Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Lentek­lokje

op .

Hoewel het nog win­ter zou moeten zijn, is het in de natuur al volop voor­jaar. De vroege sneeuwk­lok is zelfs al uit­ge­bloeid en is bezig zaad te maken, de gewone sneeuwk­lokken bloeien mas­saal, net als de en afgelopen week zijn ook de wilde en de groot­bloemige krokussen mas­saal in bloei gegaan. Al deze soorten zijn wel bek­end en maken het een lust voor het oog om naar buiten te gaan. Maar er zijn nog veel meer soorten die nu in bloei komen en die de moeite van het ont­dekken waard zijn. Een daar­van is een van mijn favori­eten: het lentek­lokje. Hoewel de soort offi­cieel ver­want is aan de nar­cis, doet hij een aan een grote sneeuwk­lok denken. Z’n bladeren zijn niet blauw­groen zoals bij de meeste sneeuwk­lok­jes, maar donker­groen en z’n bloem is niet zo samenge­drukt lang­w­er­pig maar staat breed uit (foto). Ook het lentek­lokje is een stin­sen­plant die uit een bol­letje groeit waar­door hij op reserve stof­fen kan teren en min­der van de warmte van de zon afhanke­lijk is om te groeien.

Bij­zon­der
Het lentek­lokje heeft 1 ver­wante soort: het zomerk­lokje wat in mei bloeit en graag heel vochtig staat. Het is bijna een moeras­plant. Het lentek­lokje wordt 2030 cm hoog en heeft 1 bloem per bloeis­ten­gel, max­i­maal 2 en het zomerk­lokje kan wel 60 cm hoog wor­den en heeft ver­schil­lende bloe­men per bloeis­ten­gel. Hoewel het lentek­lokje heet, bloeit deze soort in de win­ter in feb­ru­ari. Z’n bloem is fraai en bestaat uit 6 bloem­bladen, waar­van er 3 eigen­lijk kelk­bladen zijn, maar die zijn niet van de kroon­bladen te onder­schei­den. En elke bloem­blad heeft een maan­vormige groene vlek.

Waar
Het lentek­lokje groeit in de strooisel­laag van bossen en het liefst op voed­sel­rijke en iet­wat vochtige plekken. Oor­spronke­lijk kwam het ook in Ned­er­land als wilde soort voor, maar dat is al lang verleden tijd. Maar als stin­sen­plant in land­goed­eren en in natu­ur­tu­inen is hij hier en daar wel te vin­den. In de Heiman­shof bloeit hij op dit moment mas­saal.
In Mid­den Europa komt de soort nog wel in het wild voor.

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 8 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 waternetjeplantenWater­netje13 nov 2013novem­ber
 waternetje

Zowel in de Toolen­burgse plas als in het meer van het Haar­lem­mer­meerse bos is het water vrij helder en diep. Daar­door wor­den deze meren druk bezocht door toen­e­mende aan­tallen duik­liefheb­bers. En onder water zijn er natu­urlijk weer intrigerende flora en fauna zaken te ont­dekken. Onlangs stuitte een van de duik­ers tussen 27 m diepte op netvormige wolken bestaande uit groene bol­let­jes. Deze bol­let­jes bestaan uit netvormige struc­turen van 530 mm groot (foto). De netvormige struc­tuur van het water­netje is een kolonie, bestaande uit meerdere cellen. Een vol­groeid netje kan een paar cm groot worden.

De groei van water­net­jes wordt door hogere tem­per­a­turen ver­sterkt. De kli­maat veran­der­ing heeft veroorza­akt dat water­net­jes zich op som­mige plekken tot een plaag kun­nen ontwikkelen.

Het is in de zomer veel aan­wezig, maar sterft af als het water kouder wordt. Het water­netje over­leeft de win­ter door dik­wandige sporen te maken die naar de bodem zakken.

Bij­zon­der

Een jong netje ontstaat al bin­nen een vol­wassen cel. Elk bol­letje ontstaat uit één zich opde­lende cel bin­nen een moed­er­cel. Dit wor­den sporen die zich met zweep­draden bin­nen de moed­er­cel kun­nen bewe­gen. Al voor het uiteen­vallen van de moed­ercel­wand ver­liezen deze sporen hun zweep­draden en groeperen ze zich in de vorm van een nieuw jong netje. Door het strekken van de cellen groeit het nieuwe netje verder.

Waar

Water­netje is een groen­wier, waar­van in (Mid­den– en West-​) Europa 1 en in de wereld 5 soorten bestaan. De foto is gemaakt in het meer van het Haar­lem­mer­meerse Bos waar deze algen voorkomen op 27 m diepte. Het water­netje is bek­end uit voed­sel­rijke, vooral stik­stofrijke wateren, sloten en plassen. Het kan ook in het kust­ge­bied in water met een hoog zout­ge­halte voorkomen.

 Kruisspin4Urntjesspinnendoder1insectenkruis­spin (4)13 nov 2013novem­ber
 Kruisspin4Urntjesspinnendoder1

 Kruisspin4Urntjesspinnendoder1

Bij ver­stor­ing begint de spin hevig heen en weer te schud­den in haar web. Bij ern­stige ver­stor­ing laat de spin zich lood­recht naar bene­den vallen waar­bij het lichaam met een spin­draad wordt geankerd. De spin houdt zich op de bodem een tijdje schi­jn­dood. Na enige tijd klimt de spin hier­aan weer naar boven. Kruis­spin­nen hebben gifkaken maar gebruiken deze alleen om op prooien te jagen en niet om vijan­den af te weren. Alleen als een spin tussen de vingers wordt vast­gek­lemd zal deze in het uiter­ste geval bijten. Dit voel je wel maar is niet gevaarlijk.

De groot­ste vijand van de spin­nen is het kli­maat. Ze lij­den vooral onder droogte en zware regen­val. Ook de mens is een belan­grijke vijand, omdat deze spin­nen doodt en hun web vernielt.

De spin­nen moeten ook oplet­ten voor som­mige sluip­we­spen zoals spin­nen­do­ders, die de spin ver­lam­men en naar het nest bren­gen. Alle spin­nen­do­ders behoren tot wes­pachti­gen, zoals graafwe­spen. Er zin wereld­wijd bijna 5000 soorten bek­end. In Ned­er­land komen ongeveer 65 soorten voor (foto′s Urn­t­jesspin­nen­do­der). De ver­lamde spin wordt in een hol­letje gebracht en er wordt een ei bij afgezet. Als de larve van de sluip­wesp uit het ei kruipt wordt de kruis­spin lev­end en van bin­nenuit opgegeten.

Waar

De kruis­spin bouwt haar web op open plekken tussen lage boom­takken of in stru­iken, die van de wind zijn afgeschermd. Het web wordt gemakke­lijk door regen en wind vernield, waar­door de kruis­spin alleen voorkomt op beschutte plaat­sen. Tuinen zijn voor de kruis­spin ideaal, omdat deze vaak hogere begroei­ing bevat­ten en relatief goed zijn afgeschermd van felle zon en van wind. De kruis­spin heeft een vochtige leefomgev­ing nodig en kan slecht tegen droogte en komt vooral voor in laaglan­den. Een andere weer­som­standigheid waar de spin onder lijdt is hevige regen­val. De kruis­spin komt in grote delen van Europa en delen van Noord-​Amerika. In Europa komt de kruis­spin voor van noordelijk Scan­di­navië tot in lan­den aan de Mid­del­landse Zee.

 kruisspinmetprooiinsectenKruis­spin (3)20 okt 2013okto­ber
 kruisspinmetprooi

De kruis­spin is een groot deel van het leven bezig met het bouwen van een web. Het web is vergelijk­baar met dat van andere wiel­web­spin­nen. Deze spin­nen­fam­i­lie bouwt een vierkant frame met een spi­raalvormige vang­draad in het mid­den. Deze wordt onder­s­te­und door een aan­tal draden die van het frame naar het mid­den van het web lopen waar­door ze doen denken aan spaken. Het web in zijn geheel lijkt hier­door op een fietswiel waaraan de naam van de spin­nen te danken is.

Het web raakt gemakke­lijk beschadigd en snel vervuild. Boven­dien dro­gen de draden snel uit, zodat het web iedere dag ver­van­gen moet wor­den. Dit duurt ongeveer 20 minuten. Ook na iedere vangst moet het web gere­pa­reerd wor­den, omdat een sparte­lend prooi­dier het web beschadigt. De kruis­spin bouwt het web op enige hoogte boven de bodem in stru­iken en lagere takken van bomen.

Het web is bedoeld om kleine en grotere vliegende insecten te van­gen. Bek­ende prooien zijn vliegen en muggen, wespen en bijen maar ook grotere insecten zoals vlin­ders wor­den gegeten. Heel kleine prooien, zoals blad­luizen, wor­den genegeerd. Zodra een prooi het web invliegt, wordt de spin gealarmeerd door de trillin­gen in de zoge­naamde sig­naal­draden. De spin wikkelt deze snel in een spin­sel­pakket (foto). Pas daarna wordt een beet toege­di­end die de prooi ver­lamt. De ingepakte prooi wordt dan uit het web gehaald en in een schuilplaats opgegeten. In de zomer van het tweede lev­en­s­jaar zijn de wijf­jes zo groot dat ze een web van ongeveer 60 cm doorsnede maken. Vooral bij vochtige weer­som­standighe­den zijn de webben duidelijk te zien door­dat ze bedekt zijn met dauw­drup­pels. Het groot­ste deel van de vol­wassen spin­nen over­leeft de eerste nachtvorst niet.

De voor­naam­ste vijan­den van de kruis­spin zijn insectene­tende vogels, die de spin uit het web plukken. Er zijn ook spin­nen­soorten die alleen op andere spin­nen jagen en hen in hun eigen web aan­vallen. Daar­naast zijn kruis­spin­nen kan­ni­balen en eten ze kleinere soortgenoten.

 kruisspinbabies1insectenKruis­spin (2)20 okt 2013okto­ber
 kruisspinbabies1

 kruisspinbabies1

De par­ing is voor een man­netje een hache­lijke zaak. De vrouwt­jes bli­jven in hun web ter­wijl de man­net­jes op zoek gaan. Hij laat weten dat hij geen prooi is door trillin­gen te maken in het web van het vrouwtje. De par­ing van spin­nen is uitwendig. Het man­netje heeft aan de mond­de­len een bal­lon­netje. Dit heeft een pipet-​achtige werk­ing zodat sperma kan wor­den opge­zo­gen en later in het vrouwelijke ges­lacht­sor­gaan kan wor­den afgegeven. De ges­lachts­de­len van het man­netje en het vrouwtje passen exact in elkaar. Als het bal­lonetje is gevuld, wordt het als een sperma­pakketje ingebracht.

Na de bevrucht­ing wordt het sperma opges­la­gen in een spe­ci­aal kamertje. Het vrouwtje heeft een eilei­der waar de eicellen wor­den bevrucht en de eieren wor­den gevormd. Hier­bij zwelt het achter­lichaam enorm op. De eit­jes wor­den afgezet in een cocon.

Het aan­tal eit­jes varieert met de grootte van het vrouwtje van enige tien­tallen tot hon­der­den. Als de cocon af is, wordt deze voorzien van pluizige spin­sel­draden ter bescherming. De cocon wordt de eerste tijd bewaakt door het vrouwtje. De cocons wor­den in de herfst afgezet op ver­bor­gen plekken in planten en zien er uit als een pluk wat­ten met in het mid­den de gelige eit­jes (foto 1). Het vrouwtje stopt met jagen en sterft korte tijd nadat haar eier­co­con is afgezet. De eieren over­win­teren; in de lente komen de jonge spin­net­jes tevoorschijn, ze hebben een ken­merk­ende gele kleur. (foto 2).

Jonge kruis­spin­nen ver­sprei­den zich als het nest wordt ver­sto­ord, om enige tijd later weer samen te komen. Ze leven de eerste 710 dagen van het voed­sel in hun dooier. Daarna klim­men ze zo hoog mogelijk in een plant en spin­nen een lange draad. Deze draad wordt door de wind opgepakt en neemt de jonge spin mee de lucht in. Zo ver­sprei­den de kleine spin­net­jes zich door de lucht en kun­nen ze hon­der­den meters of kilo­me­ters verder terechtkomen. Spin­nen zijn hier­door vaak de eerste kolonisatoren van nieuwe geïsoleerde (bv vulka­nis­che) eilanden.

 kruisspin1insectenKruis­spin (1)7 okt 2013okto­ber
 kruisspin1

De kruis­spin is in tegen­stelling tot veel andere spin­nen geen schuwe soort, maar een­tje die vaak mid­den in het web zit en moeil­ijk over het hoofd is te zien.

De naam is te danken aan de op een kruis gelijk­end patroon op het achter­lijf (foto).

Bij spin­nen zien man­net­jes en vrouwt­jes er totaal anders uit. Vrouwt­jes wor­den 1217 mm, exclusief poten, ter­wijl man­net­jes ongeveer 510 mm wor­den. Als spin­nen nog jong zijn, ver­schillen de man­net­jes en wijf­jes niet veel van elkaar. Na ver­loop van tijd groeien de wijf­jes harder dan de man­net­jes. In de zomer van hun 2e lev­en­s­jaar, als de wijf­jes vol­wassen wor­den, groeien ze zeer snel. Man­net­jes hebben naar ver­houd­ing lan­gere poten maar een veel kleiner achter­lijf dan een vrouwtje. Vooral vrouwt­jes die eieren dra­gen, hebben een opval­lend dik achterlijf.

Wat direct opvalt aan de spin zijn de vier paar lange harige poten. De haart­jes dienen om trillin­gen te voe­len. Het lichaam van de spin bestaat uit het achter­lijf en het gefuseerde kop­borststuk. Een kruis­spin heeft 8 pun­to­gen: 4 aan de voorz­i­jde en 2x 2 opzij. In tegen­stelling tot insecten die samengestelde face­to­gen hebben, bestaan spin­nenogen uit een enkele struc­tuur met ieder een eigen lens.

Onder de kop bevin­den zich 2 paar kaken. De bovenkaken zijn voorzien van klauw-​achtige struc­turen en bevat­ten een gifkanaal. De spin neemt voed­sel op door eerst ver­t­er­ingss­ap­pen in de prooi te bren­gen en deze ver­vol­gens weer op te zuigen.

Zowel man­net­jes als vrouwt­jes hebben 3 paar spin­te­pels. Dit zijn de uitschei­d­ing­sor­ga­nen waarmee het spin­nen­web wordt gebouwd, maar waarmee ook prooien en eic­o­cons wor­den omwikkeld. De spin­te­pels kun­nen ver­schil­lende soorten draden pro­duc­eren; ste­vige en niet-​kleverige draden om het frame van het web te maken en de eit­jes te voorzien van een bescher­mende laag.

Aan het einde van de zomer is de kruis­spin vol­wassen. Een­maal vol­wassen maken de spin­nen veel grotere webben dan jonge spin­nen, waar­door ze goed opvallen.

 hazenpootjepad­den­stoe­lenHazen­pootje29 sep 2013sep­tem­ber
 hazenpootje

Nu we een paar weken flink regen gehad hebben en de tem­per­a­turen nog vrij hoog zijn, is aan het einde van dit groei­seizoen de ver­t­er­ing van de bio­massa die zich dit jaar gevormd heeft, volop op stoom gekomen. Er zijn daarom volop pad­den­stoe­len te vin­den. (Op 6 okto­ber is daarover om half 3 een inter­es­sante lez­ing op de Heimanshof).

Deze week bereik­ten mij een aan­tal meldin­gen van inktzwammen.

Ink­tzwammen groeien op voed­sel­rijke onder­grond. De geschubde ink­tzwam is, zolang hij wit is, een delicatesse.

De kale ink­tzwam is ook eet­baar, maar alleen als je ver van alco­hol bli­jft. Alco­hol en deze pad­den­stoel gaan bin­nen 24 uur ervoor en erna niet goed samen. Je gaat er niet dood van, maar mis­selijkheid en ander ver­schi­jnse­len maken het een prima anti-​alcoholmiddel. Geen aan­rader vooreen restau­rant dus.

De derde ink­tzwam van deze week was een fragiele beauty, die groeide op hout­snip­pers in het Wan­del­bos Hoofd­dorp. Deze pad­den­stoel heet hazen­pootje omdat de jonge nog niet uit­gevouwen hoed dicht bezet is met donzige haartjes.

Bij­zon­der

Als het pad­den­stoeltje net ver­schi­jnt, is het hoedje hoog en smal, maar wordt sti­laan breder en klokvormig, en later vlak en sti­laan komvormig en transparant(foto). Naar­mate het zwammetje ouder wordt, wordt het hoedje langzaa­maan doorschi­j­nend. De plaat­jes van het hazen­pootje zijn eerst bleek­wit, maar verkleuren naar grijs en vervloeien uitein­delijk tot een zwarte ink­tachtige vloeistof, een typ­isch ken­merk van de meeste ink­tzwammen. Het vervloeien van de plaat­jes is een inge­nieuze strate­gie waar­door de sporen efficiënter ver­spreid wor­den. Bij de meeste ink­tzwammen, waaron­der het hazen­pootje, krult het hoedje tegelijk­er­tijd op, waar­door de net afger­i­jpte sporen steeds in een opti­male posi­tie komen om door de wind of aan inecten­poten te wor­den meegevoerd.

Waar

Het hazen­pootje is een ink­tzwam die bij voorkeur groeit op dode houtresten, en die wereld­wijd te vin­den is in bossen, maar die je ook in tuinen vaak terugvindt op gehak­seld hout.

 windevedermot1vlin­dersWindeve­d­er­mot22 sep 2013sep­tem­ber
 windevedermot1

 windevedermot1

Deze week zat er op m’n raam een T-​vormige nachtvlin­der (foto). Het zoeken op ‘T-​mot’ leverde de ‘windeve­d­er­mot’ op. Deze nachtvlin­der leeft als rups op en van aller­lei soorten windes, zoals de haag­winde of de akker­winde. De haag­winde komt helaas nogal alge­meen voor. Het is ongeveer de enige soort ongewenst kruid in mijn tuinen waar ik vri­jwel geen (biol­o­gisch ver­ant­wo­ord) antwo­ord op heb. In tegen­stelling tot de veel bek­endere dagvlin­ders, waar­van er in Ned­er­land ca 50 soorten voorkomen, zijn er wel 2400 nachtvlin­der­soorten, waar­van er ca 1500 tot de microsoorten wor­den gerek­end. De Windeve­d­er­mot is een van die kleinere soorten met een span­wi­jdte van 2.53 cm.

Bij­zon­der

Er komen ca 35 soorten ved­er­mot­ten voor in Ned­er­land, die alle­maal zeer strikt afhanke­lijk zijn van een of meerdere waard­planten. De windeve­d­er­mot is een van de 4 meer algemene soorten. Ken­merk­end voor ved­er­mot­ten is dat de 2 paar vleugels die alle vlin­ders hebben, zulke diepe insni­jdin­gen hebben dat ze niet 2 x 2 maar 2 x 5 veer­vormige vleugels lijken te hebben, maar de twee gek­liefde vleugels laten in hun beweg­ing zien dat het 2 x 2 vleugels zijn (inzet foto). Daar­bij is elk ele­ment net als echte veren ook weer dwars ingesne­den. De onderkant van de gek­liefde vleugels zit vol met soort-​specifieke geurstof­fen. Ook hebben niet alle ved­er­mot­ten ingesne­den vleugels. De nauw ver­wante fam­i­lie van de Waaier­mot­ten met 2 soorten in Ned­er­land heeft nog sterker gek­liefde vleugels, 2 x 6 in voor– en achter­vleugel. Die veer­vormige vleugels zijn meestal niet te zien, omdat ze net als op de foto bij rust wor­den samengevouwen.

Waar

De windeve­d­er­mot komt overal in Europa voor waar zijn waard­planten voorkomen. Het is een soort die als vol­wassen insect over­win­tert en het hele jaar gezien kan wor­den. Deze soort wordt erg door licht aangetrokken en wordt daarom vaak op ramen aangetrof­fen. Er komen ver­schil­lende gen­er­aties per jaar voor, met een kleinere piek in het voor­jaar en een grote piek van augus­tus tot november.

 moerascipresbomenMoeras­cipres16 sep 2013sep­tem­ber
 moerascipres

Soms is het moeil­ijk om te beslis­sen of een bepaalde soort nu inheems is of niet. Vaak komt dit door dat een buiten­landse soort heel goed inburg­ert: denk bv aan de hals­band­parkiet of de Nijl­gans. Bij de moeras­cipres is het een ander ver­haal. Dit is nl een soort die als fos­siel in Ned­er­land is gevon­den en daarna verd­ween, maar in het warme zuiden van de Verenigde Staten bleef bestaan. De moeras­cipres is met de inheemse Lariks en de water­cipres een van de weinige naald­bomen die zijn naalden ‘s win­ters laat vallen. De moerassen van het zuiden van de VS zoals de Ever­glades vor­men de thuis­ba­sis van deze boom.

Bij­zon­der

De Moeras­cipres wordt 5060 m hoog en soms wel 1000 jaar oud. Daar­bij wordt zijn stam zeer breed. Bomen van 58 m omtrek zijn niet onge­bruike­lijk. Hij kan maan­den onder water staan. Daar­voor heeft de boom een aan­tal bij­zon­dere aan­passin­gen. Zo is het hout zeer rot bestendig en wordt daarom gebruikt voor dakbe­dekking, dak­goten en doo­d­skisten. Ook het wor­tel­s­telsel is zeer degelijk en zwaar uit­gevo­erd. De meest bij­zon­dere aan­pass­ing vor­men de zoge­naamde kniewor­tels. Bij een boom die regel­matig onder water staat kun­nen deze 1.5 – 2 m hoog wor­den. Met deze wor­tels kan het wor­tel­s­telsel ade­men bij lange over­stro­min­gen. Bij moeras­ci­pressen die te hoog op land geplant zijn ontwikke­len deze kniewor­tels zich niet of nauwelijks.

Waar

We hebben in de Haar­lem­mer­meer 4 moeras­ci­pressen gevon­den. 2 in het Wan­del­bos, 1 in Bad­ho­eve­dorp in de Del­laert­laan en 1 in Zwa­nen­burg in het Wan­del­park. De boom met de mooist ontwikkelde kniewor­tels van ca 30 cm hoog staat in Zwa­nen­burg (foto). De bomen wor­den in de bomen­routes (zie meer­groen web­site) ver­meld. De veel op de moeras­cipres lijk­ende water­cipres komt uit China en is een lev­end fos­siel, dat pas in 1946 werd heront­dekt. Deze soort is veel algemener aange­plant. Het een­voudig­ste ver­schil tussen de beide soorten is dat de tak­jes van de water­cipres pre­cies tegen­over elkaar ver­takken en die van de moeras­cipres niet.

 kaardenbolplantenKaar­den­bol9 sep 2013sep­tem­ber
 kaardenbol

Deze warme en droge zomer is niet alleen gun­stig voor insecten. In ons land komen ook planten­soorten voor die hun voorkeursver­sprei­d­ings­ge­bied in droge step­pen en rond de Mid­del­landse zee hebben. Een daar­van is de Kaar­den­bol. Er bestaan 3 soorten kaar­den­bol, de bek­end­ste is de Grote Kaar­den­bol met gekartelde gave bladeren, dan is er de slib­bladige Kaar­den­bol met diep ingesne­den bladeren en de kleine kaar­den­bol. Dat kleine slaat niet op de plant, want net als de andere fam­i­liele­den kan deze plant 3 m hoog wor­den. Klein slaat op de bloemhoofd­jes, die 510 maal kleiner zijn dan die van de beide andere soorten. De kleine kaar­den­bol heeft een voorkeur voor bossen in de half­schaduw. De beide andere soorten tore­nen hoog uit boven andere planten in wei­des. En dit jaar zijn ze bij­zon­der hoog. De kaar­den­bol is een twee­jarige plant. Het eerste jaar maakt hij een bladrozet, waarmee hij ander planten in de omgev­ing aan de kant duwt en in het 2e jaar schiet hij de hoogte in.

Bij­zon­der

Dat het een soort van droge voorkeur­som­standighe­den is, kun je aan de grote en slib­bladige kaar­den­bol zien aan de blad­vorm: blad­paren vor­men een kom waarin wel een halve liter regen­wa­ter verza­meld kan wor­den. Deze water­bron wordt door vele insecten en kleine dieren gebruikt. De ste­vige stekels aan blad, sten­gel en bloem zijn een 2e indi­catie. De grote kaar­den­bol is een wet­telijk bescher­mde rode lijstsoort.

De bloei­wi­jze bestaat uit een rand van zeer veel nec­tar pro­duc­erende bloe­men die in een ring van onder maar boven tot ontwik­kel­ing komen. De naam kaar­den­bol komt van het woord kaar­den. Dat woord is redelijk bek­end van het ontk­lit­ten van wol. Echter daar is de bloei­wi­jze niet sterk genoeg voor. Kaar­den heeft ook een min­der bek­ende betekeni, nl het ruwen van wol, waar­voor de bloei­wi­jzen wel gebruikt werden.

Waar

In de Haar­lem­mer­meer wor­den kaar­den­bollen op ver­schil­lende plekken aangetrof­fen: o.a. in De Heiman­shof, langs het insecten­pad, in het Haar­lem­mer­meerse Bos en in de Fruittuinen.

 zwavelzwampad­den­stoe­lenZwavelzwam31 aug 2013augus­tus
 zwavelzwam

Zwavelzwam

Omdat we als MEER­Groen het Wan­del­bos in Hoofd­dorp in beheer hebben kom ik er elke week. Alle oor­spronke­lijke bomen in het bos zijn inmid­dels 100 jaar oud. Maar elke boom­soort heeft zijn eigen groeis­nel­heid. Veni­jn­bomen zijn nu 1 m in omtrek en mid­den in het wan­del­bos aan de vijver staat een Wilg van ruim 5 m omtrek. Op deze wilg ver­scheen deze week een grote heldergele pad­den­stoel, die bij nadere studie een zwavelzwam bleek te zijn. De pad­den­stoel ruikt niet naar zwavel, maar is helder zwavel geel.

Bij­zon­der

Het is geen zeldzame soort. Wel is het leuk de ontwik­kel­ing van dit exem­plaar te vol­gen, want in een paar weken kan een zwavelzwam meer dan 10 kilo zwaar wor­den. Zolang de zwam jong is en groeit, is het een van de meest smake­lijke soorten. Het jonge vruchtvlees is wit en sap­pig. Oude exem­plaren zijn taai. Deze pad­den­stoel heeft geen lamellen of buis­jes, in plaats daar­van is de heldergele onderkant bedekt met kleine poriën waar de vrucht­bare vloeistof uit lekt. In Enge­land heet hij ‘Chicken of the woods’ en hij schi­jnt ook echt naar kip te smaken. Het enige prob­leem is, dat je er aller­gisch voor kunt zijn. Dus laat hem maar hangen.

Voor de boom is de zwavelzwam geen onverdeeld genoe­gen. Wan­neer een boom wordt aangevallen door de zwam, ontstaat rode rot, een schim­mel, waar­door het har­thout van de boom krimpt en boven­dien roodachtig bruin verkleurt. De stam van de boom wordt langza­mer­hand steeds verder uit­ge­hold. Op ter­mijn gaat de tak of de boom er dood aan. Het heeft geen zin de tak af te zagen. De schim­mel­draden zit­ten door de hele boom. De schim­mel hoeft trouwens niet elk jaar een vruchtlichaam te produceren.

Waar

De zwavelzwam is een par­a­sitaire schim­mel van veel soorten loof­bomen in de zomer en de vroege herfst. Wilgen, pop­ulieren en eiken zijn vaak waard­bomen, maar op tien­tallen andere loof­boom­soorten is de zwam aangetrof­fen en in grote delen van de wereld.

 oranje_luzernevlindervlin­dersOranje Luzernevlin­der25 aug 2013augus­tus
 oranje_luzernevlinder

Vorige week was het onder­w­erp de dis­telvlin­der; een trekvlin­der die dankzij het mooie weer in grote aan­tallen van Afrika naar onze steken was afgereisd.

Deze week meldde zich een ander soort die waarschi­jn­lijk ook van­wege dezelfde omstandighe­den een invasie pleegt. Nu is invasie een groot woord. Er zullen niet tien­tallen vlin­ders tegen uw autoruit te plet­ter vliegen per rit.

De Oranje Luzernevlin­der heeft als rups een voorkeur voor vlin­derbloemi­gen zoals de luzerne, rode klaver, rolklaver e.d.

Mijn hele leven heb ik er geen gezien, hoewel ze elk jaar wel eens waargenomen wor­den. Maar deze week zag ik ze op 4 plaat­sen: De Heiman­shof, de rolklaver rijke bermen van de N201 bij het Haar­lem­mer­meerse Bos, in het Groen Carré en net buiten de Haar­lem­mer­meer in de natu­ur­speelplaats Meer­mond, die sinds deze zomer door Meer­groen voor de gemeente Heem­st­ede in beheer is genomen.

Bij­zon­der

De Oranje Luzerne vlin­der is ver­want aan de kool­wit­jes, maar heeft een lich­toranje kleur. Er bestaat ook een Gele Luzerne vlin­der. Tot de 60-​er jaren wer­den er lan­delijk regel­matig duizen­den exem­plaren waargenomen. Tot begin deze eeuw ging dat achteruit tot 10001500. Sinds de eeuwwis­sel­ing nemen de aan­tallen weer toe. De oranje luzernevlin­der is een zeer mobiele vlin­der die tot de trekvlin­ders wordt gerek­end en zeer grote afs­tanden kan afleggen. Ze trekken afzon­der­lijk of in kleine groep­jes en vol­gen kanalen, riv­ieren, dijken en de kustlijn ter oriëntatie. In het najaar trekt de soort zuid­waarts. In de herfst is het in de Pyreneeën de tal­rijk­ste vlin­der die zuid­waarts trekt. In Ned­er­land zijn echter weinig waarne­min­gen van zo′n terugtrek bekend.

Waar

De oranje luzernevlin­der is een trekvlin­der die ieder voor­jaar vanuit Zuid-​Europa en Noord-​Afrika naar het noor­den vliegt. De eerste vlin­ders arriv­eren in mei en juni in ons land. De vol­gende gen­er­aties vliegen van begin augustus-​eind okto­ber, aange­vuld met nieuwe immi­granten. In Zuid-​Europa vliegt deze soort in 46 generaties.

 distelvlindervlin­dersDis­telvlin­der19 aug 2013augus­tus
 distelvlinder

Vorige week was het nationale tuin­vlin­dertelling. De plan­ning daar­van had niet beter kun­nen zijn na 45 weken prachtig ‘insecten’ weer. In geen 10 jaar tijd had ik zoveel vlin­ders gezien als in deze week. In De Heiman­shof telde ik 16 soorten met in totaal ca 250 exem­plaren in een half uurtje. Per­soon­lijk was ik het meest ger­aakt door de grote aan­tallen dis­telvlin­ders die er dat week­end opdo­ken. De naam dis­telvlin­der komt van het feit dat de waard­plant voor hun rupsen vee­lal bestaat uit ver­schil­lende soorten dis­tels, zoals de akkerdis­tels, de kale jonker of de speerdis­tel. Maar de rupsen eten ook van klis­sen, brand­ne­tels of zon­nebloe­men. Ook als nec­tar plant zijn dis­tels geliefd.

Bij­zon­der

Er zijn, zoals altijd, aller­lei strategieën die vlin­ders gebruiken om te over­leven. Som­mige vlin­ders zoals het Icarus­blauwtje bli­jven altijd dicht­bij de plek waar hij als rups geboren wordt. Dat zijn stand­vlin­ders. Een heel ander strate­gie wordt gevolgd door de trekvlin­ders. De dis­telvlin­der is daar­van een voor­beeld, net als de Ata­lanta of de kolibrievlinder.

Waar

De meeste dis­telvlin­ders die wij in Ned­er­land zien zijn geboren in Cen­traal Afrika of Noord Afrika. Ze leggen dus voor deze kleine wezens onvoorstel­bare afs­tanden af. Daar­bij moet wel gezegd wor­den dat ze gebruik maken van de wind. Elk jaar zijn er dis­telvlin­ders, maar om de 810 jaar is er een mas­sale invasie. En dat gebeurt vaak gelijk­ti­jdig met het neerdalen van Sahara stof. De aan­tallen vlin­ders zijn vooral afhanke­lijk van jaren met veel regen­val in Afrika rond de Sahara. Dis­telvlin­ders leggen onder­weg eieren waaruit nieuwe gen­er­aties vlin­ders voortkomen tot in Noord Scan­di­navië . In de herfst gaat de trek in omge­keerde richt­ing, ook geholpen door gun­stige winden. Maar vele vlin­ders vin­den de weg niet tijdig terug en komen om. Over­win­teren kun­nen ze bij ons niet. Alleen de vlin­ders die in Noord of Cen­traal Afrika terugkomen zor­gen voor een nieuwe gen­er­atie voor het vol­gende jaar.