geen prooi is door trillin­gen te maken in het web van het vrouwtje. De par­ing van spin­nen is uitwendig. Het man­netje heeft aan de mond­de­len een bal­lon­netje. Dit heeft een pipet-​achtige werk­ing zodat sperma kan wor­den opge­zo­gen en later in het vrouwelijke ges­lacht­sor­gaan kan wor­den afgegeven. De ges­lachts­de­len van het man­netje en het vrouwtje passen exact in elkaar. Als het bal­lonetje is gevuld, wordt het als een sperma­pakketje ingebracht.

Na de bevrucht­ing wordt het sperma opges­la­gen in een spe­ci­aal kamertje. Het vrouwtje heeft een eilei­der waar de eicellen wor­den bevrucht en de eieren wor­den gevormd. Hier­bij zwelt het achter­lichaam enorm op. De eit­jes wor­den afgezet in een cocon.

Het aan­tal eit­jes varieert met de grootte van het vrouwtje van enige tien­tallen tot hon­der­den. Als de cocon af is, wordt deze voorzien van pluizige spin­sel­draden ter bescherming. De cocon wordt de eerste tijd bewaakt door het vrouwtje. De cocons wor­den in de herfst afgezet op ver­bor­gen plekken in planten en zien er uit als een pluk wat­ten met in het mid­den de gelige eit­jes (foto 1). Het vrouwtje stopt met jagen en sterft korte tijd nadat haar eier­co­con is afgezet. De eieren over­win­teren; in de lente komen de jonge spin­net­jes tevoorschijn, ze hebben een ken­merk­ende gele kleur. (foto 2).

Jonge kruis­spin­nen ver­sprei­den zich als het nest wordt ver­sto­ord, om enige tijd later weer samen te komen. Ze leven de eerste 710 dagen van het voed­sel in hun dooier. Daarna klim­men ze zo hoog mogelijk in een plant en spin­nen een lange draad. Deze draad wordt door de wind opgepakt en neemt de jonge spin mee de lucht in. Zo ver­sprei­den de kleine spin­net­jes zich door de lucht en kun­nen ze hon­der­den meters of kilo­me­ters verder terechtkomen. Spin­nen zijn hier­door vaak de eerste kolonisatoren van nieuwe geïsoleerde (bv vulka­nis­che) eilanden.

 kruisspin1insectenKruis­spin (1)7 okt 2013okto­ber
 kruisspin1

De kruis­spin is in tegen­stelling tot veel andere spin­nen geen schuwe soort, maar een­tje die vaak mid­den in het web zit en moeil­ijk over het hoofd is te zien.

De naam is te danken aan de op een kruis gelijk­end patroon op het achter­lijf (foto).

Bij spin­nen zien man­net­jes en vrouwt­jes er totaal anders uit. Vrouwt­jes wor­den 1217 mm, exclusief poten, ter­wijl man­net­jes ongeveer 510 mm wor­den. Als spin­nen nog jong zijn, ver­schillen de man­net­jes en wijf­jes niet veel van elkaar. Na ver­loop van tijd groeien de wijf­jes harder dan de man­net­jes. In de zomer van hun 2e lev­en­s­jaar, als de wijf­jes vol­wassen wor­den, groeien ze zeer snel. Man­net­jes hebben naar ver­houd­ing lan­gere poten maar een veel kleiner achter­lijf dan een vrouwtje. Vooral vrouwt­jes die eieren dra­gen, hebben een opval­lend dik achterlijf.

Wat direct opvalt aan de spin zijn de vier paar lange harige poten. De haart­jes dienen om trillin­gen te voe­len. Het lichaam van de spin bestaat uit het achter­lijf en het gefuseerde kop­borststuk. Een kruis­spin heeft 8 pun­to­gen: 4 aan de voorz­i­jde en 2x 2 opzij. In tegen­stelling tot insecten die samengestelde face­to­gen hebben, bestaan spin­nenogen uit een enkele struc­tuur met ieder een eigen lens.

Onder de kop bevin­den zich 2 paar kaken. De bovenkaken zijn voorzien van klauw-​achtige struc­turen en bevat­ten een gifkanaal. De spin neemt voed­sel op door eerst ver­t­er­ingss­ap­pen in de prooi te bren­gen en deze ver­vol­gens weer op te zuigen.

Zowel man­net­jes als vrouwt­jes hebben 3 paar spin­te­pels. Dit zijn de uitschei­d­ing­sor­ga­nen waarmee het spin­nen­web wordt gebouwd, maar waarmee ook prooien en eic­o­cons wor­den omwikkeld. De spin­te­pels kun­nen ver­schil­lende soorten draden pro­duc­eren; ste­vige en niet-​kleverige draden om het frame van het web te maken en de eit­jes te voorzien van een bescher­mende laag.

Aan het einde van de zomer is de kruis­spin vol­wassen. Een­maal vol­wassen maken de spin­nen veel grotere webben dan jonge spin­nen, waar­door ze goed opvallen.

 hazenpootjepad­den­stoe­lenHazen­pootje29 sep 2013sep­tem­ber
 hazenpootje

Nu we een paar weken flink regen gehad hebben en de tem­per­a­turen nog vrij hoog zijn, is aan het einde van dit groei­seizoen de ver­t­er­ing van de bio­massa die zich dit jaar gevormd heeft, volop op stoom gekomen. Er zijn daarom volop pad­den­stoe­len te vin­den. (Op 6 okto­ber is daarover om half 3 een inter­es­sante lez­ing op de Heimanshof).

Deze week bereik­ten mij een aan­tal meldin­gen van inktzwammen.

Ink­tzwammen groeien op voed­sel­rijke onder­grond. De geschubde ink­tzwam is, zolang hij wit is, een delicatesse.

De kale ink­tzwam is ook eet­baar, maar alleen als je ver van alco­hol bli­jft. Alco­hol en deze pad­den­stoel gaan bin­nen 24 uur ervoor en erna niet goed samen. Je gaat er niet dood van, maar mis­selijkheid en ander ver­schi­jnse­len maken het een prima anti-​alcoholmiddel. Geen aan­rader vooreen restau­rant dus.

De derde ink­tzwam van deze week was een fragiele beauty, die groeide op hout­snip­pers in het Wan­del­bos Hoofd­dorp. Deze pad­den­stoel heet hazen­pootje omdat de jonge nog niet uit­gevouwen hoed dicht bezet is met donzige haartjes.

Bij­zon­der

Als het pad­den­stoeltje net ver­schi­jnt, is het hoedje hoog en smal, maar wordt sti­laan breder en klokvormig, en later vlak en sti­laan komvormig en transparant(foto). Naar­mate het zwammetje ouder wordt, wordt het hoedje langzaa­maan doorschi­j­nend. De plaat­jes van het hazen­pootje zijn eerst bleek­wit, maar verkleuren naar grijs en vervloeien uitein­delijk tot een zwarte ink­tachtige vloeistof, een typ­isch ken­merk van de meeste ink­tzwammen. Het vervloeien van de plaat­jes is een inge­nieuze strate­gie waar­door de sporen efficiënter ver­spreid wor­den. Bij de meeste ink­tzwammen, waaron­der het hazen­pootje, krult het hoedje tegelijk­er­tijd op, waar­door de net afger­i­jpte sporen steeds in een opti­male posi­tie komen om door de wind of aan inecten­poten te wor­den meegevoerd.

Waar

Het hazen­pootje is een ink­tzwam die bij voorkeur groeit op dode houtresten, en die wereld­wijd te vin­den is in bossen, maar die je ook in tuinen vaak terugvindt op gehak­seld hout.