Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Reuzen­schaaf­stro

op .

Schaaf­stro behoort tot de paar­den­staart­fam­i­lie. Veel mensen ken­nen een fam­i­lielid daar­van, dat heer­moes heet en dat overal in de Haar­lem­mer­meer groeit, waar zand over klei ligt. Dat is een typ­is­che sit­u­atie bij trot­toirs en in tuin­paden. Van­daar dat veel mensen er een grote hekel aan hebben. Deze paar­den­staarten wor­den vaak kat­ten­staarten genoemd, wat mij als bioloog ver­driet doet, want kat­ten­staarten zijn prachtig paars­bloeiende planten van de waterkant. Paar­den­staarten vor­men een zeer oude fam­i­lie die 250350 miljoen jaar gele­den ontstond en die in de tijd van dinosauriërs, toen er nog geen bloeiende planten en loof­bomen waren hun voor­naam­ste voed­sel vor­mde. Dat ze het tot nu toe hebben vol­ge­houden betekent dat ze een goed over­lev­ingssys­teem hebben. Bij heer­moes heb ik daarmee ken­nis gemaakt toen ik voor een kelder 4 m diep in de grond moest graven en 12 m onder het grond­wa­ter nog wor­tels tegenkwam. Ze hebben dus zo’n wor­tel reserve dat je ze nooit kunt weg wieden.

Bij­zon­der

Paar­den­staarten en dus ook schaaf­stro zijn aan zand gebon­den, omdat ze geen cel­lu­lose als ‘skelet’ maken, maar kleine kristal­let­jes van kwarts. Van schaaf­stro wordt vaak ver­meld dat het vroeger door z’n ruwe sten­gel als schu­ur­pa­pier werd gebruikt, maar dat is vol­gens mij niet terecht. Voor de komst van indus­trieel schu­ur­pa­pier ver­brandde men dit schaaf­stro en kreeg in de as zeer homo­gene kristal­let­jes, die gebruikt wer­den voor het poli­jsten van muziekin­stru­menten. Schaaf­stro en reuzen­schaaf­stro zijn zeer dec­o­ratieve paar­den­staarten die niet mis­staan in (droog) boeket­ten ( zie detail­inzet). Alle paar­den­staarten bestaan uit seg­menten die uit en weer in elkaar geschoven kun­nen wor­den.

Waar

Schaaf­stro houdt van vochtige zand­m­i­lieus zoals duin­valleien en Reuzen­schaaf­stro (foto) dat 23 m hoog kan wor­den, houdt van vochtige grond of het nu klei, zand of veen is. Op dit moment vormt het sporenkapsels, maar veg­e­tatieve voort­plant­ing via scheuren van wor­tel stokken gaat effectiever.

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 8 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 windevedermot1vlin­dersWindeve­d­er­mot22 sep 2013sep­tem­ber
 windevedermot1

 windevedermot1

Deze week zat er op m’n raam een T-​vormige nachtvlin­der (foto). Het zoeken op ‘T-​mot’ leverde de ‘windeve­d­er­mot’ op. Deze nachtvlin­der leeft als rups op en van aller­lei soorten windes, zoals de haag­winde of de akker­winde. De haag­winde komt helaas nogal alge­meen voor. Het is ongeveer de enige soort ongewenst kruid in mijn tuinen waar ik vri­jwel geen (biol­o­gisch ver­ant­wo­ord) antwo­ord op heb. In tegen­stelling tot de veel bek­endere dagvlin­ders, waar­van er in Ned­er­land ca 50 soorten voorkomen, zijn er wel 2400 nachtvlin­der­soorten, waar­van er ca 1500 tot de microsoorten wor­den gerek­end. De Windeve­d­er­mot is een van die kleinere soorten met een span­wi­jdte van 2.53 cm.

Bij­zon­der

Er komen ca 35 soorten ved­er­mot­ten voor in Ned­er­land, die alle­maal zeer strikt afhanke­lijk zijn van een of meerdere waard­planten. De windeve­d­er­mot is een van de 4 meer algemene soorten. Ken­merk­end voor ved­er­mot­ten is dat de 2 paar vleugels die alle vlin­ders hebben, zulke diepe insni­jdin­gen hebben dat ze niet 2 x 2 maar 2 x 5 veer­vormige vleugels lijken te hebben, maar de twee gek­liefde vleugels laten in hun beweg­ing zien dat het 2 x 2 vleugels zijn (inzet foto). Daar­bij is elk ele­ment net als echte veren ook weer dwars ingesne­den. De onderkant van de gek­liefde vleugels zit vol met soort-​specifieke geurstof­fen. Ook hebben niet alle ved­er­mot­ten ingesne­den vleugels. De nauw ver­wante fam­i­lie van de Waaier­mot­ten met 2 soorten in Ned­er­land heeft nog sterker gek­liefde vleugels, 2 x 6 in voor– en achter­vleugel. Die veer­vormige vleugels zijn meestal niet te zien, omdat ze net als op de foto bij rust wor­den samengevouwen.

Waar

De windeve­d­er­mot komt overal in Europa voor waar zijn waard­planten voorkomen. Het is een soort die als vol­wassen insect over­win­tert en het hele jaar gezien kan wor­den. Deze soort wordt erg door licht aangetrokken en wordt daarom vaak op ramen aangetrof­fen. Er komen ver­schil­lende gen­er­aties per jaar voor, met een kleinere piek in het voor­jaar en een grote piek van augus­tus tot november.

 moerascipresbomenMoeras­cipres16 sep 2013sep­tem­ber
 moerascipres

Soms is het moeil­ijk om te beslis­sen of een bepaalde soort nu inheems is of niet. Vaak komt dit door dat een buiten­landse soort heel goed inburg­ert: denk bv aan de hals­band­parkiet of de Nijl­gans. Bij de moeras­cipres is het een ander ver­haal. Dit is nl een soort die als fos­siel in Ned­er­land is gevon­den en daarna verd­ween, maar in het warme zuiden van de Verenigde Staten bleef bestaan. De moeras­cipres is met de inheemse Lariks en de water­cipres een van de weinige naald­bomen die zijn naalden ‘s win­ters laat vallen. De moerassen van het zuiden van de VS zoals de Ever­glades vor­men de thuis­ba­sis van deze boom.

Bij­zon­der

De Moeras­cipres wordt 5060 m hoog en soms wel 1000 jaar oud. Daar­bij wordt zijn stam zeer breed. Bomen van 58 m omtrek zijn niet onge­bruike­lijk. Hij kan maan­den onder water staan. Daar­voor heeft de boom een aan­tal bij­zon­dere aan­passin­gen. Zo is het hout zeer rot bestendig en wordt daarom gebruikt voor dakbe­dekking, dak­goten en doo­d­skisten. Ook het wor­tel­s­telsel is zeer degelijk en zwaar uit­gevo­erd. De meest bij­zon­dere aan­pass­ing vor­men de zoge­naamde kniewor­tels. Bij een boom die regel­matig onder water staat kun­nen deze 1.5 – 2 m hoog wor­den. Met deze wor­tels kan het wor­tel­s­telsel ade­men bij lange over­stro­min­gen. Bij moeras­ci­pressen die te hoog op land geplant zijn ontwikke­len deze kniewor­tels zich niet of nauwelijks.

Waar

We hebben in de Haar­lem­mer­meer 4 moeras­ci­pressen gevon­den. 2 in het Wan­del­bos, 1 in Bad­ho­eve­dorp in de Del­laert­laan en 1 in Zwa­nen­burg in het Wan­del­park. De boom met de mooist ontwikkelde kniewor­tels van ca 30 cm hoog staat in Zwa­nen­burg (foto). De bomen wor­den in de bomen­routes (zie meer­groen web­site) ver­meld. De veel op de moeras­cipres lijk­ende water­cipres komt uit China en is een lev­end fos­siel, dat pas in 1946 werd heront­dekt. Deze soort is veel algemener aange­plant. Het een­voudig­ste ver­schil tussen de beide soorten is dat de tak­jes van de water­cipres pre­cies tegen­over elkaar ver­takken en die van de moeras­cipres niet.

 kaardenbolplantenKaar­den­bol9 sep 2013sep­tem­ber
 kaardenbol

Deze warme en droge zomer is niet alleen gun­stig voor insecten. In ons land komen ook planten­soorten voor die hun voorkeursver­sprei­d­ings­ge­bied in droge step­pen en rond de Mid­del­landse zee hebben. Een daar­van is de Kaar­den­bol. Er bestaan 3 soorten kaar­den­bol, de bek­end­ste is de Grote Kaar­den­bol met gekartelde gave bladeren, dan is er de slib­bladige Kaar­den­bol met diep ingesne­den bladeren en de kleine kaar­den­bol. Dat kleine slaat niet op de plant, want net als de andere fam­i­liele­den kan deze plant 3 m hoog wor­den. Klein slaat op de bloemhoofd­jes, die 510 maal kleiner zijn dan die van de beide andere soorten. De kleine kaar­den­bol heeft een voorkeur voor bossen in de half­schaduw. De beide andere soorten tore­nen hoog uit boven andere planten in wei­des. En dit jaar zijn ze bij­zon­der hoog. De kaar­den­bol is een twee­jarige plant. Het eerste jaar maakt hij een bladrozet, waarmee hij ander planten in de omgev­ing aan de kant duwt en in het 2e jaar schiet hij de hoogte in.

Bij­zon­der

Dat het een soort van droge voorkeur­som­standighe­den is, kun je aan de grote en slib­bladige kaar­den­bol zien aan de blad­vorm: blad­paren vor­men een kom waarin wel een halve liter regen­wa­ter verza­meld kan wor­den. Deze water­bron wordt door vele insecten en kleine dieren gebruikt. De ste­vige stekels aan blad, sten­gel en bloem zijn een 2e indi­catie. De grote kaar­den­bol is een wet­telijk bescher­mde rode lijstsoort.

De bloei­wi­jze bestaat uit een rand van zeer veel nec­tar pro­duc­erende bloe­men die in een ring van onder maar boven tot ontwik­kel­ing komen. De naam kaar­den­bol komt van het woord kaar­den. Dat woord is redelijk bek­end van het ontk­lit­ten van wol. Echter daar is de bloei­wi­jze niet sterk genoeg voor. Kaar­den heeft ook een min­der bek­ende betekeni, nl het ruwen van wol, waar­voor de bloei­wi­jzen wel gebruikt werden.

Waar

In de Haar­lem­mer­meer wor­den kaar­den­bollen op ver­schil­lende plekken aangetrof­fen: o.a. in De Heiman­shof, langs het insecten­pad, in het Haar­lem­mer­meerse Bos en in de Fruittuinen.

 zwavelzwampad­den­stoe­lenZwavelzwam31 aug 2013augus­tus
 zwavelzwam

Zwavelzwam

Omdat we als MEER­Groen het Wan­del­bos in Hoofd­dorp in beheer hebben kom ik er elke week. Alle oor­spronke­lijke bomen in het bos zijn inmid­dels 100 jaar oud. Maar elke boom­soort heeft zijn eigen groeis­nel­heid. Veni­jn­bomen zijn nu 1 m in omtrek en mid­den in het wan­del­bos aan de vijver staat een Wilg van ruim 5 m omtrek. Op deze wilg ver­scheen deze week een grote heldergele pad­den­stoel, die bij nadere studie een zwavelzwam bleek te zijn. De pad­den­stoel ruikt niet naar zwavel, maar is helder zwavel geel.

Bij­zon­der

Het is geen zeldzame soort. Wel is het leuk de ontwik­kel­ing van dit exem­plaar te vol­gen, want in een paar weken kan een zwavelzwam meer dan 10 kilo zwaar wor­den. Zolang de zwam jong is en groeit, is het een van de meest smake­lijke soorten. Het jonge vruchtvlees is wit en sap­pig. Oude exem­plaren zijn taai. Deze pad­den­stoel heeft geen lamellen of buis­jes, in plaats daar­van is de heldergele onderkant bedekt met kleine poriën waar de vrucht­bare vloeistof uit lekt. In Enge­land heet hij ‘Chicken of the woods’ en hij schi­jnt ook echt naar kip te smaken. Het enige prob­leem is, dat je er aller­gisch voor kunt zijn. Dus laat hem maar hangen.

Voor de boom is de zwavelzwam geen onverdeeld genoe­gen. Wan­neer een boom wordt aangevallen door de zwam, ontstaat rode rot, een schim­mel, waar­door het har­thout van de boom krimpt en boven­dien roodachtig bruin verkleurt. De stam van de boom wordt langza­mer­hand steeds verder uit­ge­hold. Op ter­mijn gaat de tak of de boom er dood aan. Het heeft geen zin de tak af te zagen. De schim­mel­draden zit­ten door de hele boom. De schim­mel hoeft trouwens niet elk jaar een vruchtlichaam te produceren.

Waar

De zwavelzwam is een par­a­sitaire schim­mel van veel soorten loof­bomen in de zomer en de vroege herfst. Wilgen, pop­ulieren en eiken zijn vaak waard­bomen, maar op tien­tallen andere loof­boom­soorten is de zwam aangetrof­fen en in grote delen van de wereld.

 oranje_luzernevlindervlin­dersOranje Luzernevlin­der25 aug 2013augus­tus
 oranje_luzernevlinder

Vorige week was het onder­w­erp de dis­telvlin­der; een trekvlin­der die dankzij het mooie weer in grote aan­tallen van Afrika naar onze steken was afgereisd.

Deze week meldde zich een ander soort die waarschi­jn­lijk ook van­wege dezelfde omstandighe­den een invasie pleegt. Nu is invasie een groot woord. Er zullen niet tien­tallen vlin­ders tegen uw autoruit te plet­ter vliegen per rit.

De Oranje Luzernevlin­der heeft als rups een voorkeur voor vlin­derbloemi­gen zoals de luzerne, rode klaver, rolklaver e.d.

Mijn hele leven heb ik er geen gezien, hoewel ze elk jaar wel eens waargenomen wor­den. Maar deze week zag ik ze op 4 plaat­sen: De Heiman­shof, de rolklaver rijke bermen van de N201 bij het Haar­lem­mer­meerse Bos, in het Groen Carré en net buiten de Haar­lem­mer­meer in de natu­ur­speelplaats Meer­mond, die sinds deze zomer door Meer­groen voor de gemeente Heem­st­ede in beheer is genomen.

Bij­zon­der

De Oranje Luzerne vlin­der is ver­want aan de kool­wit­jes, maar heeft een lich­toranje kleur. Er bestaat ook een Gele Luzerne vlin­der. Tot de 60-​er jaren wer­den er lan­delijk regel­matig duizen­den exem­plaren waargenomen. Tot begin deze eeuw ging dat achteruit tot 10001500. Sinds de eeuwwis­sel­ing nemen de aan­tallen weer toe. De oranje luzernevlin­der is een zeer mobiele vlin­der die tot de trekvlin­ders wordt gerek­end en zeer grote afs­tanden kan afleggen. Ze trekken afzon­der­lijk of in kleine groep­jes en vol­gen kanalen, riv­ieren, dijken en de kustlijn ter oriëntatie. In het najaar trekt de soort zuid­waarts. In de herfst is het in de Pyreneeën de tal­rijk­ste vlin­der die zuid­waarts trekt. In Ned­er­land zijn echter weinig waarne­min­gen van zo′n terugtrek bekend.

Waar

De oranje luzernevlin­der is een trekvlin­der die ieder voor­jaar vanuit Zuid-​Europa en Noord-​Afrika naar het noor­den vliegt. De eerste vlin­ders arriv­eren in mei en juni in ons land. De vol­gende gen­er­aties vliegen van begin augustus-​eind okto­ber, aange­vuld met nieuwe immi­granten. In Zuid-​Europa vliegt deze soort in 46 generaties.

 distelvlindervlin­dersDis­telvlin­der19 aug 2013augus­tus
 distelvlinder

Vorige week was het nationale tuin­vlin­dertelling. De plan­ning daar­van had niet beter kun­nen zijn na 45 weken prachtig ‘insecten’ weer. In geen 10 jaar tijd had ik zoveel vlin­ders gezien als in deze week. In De Heiman­shof telde ik 16 soorten met in totaal ca 250 exem­plaren in een half uurtje. Per­soon­lijk was ik het meest ger­aakt door de grote aan­tallen dis­telvlin­ders die er dat week­end opdo­ken. De naam dis­telvlin­der komt van het feit dat de waard­plant voor hun rupsen vee­lal bestaat uit ver­schil­lende soorten dis­tels, zoals de akkerdis­tels, de kale jonker of de speerdis­tel. Maar de rupsen eten ook van klis­sen, brand­ne­tels of zon­nebloe­men. Ook als nec­tar plant zijn dis­tels geliefd.

Bij­zon­der

Er zijn, zoals altijd, aller­lei strategieën die vlin­ders gebruiken om te over­leven. Som­mige vlin­ders zoals het Icarus­blauwtje bli­jven altijd dicht­bij de plek waar hij als rups geboren wordt. Dat zijn stand­vlin­ders. Een heel ander strate­gie wordt gevolgd door de trekvlin­ders. De dis­telvlin­der is daar­van een voor­beeld, net als de Ata­lanta of de kolibrievlinder.

Waar

De meeste dis­telvlin­ders die wij in Ned­er­land zien zijn geboren in Cen­traal Afrika of Noord Afrika. Ze leggen dus voor deze kleine wezens onvoorstel­bare afs­tanden af. Daar­bij moet wel gezegd wor­den dat ze gebruik maken van de wind. Elk jaar zijn er dis­telvlin­ders, maar om de 810 jaar is er een mas­sale invasie. En dat gebeurt vaak gelijk­ti­jdig met het neerdalen van Sahara stof. De aan­tallen vlin­ders zijn vooral afhanke­lijk van jaren met veel regen­val in Afrika rond de Sahara. Dis­telvlin­ders leggen onder­weg eieren waaruit nieuwe gen­er­aties vlin­ders voortkomen tot in Noord Scan­di­navië . In de herfst gaat de trek in omge­keerde richt­ing, ook geholpen door gun­stige winden. Maar vele vlin­ders vin­den de weg niet tijdig terug en komen om. Over­win­teren kun­nen ze bij ons niet. Alleen de vlin­ders die in Noord of Cen­traal Afrika terugkomen zor­gen voor een nieuwe gen­er­atie voor het vol­gende jaar.

 metselwesp2insectenTweepunt-​deukmetselwesp (2)12 aug 2013augus­tus
 metselwesp2

 metselwesp2

Er zijn sluip­we­spen die leven van het leggen van eieren in blad­luizen en sluip­we­spen die eieren leggen in ander sluip­we­spen soorten. Verder zijn er graafwe­spen, blad­we­spen, blad­we­spen, goud­we­spen, honger­we­spen, bron­swe­spen, gal­we­spen en ga zo maar door.

Met­sel­we­spen zijn soli­taire wespen­soorten die hun prooien in een hol­letje prop­pen en er een eitje bij leggen en dan hun jong bescher­men door de ingang met klei of leem af te sluiten. Het nest wordt met een mengsel uit klei en enkele tot 1 mm grote zand­ko­r­relt­jes dicht­ge­plakt. Het duurt 12 dagen tot het gat dicht is. (Zie foto).

Aan de grootte van de nestopen­ing en de afs­luit­ing van het nest, kan men veel bewon­ers herkennen.

Drie soorten hebben een grote nestin­gang, maar ver­schillen in de afsluiting:

- De tweepunt-​deukmetselwesp doet veel moeite om de afs­luit­ing van het nest heel glad te maken.

- De Rosse met­sel­bij doet dat met min­der zorg en maakt een ruw klei opper­vlak als nestafsluiting.

- De Wormkruidz­i­jde­bij maakt uit speek­sel een cellofaan-​achtige stof voor de nestafsluiting.

De Tronken­bij heeft kleine nestin­gan­gen met een bij­zon­dere afs­luit­ing: Als enige dier­soort kan dit bijtje naald­boomhars met speek­sel vloeibaar maken. Zij sluit het nest met een men­gel uit veel naald­boomhars, enkele kleine schelpdeelt­jes en zeer kleine zand­ko­r­relt­jes af.

De tweepunt-​deukmetselwesp wordt zelf ook weer belaagd door een andere soort wesp. En wel door m.i. het mooiste insect van Ned­er­land: de goud­wesp (foto). Dit zijn zoge­naamde koekoek­swe­spen. Als het vrouwtje van hun prooi­dier op jacht is, leggen ze snel hun eitje in het hol­letje. Dat eitje komt eerder uit dan de larve van de met­sel­wesp, peuzelt die op en leeft dan verder op de voed­selvoor­raad die voor dat andere jong was aangelegd.

Waar

De muur­we­spen hebben tien­tallen hol­let­jes in het insecten­ho­tel aan het verenig­ings­ge­bouw van De Heiman­shof in bezit genomen. Het is een vrij algemene soort in Noord– en Midden-​Europa.

 metselwesp1insectenTweepunt-​deukmetselwesp (1)5 aug 2013augus­tus
 metselwesp1

Tot een week of wat gele­den was het weer relatief koud en nat. Echt ‘slakken’ weer. Op de akkers en de tuin­t­jes in De Heiman­shof hebben we tien­duizen­den vooral naak­t­slakken ger­aapt en afgevo­erd en des­on­danks wer­den de meeste kiem­planten weggevreten voor ze vol­wassen wer­den. Maar de laat­ste weken hebben veel goed gemaakt.

Het is nu echt insecten­weer en op en rond de insecten­ho­tels in de tuin kri­oelt het van de soli­taire bijen en wespen. Deze week telde ik op een moment tien­tallen 34 mm grote tronken bijt­jes, vele rosse met­sel­bi­jen, 10 blad­sni­jder­s­bi­jen met de onver­mi­jdelijke rovers die daarop af komen, 5 goud­we­spen, 4 honger­we­spen, en nog een stuk of 20 zenuwachtig rond­vliegende en ondefinieer­bare sluipwespensoorten.

Een ander insecten­ho­tel werd mas­saal bezocht door met­sel­we­spen. Van deze soort had­den we er nog nooit zoveel gezien. Het was de tweepunt-​deukmetselwesp (Sym­mor­phus bifas­cia­tus; zie foto). (Met duizen­den soorten om te benoe­men krijg je dit soort ingewikkelde namen).

Deze soort is gespe­cialiseerd in het van­gen van blad­haan­t­jes, zoals het blauwe wilgen­haan­tje en het veelk­leurig wilgen haan­tje, waar­van met name de 2e veel in De Heiman­shof voorkomt.

Bijen en wespen zijn nauw ver­want. Het ver­schil tussen beide groepen is dat bijen stu­ifmeel als eiwit­bron voor hun lar­ven gebruiken en wespen hun jon­gen groot bren­gen op dier­lijke prooien.

Er zijn in Ned­er­land ca 350 soorten bijen bek­end, maar er zijn duizen­den wespensoorten.

Wespen vervullen in de insecten­wereld de rol van wol­ven, leeuwen en marters bij de zoogdieren: het zijn rovers die het aan­tal ’veg­e­tarische’ soorten beja­gen en zo de natuur in bal­ans houden. En zo hebben wespen zich op duizen­den manieren gespe­cialiseerd om andere insecten te van­gen. De meeste wespen soorten zijn sluip­we­spen, waar we in tegen­stelling tot de ‘limon­ade’ wesp nooit iets van zien of last van hebben.

Met dank aan Pro­fes­sor Ernst die met insecten­weer dagelijks in De Heiman­shof is voor infor­matie en foto’s.

 rosse_woelmuiskleine dierenRosse woel­muis7 jul 2013juli
 rosse_woelmuis

Er bestaan een 20-​tal muizen­soorten in Ned­er­land, die alle­maal een ver­bor­gen leven lei­den omdat ze zwaar bejaagd wor­den door roofdieren en de mens. Het meest komen we de huis­muis tegen. Het is een van de ‘ware’ muizen soorten, d.w.z. hij heeft net als de mensen knobbelkiezen,is een alle­seter en heeft grote afs­taande oren, een lange staart, net als de bru­ine en de zwarte rat, de bosmuis en de dwergmuis. Veel algemener zijn de woel­muizen. Dat merk je pas als je braak­ballen uit­pluist van uilen. De veld­muis is daar­van het meest alge­meen. In een ha weg­berm kun­nen er wel 1000 leven. Woel­muizen zijn net als koeien vegetariërs, die maalkiezen hebben om gras en zaad­jes fijn te malen en korte platte oren en korte staarten. Waar de veld­muis in wei­den en akkers leeft, leeft de rosse woel­muis in dicht begroeide bosjes. Hij heet zo omdat hij een rossige gloed in zijn vacht heeft (zie foto). Afhanke­lijk van het seizoen en het voed­se­laan­bod leven er 5100 dieren/​ha. De rosse woel­muis wordt gemid­deld 3 maan­den, max­i­maal 18 maan­den en tot 40 maan­den in gevangenschap.

Bij­zon­der

Rosse woel­muizen eten zachte zaden, vruchten, bladeren, kruiden en boom­schors (tot op 5 m. hoogte), aange­vuld met pad­den­stoe­len, mossen, wor­tels, knop­pen en gras, en ook insecten, wor­men en slakken. In noordelijke streken leggen ze voed­selvoor­raden aan. Ze houden geen win­ter­slaap. De rosse woel­muis maakt gebruik van routes door het kre­upel­hout, ondiepe onder­grondse gan­gen en vol­doende dichte onder­groei. Hij graaft min­der dan andere woel­muizen maar legt toch gan­gen aan.

Waar

In grote delen van Europa komen rosse woel­muizen voor, behalve in het uiter­ste zuiden. Ze leven vooral in loof­wouden en stru­ikge­was, maar ook in gebieden met hoge grassen en kruiden en in een park­land­schap. Deze soort was tot op heden niet uit de Haar­lem­mer­meer bek­end, maar werd afgelopen week in De Heiman­shof aangetrof­fen. In Ned­er­land zijn ze aan te tre­f­fen op hogere gron­den, in stru­ikge­was, bos en plaat­sen met veel vegetatie.

 ratelaarplantenRate­laar30 jun 2013juni
 ratelaar

De natuur staat volop in bloei: Daarom was het afgelopen week­end ′open week­end′ van De Heiman­shof en een ′werk– en geni­etdag′ in de Houtwijk­erveld­wijk­tuin. Ook de akkerkruiden zoals als klaprozen, koren­bloe­men, bolderiken, kamille, reuk­loze kamille en vele andere soorten die we afgelopen win­ter weer hebben bijgeza­aid rond de IJtocht in Over­bos en Flo­riande zijn zeer de moeite waard om de komende week even langs te fiet­sen. In deze bloe­men­zones viel de gestage toe­name van een geel bloeiende soort op: De grote rate­laar. Deze plant heet zo omdat zijn rijpe zaden een ram­me­lend geluid maken in hun kelk­bladen. Er zijn 3 soorten rate­laars in de polder. De grote rate­laar is het meest alge­meen. De harige en de kleine rate­laar komen op een paar plekken voor.

Bij­zon­der

Rate­laars zijn half­parasi­eten. D.w.z. ze kun­nen groeien op zon­licht, maar hebben ook een geheim wapen. Hun wor­tels drin­gen het wor­tel­s­telsel van andere planten en m.n. grassen bin­nen en die zuigen die leeg. Om die reden wordt de dichtheid van grassen om plekken met veel rate­laar een stuk min­der dicht en bij veel ecol­o­gisch beherende ter­rein eigenaren is de rate­laar daarom een bij­zon­der gewen­ste ’indringer’.

Waar

Rate­laars houden van niet al te voed­sel­rijke grond, die bij voorkeur ook een beetje vochtig moet zijn. Deze con­di­ties komen vaak overeen met plekken waar ook rietorchissen en moeraswe­spenorchissen voorkomen. Rate­laars doen het goed in de Haar­lem­mer­meer en ze hand­haven zich ook lang. Door de Heiman­shof uit­geza­aide planten hand­haven zich al 20 jaar bij het Kai Munk col­lege aan de Geniedijk. Langs de IJtocht aan de Over­bos kant op een laaggele­gen zone onder de Hoogspan­nings­mas­ten is de soort explosief toegenomen. Ook in de Fruit­tuinen, bij kinder­boerderij de Boeren­zwaluw en in de Orchideeënweide van het Groene Carré zuid staat de soort. Deze geel­bloeiende soort is een aan­winst voor de polder die het waard is elders ook ver­spreid te wor­den. Infor­matie hierover kan bij De Heiman­shof inge­won­nen worden.

 glanshaverplantenGlan­shaver22 jun 2013juni
 glanshaver

Vorige week was de lang­ste dag en daarmee was het begin van de zomer een mete­o­rol­o­gisch feit. Met alle koude weken van dit voor­jaar is het ecol­o­gisch nog niet zo ver. Ook het voor­jaar begon dit jaar niet op 21 maart maar pas rond 10 april. Dat was namelijk het moment dat de hon­derd duizen­den Tjift­jaf­jes die in Zuid– Europa en Noord-​Afrika over­win­terd had­den, zich weer in elke tuin meld­den. Voor mij is dat het echte begin van de lente (dat in veel jaren wel samen­valt met 21 maart) net zoals het rijp en geel wor­den van de glan­shaver voor mij het echte begin van de zomer is.

Bij­zon­der

Glan­shaver is een hoog tot zeer hoog gras dat van rijke klei en leem­bodems houdt. Wellicht is het leuk om eens op te let­ten als u over de N201 (rondweg Hoofd­dorp) rijdt van de A4 naar het zieken­huis. De bermen van de A4 tot de brandweer zijn van het ’rijke’ type. In die bermen domineren dicht op elkaar staande 11.5 m hoge grassen zoals glan­shaver en kropaar, ter­wijl van de brandweer tot het zieken­huis de grond arm en zandig is. Daar zijn de grassen max­i­maal een halve meter hoog en staan ver uit elkaar met daar­tussen fel groene vlin­derbloemi­gen zoals rolklaver, die hun eigen ‘kun­stmest’ aan­maken. In de komende weken voltooit glan­shaver (vroeger heette deze soort Frans raaigras) zijn lev­en­scy­clus. Op dit moment bloeit de soort en bin­nen 23 weken wordt zaad gevormd en wordt deze soort geel. Met zijn 11.5 m steekt deze soort boven alle kruiden en andere gewassen uit en dom­i­neert als zij geel wordt het visuele beeld. Let u maar eens op. Jam­mer genoeg wor­den vele bermen mas­saal gemaaid, zodat u dit ver­schi­jnsel niet kunt waarne­men. maar er bli­jven altijd genoeg bermen over voor de oplet­tende waarne­mer. En in De Heiman­shof kunt u het altijd komen ervaren (hoewel we ook daar deze hoge grassen in veel biotopen met de hand verwijderen)

Waar

Glan­shaver is een alge­meen gras van rijke en matig voed­sel­rijke bodems in heel Europa, Noord-​Afrika en Noord-​Amerika.

 klaproos2.plantenKlaproos (2) 16 jun 2013juni
 klaproos2.

Er bestaat geen onkruid: Elke plant heeft wel een voed­ingswaarde, een med­i­c­i­nale waarde of een essentiële rol in een ecosys­teem. Alle klaproos­soorten bevat­ten bv een melk­sap met een opwekkende of rust­gevende werk­ing, al naar gelang de dosis. Als dit sap inge­droogd is en verza­meld wordt, heet dit opium. Alleen de ene soort en variëteit bevat er veel meer van dan een andere. In Ned­er­land ver­bouwen we naast de wilde klaproos de slaap­bol, die niet hon­der­den maar duizen­den zaad­jes per bloem pro­duceert (foto). En klaproos zaad­jes zijn niets anders dan maan­zaad. Een andere variëteit van dezelfde slaap­bol­soort die in Afghanistan wordt gebruikt, pro­duceert veel sap waar daar opium van wordt gewon­nen. Ook van de slaap­bol en de wilde klaproos kan dit gewon­nen wor­den (inzet). Alleen kost het nog 1001000 keer zoveel moeite als het in Afghanistan al kost. Maar het is wel leuk om met kinderen in hun groen­te­tuin het principe uit te legen en ze het intens bit­tere sap te laten proeven. Dan zijn ze meteen genezen van mogelijk onge­zonde intenties.

Alle klaprozen hebben een inge­nieus zaadsys­teem. De zaad­dozen hebben deurt­jes die pas open gaan als de zaad­jes rijp zijn. En verder is elk zaadje voorzien van een suik­erko­r­reltje: Om dat ‘mieren­broodje’ slepen insecten vele meters met die zaadjes.

Waar

Klaprozen zijn pio­nier­soorten van tijdelijk kale gron­den. Zowel op rijke als op arme gron­den komen ze voor. Indien niet door kun­st­matig ploe­gen en/​of frezen de kale akkerom­standighe­den elk jaar opnieuw wor­den gecreëerd is in het tweede seizoen al 80% van de exem­plaren weg en na 2 jaar vri­jwel alles. En dat doen we daarom elk jaar in onze akkerkruiden wei­den in Over­bos, Flo­riande, Houtwijk­erveld en De Heiman­shof. De komende weken loont het de moeite om daar eens langs te fiet­sen en te wan­de­len, naast de klaprozen bloeien er nog 1020 andere soorten uit­bundig: eigen aan hun pio­niers­bestaan. De slaap­bol is een gek­weekte klaproos die ook op akkers in de Haar­lem­mer­meer wordt verbouwd.