Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Reuzen­schaaf­stro

op .

Schaaf­stro behoort tot de paar­den­staart­fam­i­lie. Veel mensen ken­nen een fam­i­lielid daar­van, dat heer­moes heet en dat overal in de Haar­lem­mer­meer groeit, waar zand over klei ligt. Dat is een typ­is­che sit­u­atie bij trot­toirs en in tuin­paden. Van­daar dat veel mensen er een grote hekel aan hebben. Deze paar­den­staarten wor­den vaak kat­ten­staarten genoemd, wat mij als bioloog ver­driet doet, want kat­ten­staarten zijn prachtig paars­bloeiende planten van de waterkant. Paar­den­staarten vor­men een zeer oude fam­i­lie die 250350 miljoen jaar gele­den ontstond en die in de tijd van dinosauriërs, toen er nog geen bloeiende planten en loof­bomen waren hun voor­naam­ste voed­sel vor­mde. Dat ze het tot nu toe hebben vol­ge­houden betekent dat ze een goed over­lev­ingssys­teem hebben. Bij heer­moes heb ik daarmee ken­nis gemaakt toen ik voor een kelder 4 m diep in de grond moest graven en 12 m onder het grond­wa­ter nog wor­tels tegenkwam. Ze hebben dus zo’n wor­tel reserve dat je ze nooit kunt weg wieden.

Bij­zon­der

Paar­den­staarten en dus ook schaaf­stro zijn aan zand gebon­den, omdat ze geen cel­lu­lose als ‘skelet’ maken, maar kleine kristal­let­jes van kwarts. Van schaaf­stro wordt vaak ver­meld dat het vroeger door z’n ruwe sten­gel als schu­ur­pa­pier werd gebruikt, maar dat is vol­gens mij niet terecht. Voor de komst van indus­trieel schu­ur­pa­pier ver­brandde men dit schaaf­stro en kreeg in de as zeer homo­gene kristal­let­jes, die gebruikt wer­den voor het poli­jsten van muziekin­stru­menten. Schaaf­stro en reuzen­schaaf­stro zijn zeer dec­o­ratieve paar­den­staarten die niet mis­staan in (droog) boeket­ten ( zie detail­inzet). Alle paar­den­staarten bestaan uit seg­menten die uit en weer in elkaar geschoven kun­nen wor­den.

Waar

Schaaf­stro houdt van vochtige zand­m­i­lieus zoals duin­valleien en Reuzen­schaaf­stro (foto) dat 23 m hoog kan wor­den, houdt van vochtige grond of het nu klei, zand of veen is. Op dit moment vormt het sporenkapsels, maar veg­e­tatieve voort­plant­ing via scheuren van wor­tel stokken gaat effectiever.

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 9 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 klaproos1plantenKlaproos (1)9 jun 2013juni
 klaproos1

Als deze col­umn ver­schi­jnt zijn overal de klaprozen mas­saal in bloei gegaan.

Bijv. in de 6 ha bloe­men wei­des in Over­bos, Flo­riande, Haar­lem­mer­meerse Bos, Houtwijk­erveld en het Groene Carré, die sinds 2009 door de Heiman­shof /​Stichting MEER­Groen i.s.m. de gemeente en Recre­ati­eschap Spaarn­woude ingeza­aid zijn. En natu­urlijk ook in De Heiman­shof zelf.

Er komen wereld­wijd ca 60 soorten voor, waar­van een vijf­tal in Ned­er­land. De grote klaproos is het meest bek­end is (foto). Daar­naast bestaan er ook de kleine, de ruige, de bleke en de bas­taard klaproos en de slaapbol.

In de natuur kun­nen planten en dieren alleen voortbestaan als ze onder bepaalde con­di­ties sterker zijn dan alle andere. Bij planten is een van de strategieën daar­bij of je een ‘sprinter’ of een ‘stayer’ bent.

Een stayer is een plant die langzaam maar ons­tu­it­baar groeit en iedereen er uit­drukt. Kweek­gras of het beruchte zeven­blad zijn bij uit­stek soorten met een stayeraanpak.

De klaproos is bij uit­stek een voor­beeld van de sprint­ers. De plant groeit uit een minus­cuul zaadje, vooral op (door de mens) kaal gemaakte plekken waar de con­cur­ren­tie van andere soorten is wegge­ploegd of –gefreesd. Een klaproos kan op vrucht­bare grond 1 x 1 x 1 m groot wor­den en kri­jgt daar­bij hon­der­den bloe­men die alle­maal hon­der­den zaden maken. Deze zaden kun­nen tien­tallen jaren in de grond bli­jven (omdat ze veel olie bevat­ten) om bij geschikte omstandighe­den weer in groei te exploderen.

De klaproos is mijn favori­ete voor­beeld om aan te tonen dat er geen onkruid bestaat in de natuur. Onkruid is nl. een den­i­gr­erende term vanuit menselijk nuts­denken. En elke plant die bestaat heeft net zo goed zijn plek onder de zon ver­di­end als wij mensen zelf. Dat neemt niet weg dat we in een groen­te­tu­in­tje van 1.5 bij 4 m niet 10.000 klaprozen willen. Een­tje is leuk en vrolijk en de andere 9999 zijn daarom ongewenst. Maar op een andere plek kun­nen zij wel degelijk een rol vervullen en daarom zijn zij geen onkruid. Vol­gende week verder.

 tripmadamplantenTrip­madam1 jun 2013juni
 tripmadam

Achter de intrigerende naam trip­madam schuilt een vet­plant uit het ges­lacht van de sedums of vetkruiden. Dit ges­lacht kent nog meer illus­tere leden, zoals de hemel­sleu­tel, wit vetkruid, huis­look en muurpeper. De naam trip­madam is een ver­bas­ter­ing van de Franse naam Trique­madame. Deze naam en ook de Lati­jnse naam ‘reflexum’ ref­er­eren aan het feit dat het nog niet bloeiende plan­tje een ken­merk­ende knik in het topgedeelte heeft(hoofdfoto) . Zodra trip­madam bloeit met heldergele bloe­men richt deze knikkende top zich op (inzet). Ik kwam dit plan­tje tegen op de sedum daken die in de ‘antro­posofisch’ gebouwde wijk in Toolen­burg veel voorkomen (bv Rosa Spiers straat).

Bij­zon­der

Trip­madam is een laag liggend vet­plan­tje, waar­van de opgerichte bloeis­ten­gels 3540 cm hoog kun­nen wor­den. Het is in het wild uiterst zeldzaam in Ned­er­land, omdat het een voorkeur heeft voor voed­se­larme kalkrijke stenige ter­reinen. En in ons mod­derige delta land zijn die dun geza­aid. Net als andere Sedums, zoals muurpeper, is Trip­madam eet­baar zolang het niet bloeit en dat is het groot­ste deel van het jaar, want het is een vorst­bestendige altijd groene plant die het hele jaar door­groeit. Bloeien doet het alleen tij­dens de (hele) zomer. Het wordt in salades ver­w­erkt en heeft net als muurpeper een peper­achtige smaak.

Waar

De Duitse naam rotsmuurpeper geeft aan dat trip­madam houdt van stenige voed­se­larme groeiplakken (inzet foto). Bij rijkere grond kan deze soort niet con­cur­reren tegen hoger opgaande grassen en kruiden. Ook op schrale zand­gron­den kan het een mooie grondbe­dekker zijn. Zoals reeds aangegeven wordt de soort toegepast op groene daken en in rot­s­tu­inen. Ook op De Heiman­shof kan trip­madam het hele jaar door aangetrof­fen wor­den in muurveg­e­taties en op natu­ur­muren. Het ver­sprei­d­ings­ge­bied loopt van Zuid-​Noorwegen en Ier­land tot in Rus­land en in Zuid-​Europa tot het zuiden van Italië en Griekenland.

 oeverlopervogelsOev­er­loper25 mei 2013mei
 oeverloper

Vorige week hebben we de kluut bespro­ken. Dit is een van de grotere soorten stelt­lop­ers. Deze week liep ik een aan­tal keren tegen een oev­er­loper op. Dat is een van de kleinere soorten. De oev­er­loper heet niet voor niets zo. Hij fourageert langs de oev­ers van sloten , meren en plassen. Ik zag een aan­tal langs het kanaal achter het Groene Carré en voor het eerst een achter mijn huis langs de Geniedijk in Hoofddorp.

Veel oner­varen voge­laars ver­bazen zich erover hoe een ervaren voge­laar op grote afs­tand zo tre­fzeker soorten kan herken­nen. De oev­er­loper is een soort waar­bij dat op grote afs­tand kan. Ten eerste maakt hij een zeer karak­ter­istiek ‘tjiewiewie’ geluid en verder vliegt hij altijd op een zeer ken­merk­ende manier weg: namelijk laag over het water in bocht­jes langs de oever met karak­ter­istiek laagge­houden tril­lende vleugels. Er is geen andere vogel die dit zo doet. Als je hem ergens foer­agerend aantreft, doet hij dat ook heel karak­ter­istiek, met een per­ma­nent nerveus wip­pend achterlijf.

Bij­zon­der

De oev­er­loper zoekt zijn voed­sel aan de rand van kleine mod­der­poe­len, water­plassen en meren waar hij kleine insecten uit de bodem haalt. Hij vangt soms kleine insecten uit de lucht. De oev­er­loper nestelt op de grond in de buurt van zoet­wa­ter. Als er een dreig­ing is, klim­men de jon­gen op de rug zodat ze in vei­ligheid gebracht kun­nen wor­den door­dat de moeder ze naar een andere plek vliegt.

Waar

De oev­er­loper zoekt zijn broed­seizoen altijd langs beken, riv­ieren en meren, meestal met rot­sachtige oev­ers. Op trek is hij op veel plekken aan te tre­f­fen. De oev­er­loper broedt vooral in Scan­di­navië en Oost-​Europa en slechts bij hoge uit­zon­der­ing in Ned­er­land. Op weg naar het over­win­terge­bied rond het Mid­del­landse zee gebied trekken veel vogels door Ned­er­land, een klein aan­tal vogels bli­jft in Ned­er­land over­win­teren. In de Haar­lem­mer­meer is de soort regel­matig aan te tre­f­fen langs sloten en vaarten met ondiepe oev­ers zoals langs het Groene Carré Zuid.

 kluutvogelsKluut19 mei 2013mei
 kluut

Stelt­lop­ers zijn vogels met relatief lange poten en lange snavels die als voorkeurs leefge­bied (vochtige) wei­lan­den, slikken en wad­den hebben. Er zijn tien­tallen soorten stelt­lop­ers. Een aan­tal soorten zijn ook in onze polder regel­matig te zien, zoals de kievit en de scholek­ster. Onze Haar­lem­mer­meerse klei is voor de meeste soorten echter meestal te hard om er hun voed­sel te kun­nen vin­den. Toch trekken er veel soorten door met name in het voor­jaar en nazomer. En in bepaalde spe­ciale ter­reinen bli­jven ze nog wel eens hangen en broe­den. Zo ligt er vlak bij de A4 op het Groene Carré Zuid een ondiepe plas, waar vogels met lange poten net kun­nen waden. Op die plek zit­ten elk jaar groepen kluten, die op de eiland­jes waar mogelijk ook broeden.

Bij­zon­der

De kluut is in een aan­tal opzichten een bij­zon­dere ver­schi­jn­ing. Zijn smet­teloos zwart met witte veren kleed is bij­zon­der fraai, en con­trasteert mooi met bijna blauwe poten en zijn snavel heeft een bij­zon­der vorm (zie foto). Met deze omhoog gebo­gen snavel foer­ageren ze het liefst in water met een fijne sli­blaag, waar ze met deze snavel op een kiertje open, doorheen maaien. Zodra er een gar­naaltje of iets dergelijks naar bin­nen zwemt, klapt de kluut haar snavel direct dicht. De kluut jaagt zowel op zicht als op gevoel.

Waar

In Ned­er­land is de kluut tij­dens het broed­seizoen voor­namelijk langs de wad­denge­bieden zoals het Lauw­ersmeer aan­wezig. De soort over­win­tert langs de kust van de Mid­del­landse Zee en de Atlantis­che kust van Frankrijk en Por­tu­gal en een deel in de West­er­schelde. Buiten broed­seizoen tref je ze ook aan bij ondiepe open water­plekken met mod­derige bodems in het bin­nen­land. De kluut broedt in kolonies, meestal op zan­derige vlak­tes, moeras­sige wei­lan­den, opspuit­ter­reinen, etc., meestal bij water (ook brak en zout). De groot­ste kans om kluten te zien in de Haar­lem­mer­meer is bij de ondiepe poe­len van het Groene Carré (de ‘bul­ten’ in het akker­land tussen de A4 en het Haar­lem­mer­meerse Bos langs de rondweg Hoofddorp).

 iepenzaadbomenIepen­zaad12 mei 2013mei
 iepenzaad

Deze week vraag ik niet uw aan­dacht voor een soort, maar voor een ver­schi­jnsel. Half tot eind mei zijn we alle­maal in voor­jaarstem­ming en dan dwar­re­len er opeens krui­wa­gers vol aan ‘dode’ bladeren van de bomen. Veel mensen schrikken daar­van. Indien je goed kijkt en weet wat er speelt, hoeft dat niet. In vele gevallen is dit ‘bru­ine’ blad namelijk van de zaden van iepen (zie foto) . Alle soorten iepen (veldiep, Hol­landse iep, gladde iep, bergiep, goudiep, etc) ken­nen dit ver­schi­jnsel. Iepen bloeien namelijk al in maart met vrij onop­val­lende rode bloemet­jes. In de loop van april en mei lijkt de iep dan in blad te komen, maar dit zijn de groene vlies­jes die om de zaden zit­ten. Deze vlies­jes geven de zaden ‘vleugels’ zodat ze verder mee waaien met de wind. De iep heeft dus nog geen blad, maar zit wel vol met zaden. Zo omstreeks half mei rijpen de zaden af, wor­den bruin en vallen af. In een goed jaar kun­nen de zaden zo mas­saal gepro­duceerd wor­den dat de hele straat vol waait met grote hopen. Pas dan gaat de iep blad maken.

Bij­zon­der

Het ken­merk van alle iepen­bladeren is, dat ze een scheve blad­voet hebben en een geza­agde rand die eindigt in een punt. Een scheve blad­voet betekent dat links en rechts van het steeltje het blad niet op dezelfde plek begint. En verder hebben alle iepen een karak­ter­istieke ‘vis­graat’ manier om zowel hun bladeren en hun jonge takken te plaat­sen. D.w.z. zowel de takken als de bladeren staan in het­zelfde vlak strak in een regel­matig patroon.

Waar

Vroeger groei­den iepen in dichte bossen in Europa op vrucht­bare grond. Die bossen zijn er niet meer omdat die grond ingenomen is door land­bouw. De iep is een majestueuze boom met hele gun­stige eigen­schap­pen voor een stedelijk omgev­ing. Zijn takken breken niet bij storm (auto­lak!), zijn wor­tels zijn opper­vlakkig en wrikken geen rioolpi­jpen open. Daarom vin­den we heel veel iepen in ste­den. Jam­mer dat sinds 1919 tot 3x toe een iepen­ziekte plaag 90 % van de iepen heeft uitgeroeid.

 kievitsbloemplantenKievits­bloem5 mei 2013mei
 kievitsbloem

De kievits­bloem is een in het wild in Ned­er­land zeer zeldzaam voorkomend bol­ge­was. De bloem komt voor met paars geblokte of witte bloem­blaad­jes. De planten doen er 48 jaar over om in bloei te komen. De zaden zijn relatief groot en ver­sprei­den zich dri­jvend op het water. De plant heet voor z′n ver­sprei­d­ing van de zaden volledig afhanke­lijk te zijn van over­stro­min­gen en een hoge water­stand in de win­ter. Echter in en om De Heiman­shof ver­schi­j­nen kievits­bloe­men vaak spon­taan op aller­lei plekken in bos en bosran­den. Miss­chien slepen mieren ook met zaad. De kievits­bloem kwam veel voor in voed­se­larme blauw­graslan­den in het Groene Hart en werd daar ook wel veen­tulp genoemd. De naam kievits­bloem komt van de overeenkomst van de paarse bloem vari­ant met de kleur van kievit­seieren. Men kwam de kievits­bloe­men in het wei­land tegen als men naar kievit­seieren zocht.

Bij­zon­der

De kievits­bloem werd als bloemge­was al vroeg gewaardeerd. Rond 18201830 wer­den er zoveel ‘veen­tulpen’ geplukt dat mensen zich gin­gen realis­eren dat deze gewaardeerde wilde plant wel eens zou kun­nen uit­ster­ven. De allereer­ste natu­ur­wet die in Ned­er­land werd uit­gevaardigd ging dan ook over de bescherming van de kievits­bloem. Nog steeds is deze plant bedreigd. Nu niet meer zozeer van­wege over­matige pluk, maar van­wege over­matige mest toe­di­en­ing. De kievits­bloem richt i.t.t. de meeste bloe­men zijn bloem hoofdje niet naar de zon, maar hangt als een klokje naar bene­den, Voor zijn bes­tu­iv­ing is deze soort vooral afhanke­lijk van grote hom­mel­soorten zoals de aard­hom­mel (Zie foto).

Waar

De belan­grijk­ste groeiplaats van de wilde kievits­bloem is langs de oev­ers van de Vecht en het Zwarte Water in Zwolle. Van oud­sher kwam de kievits­bloem voor in gebieden met klei-​op-​veen en dan vooral de gebieden die ′s win­ters onder water ston­den. De plant kan slecht tegen aan­passin­gen aan het grond­wa­ter­peil en is op de meeste plaat­sen al voor de Tweede Werel­door­log uit­gestor­ven. In De Heiman­shof staat een bloeiende populatie.

 regenworm4kleine dierenRegen­worm (4)28 apr 2013april
 regenworm4

 regenworm4

Regen­wor­men danken hun naam aan het feit dat ze vooral te zien zijn als het regent en alleen dan over het bode­mop­per­vlak kruipen. Ze kun­nen een regen­bui waarne­men door de trillin­gen in de bodem, die veroorza­akt wor­den door de val­lende regendruppels.

Een ander bek­end mis­ver­stand over regen­wor­men is, dat ze proberen te ontsnap­pen aan de regen omdat ze kun­nen ver­drinken als hun hol­letje vol­loopt. De regen­worm leeft vaak in waterige omstandighe­den zoals onder de grond­wa­ter­spiegel. Ze nemen zuurstof op door hun dunne huid, wat ook onder water werkt. Aangezien regen­wa­ter rijk is aan zuurstof, hebben regen­wor­men niet veel te vrezen van een bui. Als echter zuursto­farm grond­wa­ter omhoog komt, kan een regen­worm ver­drinken en zal naar de opper­vlakte kruipen.

Ze komen wel boven­gronds tij­dens een bui omdat ze regen ver­war­ren met de trillin­gen van een vijand, zoals een gravende mol of om te paren. Deze trillin­gen kun­nen wor­den nage­bootst door een stok in de grond te steken en deze te laten trillen. De regen­wor­men zullen dan mas­saal naar boven kruipen, ongeacht de weersomstandigheden.

Waar

Regen­wor­men komen voor in Noord-​Amerika , Eurazië en het Midden-​Oosten. Wereld­wijd zijn er ongeveer 670 soorten regen­wor­men bek­end die in lengte variëren van enkele cen­time­ters tot decimeters.

In Ned­er­land komen 22 soorten voor. Regen­wor­men leven niet alle­maal onder­gronds, veel soorten zijn diep­gravers die lange ver­ti­cale gan­gen maken zoals de veel voorkomende dauw­pier of gewone regen­worm die 9 tot 30 cm lang wordt en de rode worm die tot 15 cm lang wordt.

Er zijn er ook die in de strooisel­laag leven zoals de mest­pier die 6 tot 13 cm lang wordt en door zijn rode kleur en soms oranje dwars­ban­den wel tijger­worm wordt genoemd. Ook veel voorkomend is een gri­js­blauwe soort die geen Ned­er­landse naam heeft. De mest– of tijger­worm en de blauwe regen­worm staan op de foto.

 regenworm3kleine dierenRegen­worm (3)22 apr 2013april
 regenworm3

De regen­worm heeft een verdikking aan de voorz­i­jde van het lichaam, die vaak lichter van kleur is ten opzichte van de rest van het lijf. Deze band wordt het zadel genoemd. Vaak wordt gedacht dat het verdikte zadel de ges­lacht­sor­ga­nen of eieren bevat maar dit is niet juist.

Het zadel is een groep van sli­jm­pro­duc­erende cellen. Het slijm dat wordt afgeschei­den dient als ′reageer­buis′ waarin de eit­jes en het sperma samenkomen en droogt later in tot een cocon dat de eieren beschermd tegen uitdroging.

Onder vochtige omstandighe­den kruipen de dieren naar boven en komen uit hun gang op zoek naar een part­ner. Omdat ze gevoelig zijn voor uit­droging, gebeurt dit meestal in de schemer­ing of na een regenbui.

Regen­wor­men bevruchten elkaar niet tij­dens de par­ing maar wis­se­len alleen zaad­cellen uit. Als eieren vol­doende zijn ontwikkeld, vindt de uitein­delijk de bevrucht­ing plaats. Hier­bij wordt een sli­jm­laag rond het zadel gevormd, dat als een gordel om de worm zit. In het slijm zit­ten voed­ingsstof­fen voor de zich ontwikke­lende embryo′s. Zodra de sli­jm­band is gevormd, ‘wurmt’ de worm deze band naar voren tot over de vrouwelijke ges­lach­topen­ing. Daar wor­den de eieren afgezet in het slijm. Nadat de sli­jmkoker van (nog onbevruchte) eieren is voorzien wordt deze verder afge­stroopt tot de blaas­jes waar het sperma bewaard wordt. Met het bewaarde sperma uit zak­jes wor­den de eieren bevrucht. Dan stroopt de worm de sli­jmkoker volledig van het lichaam en ver­droogt deze tot een harde cocon ter grootte van een erwt met een ken­merk­ende cit­roen­vorm (Zie foto).

Hoewel de cocon meerdere lev­ens­vat­bare eieren bevat, kruipt uit de meeste cocons maar één jonge worm. De gewone regen­worm kruipt na 15 maan­den uit de cocon, afhanke­lijk van de omstandighe­den. 0.51.5 jaar later is de worm ges­lacht­srijp. De lev­ens­duur van de gewone regen­worm in het wild is enkele jaren, maar weinig exem­plaren leven lang genoeg om de max­i­male lengte van 30 cen­time­ter te bereiken. Ze kun­nen 6 jaar oud worden.

 regenworm2kleine dierenRegen­worm (2)15 apr 2013april
 regenworm2

Bijna alle lichaamsseg­menten van regen­wor­men hebben kleine bors­tels, die grip geven bij graven.
Regen­wor­men wor­den op basis van hun lev­enswi­jze ingedeeld in 3 groepen.

Soorten die leven in de strooisel­laag bli­jven klein en graven geen gan­gen. Deze soorten verkleinen bladafval.

Andere soorten leven in de toplaag van de bodem en graven hor­i­zon­tale tun­nels. Deze wor­men breken bladaf­val af en zor­gen voor beluchting.

De 3e groep graaft diepe, ver­ti­cale tun­nels. Deze soorten hebben kleuren en wor­den het grootst. Door hun tun­nels wordt de bodem beter belucht en kan water wor­den afgevo­erd. Bij het graven van gan­gen wordt veel mate­ri­aal opgenomen, maar grond bevat maar een deel van het ben­odigde voed­sel. Een ander deel bestaat uit planten­de­len die in het hol wor­den getrokken en ver­vol­gens wor­den voorver­teerd in de mond en door bacteriën.

Regen­wor­men staan aan de basis van vele voed­selketens en dienen als voed­sel voor veel vogels, zoogdieren, insecten, naak­t­slakken en plat­wor­men . Vooral (spits)muizen en mollen eten veel regenwormen.

Bij­zon­der

Regen­wor­men kun­nen niet over­leven in te zure grond, zoals veen. Hier­door wor­den planten­resten niet op grote schaal omgezet in min­eralen, en kan turf ontstaan.

De gewone regen­worm kan een totale lichaam­slengte van 30 cm bereiken. De reuzen­re­gen­worm uit Aus­tralië wel 3 m. De regen­worm speelt een zeer belan­grijke rol in het ver­beteren van de bodem­struc­tuur. Hij graaft lange tun­nels waar­door de bodem wordt belucht. Dit heeft als gevolg dat bacteriën dieper in de bodem kun­nen leven, die de afbraak van organ­is­che stof­fen verder ver­snellen. Door de tun­nels van regen­wor­men kun­nen planten­wor­tels makke­lijker en dieper de bodem in. Daar­naast wordt de water­huishoud­ing van de grond beter, omdat water door de tun­nels beter in en uit de bodem en vast­ge­houden kan wor­den, al naar de omstandighe­den. Ook de omzetting van bladaf­val in min­eralen is belan­grijk voor de bodem en planten­groei. Door wor­men is (onbe­tre­den) bosgrond los en luchtig.

 regenworm1kleine dierenRegen­wor­men (1)7 apr 2013april
 regenworm1

Iedereen kent regen­wor­men. Maar ze zijn zo inter­es­sant en er bestaan zoveel mis­con­cep­ties over, dat er 4 columns nodig zijn voor een redelijke behandeling.

Regen­wor­men behoren tot de ring­wor­men. Dit is zijn wor­men die de zee ver­laten hebben en in zoet­wa­ter maar ook op het land kun­nen leven. Regen­wor­men zijn meestal in grote aan­tallen te vin­den. Het lichaam van regen­wor­men is net als bij alle ring­wor­men opge­bouwd uit seg­menten of rin­gen. De seg­menten zijn bin­nen in het lichaam geschei­den door een wand. Door deze seg­ment­wan­den heen lopen de spi­jsver­t­er­ingskolom, de aderen, de zenuw­streng en bepaalde klieren. Deze klieren werken als nieren, waarmee stof­fen als urinezuur, zouten en ammo­niak wor­den afgevo­erd en water wordt terugge­won­nen uit afvalstoffen.

Het lichaam van de regen­worm kan bestaan uit 100150 seg­menten. Ver­harde struc­turen zoals tanden of kaken ont­breken. Een regen­worm heeft geen ogen of oren maar kan wel trillin­gen en geschikte voed­ings­bron­nen waarne­men. De lichaamsholten zijn met een vloeistof gevuld en staan onder druk, wat de worm ste­vigheid geeft.

Net als andere ongew­ervelde dieren hebben ze geen herse­nen maar een aan­tal knoop­pun­ten waar de zenuwen samenkomen, bv in de mond­flap. De mond­flap is een belan­grijk lichaams­deel omdat het dient als een tastz­in­tuig bij het zoeken naar voed­sel. Deze ‘boven­lip’ dient ook als gri­j­por­gaan. Regen­wor­men hebben geen ogen, maar zijn wel gevoelig voor licht. De regen­worm heeft geen spe­ciale ademhal­ing­sor­ga­nen, maar wel een ges­loten bloed­vaten­sys­teem, waarmee door de huid zuurstof opgenomen wordt en uit de darm opgenomen voed­ingsstof­fen wor­den getransporteerd.

De gewone regen­worm heeft vijf paar harten en dus tien harten in totaal. Om het lichaam van zuurstof te voorzien, hebben regen­wor­men net als gew­ervelde dieren rood bloed, maar geen rode bloed­cellen. Omdat regen­wor­men soms in zuursto­farme omstandighe­den belanden, zoals bij lang­durige over­stro­min­gen van het land, kan hun bloed veel zuurstof opnemen.

 roodborstlijstervogelsRood­borstli­jster31 mrt 2013maart
 roodborstlijster

De rood­borstli­jster is een prachtig gek­leurde lijster­achtige die in Amerika alge­meen is. Het is een trekvo­gel die net als de Kramsvo­gel en de Kop­er­wiek een krachtige vlucht heeft. Het wordt ook onder de Europese vogels gerek­end als een zeer zeldzame dwaal­gast (in 10 jaar 3 meldin­gen in Ned­er­land). Recen­telijk was er opwind­ing in voge­laars­land toen er in Hoofd­dorp bij het sta­tion een en mogelijk 2 exem­plaren wer­den waargenomen. De rood­borstli­jster is een uiter­mate fraai gek­leurde vogel(foto). Beide ges­lachten zijn vri­jwel gelijk, alleen zijn de vrouwt­jes wat dof­fer van kleur. De man­nen hebben een nage­noeg zwarte kop met een zwart-​wit gestreepte keel. Om het oog zit een opval­lende, onder­bro­ken witte ring. Aan de oran­jerode borstk­leur hebben de vogels hun naam te danken. Die kleur doet denken aan de borstk­leur van het bek­ende Europese rood­borstje. Om die reden wordt deze vogel in Amerika Robin (Rood­borstje) genoemd.

Bij­zon­der

De rood­borstli­jster zou je de Amerikaanse merel kun­nen noe­men, want de gedragin­gen van deze vogel­soort komen op heel wat pun­ten overeen met onze merel. Zo heeft hij zich, net als de merel in Europa, van schuwe bosvo­gel ontwikkeld tot een cul­tu­ur­vol­ger. De vogel heeft een groot deel van zijn aange­boren schuwheid afgelegd, leeft graag in de buurt van mensen en is tot in de grote ste­den te vin­den in tuinen, parken en op sport­ter­reinen etc. Als er maar bosjes, gecom­bi­neerd met grasvelden of gazons zijn, dan is hij er te vin­den. Hij nestelt, eve­nals zijn neef de merel, op de meest uiteen­lopende plaatsen.

Waar

De rood­borstli­jster is een echte trekvo­gel. Met name uit Alaska en uit Canada komen vogels die ieder jaar grote trek­tochten onderne­men tot in Mex­ico. De rood­borstli­jsters uit het mid­den en zuiden van de V.S. zijn stand­vo­gels. Soms raken de vogels tij­dens stor­men uit de koers boven de Atlantis­che oceaan. Tij­dens zo’n tocht wordt er onder­weg soms meegelift op zeeschepen en bereiken ze soms de kusten van Europa.

 tepelgalvlieg1insectenTepel­galvlieg23 mrt 2013maart
 tepelgalvlieg1

 tepelgalvlieg1

In deze col­umn hebben we al eens een aan­tal soorten wespen behan­deld, die voor hun lar­ven en hun nages­lacht een com­fort­a­bele plek hebben weten te creëren door planten aan te zetten tot de vorm­ing van gallen. Gallen, die aan de buiten kant een harde beschermlaag vor­men en aan de bin­nenkant een eet­bare sub­stantie. Geen won­der dat er alleen al in Ned­er­land ruim 2000 galvor­mende insecten zijn ontstaan, waaron­der ook muggen,vliegen en mot­ten. Op bladeren en sten­gels wor­den de meeste gallen gevon­den, maar ook op eikels, knop­pen en bloe­men en wor­tels van alle denkbare soorten zijn er gallen te ont­dekken. Maar de soort die we van­daag behan­de­len, heeft wel een hele curieuze manier ontwikkeld: De tepel­galvlieg legt zijn eieren onder een meer­jarige ver­hou­tende pad­den­stoel: De platte ton­derzwam. Dat hij onder de brede hoed van de ton­derzwam groeit, is natu­urlijk handig tegen de regen. De platte ton­derzwamte­pel­galvlieg is 45 mm lang en behoort tot de fam­i­lie van breed­voetvliegen (foto onder) . Er bestaan 250 soorten breed­voetvliegen wereld­wijd. In Europa is dit de enige breed­voetvlieg die gallen op pad­den­stoe­len vormt.

Bij­zon­der

Omdat de platte ton­derzwam meer­jarig is, bli­jven de gallen lang onder de zwam zit­ten. De zwam vormt tij­dens en na de galvorm­ing nieuw sporen­vor­mend weef­sel om de gal heen (zie foto boven). Uitein­delijk verd­wi­j­nen de gallen in dit weef­sel, waarop in vol­gende jaren weer nieuwe gallen kun­nen wor­den gevormd. Er zijn in en op zo’n ton­derzwam wel eens 600 gallen geteld. Ver­schil­lende graafwe­spen, soli­taire bijen en sluip­we­spen neste­len graag in oude, ver­laten gallen. Gal­be­won­ers hebben zoals vele andere organ­is­men ook hun vijan­den. Niet alleen vogels weten de lar­ven in de gallen te vin­den, ook bepaalde parasi­eten kraken het huisje van de galver­wekker. Zo zijn sluip­we­spen geduchte vijan­den van galbewoners.

Waar

De ton­derzwamte­pel­galvlieg komt voor in het noor­den van Azië en in Europa en natu­urlijk alleen waar ton­derzwammen groeien.