Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Mol­lenel­lende

op .

Deze col­umn (sinds juni 2006) heet Ont­dek de Flora en Fauna van de Haar­lem­mer­meer. De reden is, dat er over het alge­meen gedacht wordt dat de Haar­lem­mer­meer een zeer arme polder is in bio­di­ver­siteit (en dat er daarom ook makke­lijk nieuw beton en asfalt wordt aan­gelegd). De afgelopen 12 jaar heeft al wel geleerd dat er een ongelofe­lijke ver­schei­den­heid aan soorten in onze polder voorkomen en mijn inschat­ting is dat ik voor het behan­de­len van alle ca 10.000 soorten een jaar of 400 nodig zal hebben. Zo nu en dan gaat het niet alleen over nieuwe soorten maar gebeurt er iets bij­zon­ders. Zo zit­ten we nu mid­den in de groot­ste droogte– en hit­te­golf sinds er weergegevens wor­den bijge­houden. En die droogte heeft ook effecten in de natuur op soorten. Zo vind ik aan de lopende band dode mollen en dat is opmerke­lijk.

Bij­zon­der
De eerste 3 mollen heb ik in de com­posthopen ver­w­erkt, maar bij nr 48 begon er enige ongerus­theid op te spe­len. Op mol 4 heb ik daarom een gecom­bi­neerde anatomis­che les en sec­tie uit­gevo­erd (foto) en wat bleek: de arme mol was heel mager, geen vet en geen inhoud in het spi­jsver­t­er­ingssys­teem. Dat mollen van de honger ster­ven, kan samen­hangen met de droogte omdat hun voor­naam­ste voed­sel: regen­wor­men steeds dieper in de aarde wegkruipt en de Haar­lem­mer­meerse klei bij droogte hard wordt als beton. Een mol moet dus steeds harder werken om steeds min­der voed­sel buit te maken. Als hij een ons wor­men ver­brandt om 50 gram te van­gen, sterft hij na 46 weken van honger en uit­putting. Graag hoor ik van lez­ers of er op andere plaat­sen ook extra mol­len­sterfte gecon­sta­teerd wordt.

Waar
Mollen zijn zeer algemene bewon­ers van onze polder. Ze graven gan­gen waarin ze via hun neus wor­men en ander bodem­leven opsporen. Ze leven 4 uur op en 4 uur slapen, jaar­rond. Meestal zijn de Ned­er­landse con­di­ties ideaal om wor­men te kun­nen zoeken in bijna altijd vochtige humus­rijke grond. Dit jaar zou wel eens een mol­len­ramp jaar in een groot deel van Europa kun­nen worden.

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 9 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 waternetjeplantenWater­netje13 nov 2013novem­ber
 waternetje

Zowel in de Toolen­burgse plas als in het meer van het Haar­lem­mer­meerse bos is het water vrij helder en diep. Daar­door wor­den deze meren druk bezocht door toen­e­mende aan­tallen duik­liefheb­bers. En onder water zijn er natu­urlijk weer intrigerende flora en fauna zaken te ont­dekken. Onlangs stuitte een van de duik­ers tussen 27 m diepte op netvormige wolken bestaande uit groene bol­let­jes. Deze bol­let­jes bestaan uit netvormige struc­turen van 530 mm groot (foto). De netvormige struc­tuur van het water­netje is een kolonie, bestaande uit meerdere cellen. Een vol­groeid netje kan een paar cm groot worden.

De groei van water­net­jes wordt door hogere tem­per­a­turen ver­sterkt. De kli­maat veran­der­ing heeft veroorza­akt dat water­net­jes zich op som­mige plekken tot een plaag kun­nen ontwikkelen.

Het is in de zomer veel aan­wezig, maar sterft af als het water kouder wordt. Het water­netje over­leeft de win­ter door dik­wandige sporen te maken die naar de bodem zakken.

Bij­zon­der

Een jong netje ontstaat al bin­nen een vol­wassen cel. Elk bol­letje ontstaat uit één zich opde­lende cel bin­nen een moed­er­cel. Dit wor­den sporen die zich met zweep­draden bin­nen de moed­er­cel kun­nen bewe­gen. Al voor het uiteen­vallen van de moed­ercel­wand ver­liezen deze sporen hun zweep­draden en groeperen ze zich in de vorm van een nieuw jong netje. Door het strekken van de cellen groeit het nieuwe netje verder.

Waar

Water­netje is een groen­wier, waar­van in (Mid­den– en West-​) Europa 1 en in de wereld 5 soorten bestaan. De foto is gemaakt in het meer van het Haar­lem­mer­meerse Bos waar deze algen voorkomen op 27 m diepte. Het water­netje is bek­end uit voed­sel­rijke, vooral stik­stofrijke wateren, sloten en plassen. Het kan ook in het kust­ge­bied in water met een hoog zout­ge­halte voorkomen.

 Kruisspin4Urntjesspinnendoder1insectenkruis­spin (4)13 nov 2013novem­ber
 Kruisspin4Urntjesspinnendoder1

 Kruisspin4Urntjesspinnendoder1

Bij ver­stor­ing begint de spin hevig heen en weer te schud­den in haar web. Bij ern­stige ver­stor­ing laat de spin zich lood­recht naar bene­den vallen waar­bij het lichaam met een spin­draad wordt geankerd. De spin houdt zich op de bodem een tijdje schi­jn­dood. Na enige tijd klimt de spin hier­aan weer naar boven. Kruis­spin­nen hebben gifkaken maar gebruiken deze alleen om op prooien te jagen en niet om vijan­den af te weren. Alleen als een spin tussen de vingers wordt vast­gek­lemd zal deze in het uiter­ste geval bijten. Dit voel je wel maar is niet gevaarlijk.

De groot­ste vijand van de spin­nen is het kli­maat. Ze lij­den vooral onder droogte en zware regen­val. Ook de mens is een belan­grijke vijand, omdat deze spin­nen doodt en hun web vernielt.

De spin­nen moeten ook oplet­ten voor som­mige sluip­we­spen zoals spin­nen­do­ders, die de spin ver­lam­men en naar het nest bren­gen. Alle spin­nen­do­ders behoren tot wes­pachti­gen, zoals graafwe­spen. Er zin wereld­wijd bijna 5000 soorten bek­end. In Ned­er­land komen ongeveer 65 soorten voor (foto′s Urn­t­jesspin­nen­do­der). De ver­lamde spin wordt in een hol­letje gebracht en er wordt een ei bij afgezet. Als de larve van de sluip­wesp uit het ei kruipt wordt de kruis­spin lev­end en van bin­nenuit opgegeten.

Waar

De kruis­spin bouwt haar web op open plekken tussen lage boom­takken of in stru­iken, die van de wind zijn afgeschermd. Het web wordt gemakke­lijk door regen en wind vernield, waar­door de kruis­spin alleen voorkomt op beschutte plaat­sen. Tuinen zijn voor de kruis­spin ideaal, omdat deze vaak hogere begroei­ing bevat­ten en relatief goed zijn afgeschermd van felle zon en van wind. De kruis­spin heeft een vochtige leefomgev­ing nodig en kan slecht tegen droogte en komt vooral voor in laaglan­den. Een andere weer­som­standigheid waar de spin onder lijdt is hevige regen­val. De kruis­spin komt in grote delen van Europa en delen van Noord-​Amerika. In Europa komt de kruis­spin voor van noordelijk Scan­di­navië tot in lan­den aan de Mid­del­landse Zee.

 kruisspinmetprooiinsectenKruis­spin (3)20 okt 2013okto­ber
 kruisspinmetprooi

De kruis­spin is een groot deel van het leven bezig met het bouwen van een web. Het web is vergelijk­baar met dat van andere wiel­web­spin­nen. Deze spin­nen­fam­i­lie bouwt een vierkant frame met een spi­raalvormige vang­draad in het mid­den. Deze wordt onder­s­te­und door een aan­tal draden die van het frame naar het mid­den van het web lopen waar­door ze doen denken aan spaken. Het web in zijn geheel lijkt hier­door op een fietswiel waaraan de naam van de spin­nen te danken is.

Het web raakt gemakke­lijk beschadigd en snel vervuild. Boven­dien dro­gen de draden snel uit, zodat het web iedere dag ver­van­gen moet wor­den. Dit duurt ongeveer 20 minuten. Ook na iedere vangst moet het web gere­pa­reerd wor­den, omdat een sparte­lend prooi­dier het web beschadigt. De kruis­spin bouwt het web op enige hoogte boven de bodem in stru­iken en lagere takken van bomen.

Het web is bedoeld om kleine en grotere vliegende insecten te van­gen. Bek­ende prooien zijn vliegen en muggen, wespen en bijen maar ook grotere insecten zoals vlin­ders wor­den gegeten. Heel kleine prooien, zoals blad­luizen, wor­den genegeerd. Zodra een prooi het web invliegt, wordt de spin gealarmeerd door de trillin­gen in de zoge­naamde sig­naal­draden. De spin wikkelt deze snel in een spin­sel­pakket (foto). Pas daarna wordt een beet toege­di­end die de prooi ver­lamt. De ingepakte prooi wordt dan uit het web gehaald en in een schuilplaats opgegeten. In de zomer van het tweede lev­en­s­jaar zijn de wijf­jes zo groot dat ze een web van ongeveer 60 cm doorsnede maken. Vooral bij vochtige weer­som­standighe­den zijn de webben duidelijk te zien door­dat ze bedekt zijn met dauw­drup­pels. Het groot­ste deel van de vol­wassen spin­nen over­leeft de eerste nachtvorst niet.

De voor­naam­ste vijan­den van de kruis­spin zijn insectene­tende vogels, die de spin uit het web plukken. Er zijn ook spin­nen­soorten die alleen op andere spin­nen jagen en hen in hun eigen web aan­vallen. Daar­naast zijn kruis­spin­nen kan­ni­balen en eten ze kleinere soortgenoten.

 kruisspinbabies1insectenKruis­spin (2)20 okt 2013okto­ber
 kruisspinbabies1

 kruisspinbabies1

De par­ing is voor een man­netje een hache­lijke zaak. De vrouwt­jes bli­jven in hun web ter­wijl de man­net­jes op zoek gaan. Hij laat weten dat hij geen prooi is door trillin­gen te maken in het web van het vrouwtje. De par­ing van spin­nen is uitwendig. Het man­netje heeft aan de mond­de­len een bal­lon­netje. Dit heeft een pipet-​achtige werk­ing zodat sperma kan wor­den opge­zo­gen en later in het vrouwelijke ges­lacht­sor­gaan kan wor­den afgegeven. De ges­lachts­de­len van het man­netje en het vrouwtje passen exact in elkaar. Als het bal­lonetje is gevuld, wordt het als een sperma­pakketje ingebracht.

Na de bevrucht­ing wordt het sperma opges­la­gen in een spe­ci­aal kamertje. Het vrouwtje heeft een eilei­der waar de eicellen wor­den bevrucht en de eieren wor­den gevormd. Hier­bij zwelt het achter­lichaam enorm op. De eit­jes wor­den afgezet in een cocon.

Het aan­tal eit­jes varieert met de grootte van het vrouwtje van enige tien­tallen tot hon­der­den. Als de cocon af is, wordt deze voorzien van pluizige spin­sel­draden ter bescherming. De cocon wordt de eerste tijd bewaakt door het vrouwtje. De cocons wor­den in de herfst afgezet op ver­bor­gen plekken in planten en zien er uit als een pluk wat­ten met in het mid­den de gelige eit­jes (foto 1). Het vrouwtje stopt met jagen en sterft korte tijd nadat haar eier­co­con is afgezet. De eieren over­win­teren; in de lente komen de jonge spin­net­jes tevoorschijn, ze hebben een ken­merk­ende gele kleur. (foto 2).

Jonge kruis­spin­nen ver­sprei­den zich als het nest wordt ver­sto­ord, om enige tijd later weer samen te komen. Ze leven de eerste 710 dagen van het voed­sel in hun dooier. Daarna klim­men ze zo hoog mogelijk in een plant en spin­nen een lange draad. Deze draad wordt door de wind opgepakt en neemt de jonge spin mee de lucht in. Zo ver­sprei­den de kleine spin­net­jes zich door de lucht en kun­nen ze hon­der­den meters of kilo­me­ters verder terechtkomen. Spin­nen zijn hier­door vaak de eerste kolonisatoren van nieuwe geïsoleerde (bv vulka­nis­che) eilanden.

 kruisspin1insectenKruis­spin (1)7 okt 2013okto­ber
 kruisspin1

De kruis­spin is in tegen­stelling tot veel andere spin­nen geen schuwe soort, maar een­tje die vaak mid­den in het web zit en moeil­ijk over het hoofd is te zien.

De naam is te danken aan de op een kruis gelijk­end patroon op het achter­lijf (foto).

Bij spin­nen zien man­net­jes en vrouwt­jes er totaal anders uit. Vrouwt­jes wor­den 1217 mm, exclusief poten, ter­wijl man­net­jes ongeveer 510 mm wor­den. Als spin­nen nog jong zijn, ver­schillen de man­net­jes en wijf­jes niet veel van elkaar. Na ver­loop van tijd groeien de wijf­jes harder dan de man­net­jes. In de zomer van hun 2e lev­en­s­jaar, als de wijf­jes vol­wassen wor­den, groeien ze zeer snel. Man­net­jes hebben naar ver­houd­ing lan­gere poten maar een veel kleiner achter­lijf dan een vrouwtje. Vooral vrouwt­jes die eieren dra­gen, hebben een opval­lend dik achterlijf.

Wat direct opvalt aan de spin zijn de vier paar lange harige poten. De haart­jes dienen om trillin­gen te voe­len. Het lichaam van de spin bestaat uit het achter­lijf en het gefuseerde kop­borststuk. Een kruis­spin heeft 8 pun­to­gen: 4 aan de voorz­i­jde en 2x 2 opzij. In tegen­stelling tot insecten die samengestelde face­to­gen hebben, bestaan spin­nenogen uit een enkele struc­tuur met ieder een eigen lens.

Onder de kop bevin­den zich 2 paar kaken. De bovenkaken zijn voorzien van klauw-​achtige struc­turen en bevat­ten een gifkanaal. De spin neemt voed­sel op door eerst ver­t­er­ingss­ap­pen in de prooi te bren­gen en deze ver­vol­gens weer op te zuigen.

Zowel man­net­jes als vrouwt­jes hebben 3 paar spin­te­pels. Dit zijn de uitschei­d­ing­sor­ga­nen waarmee het spin­nen­web wordt gebouwd, maar waarmee ook prooien en eic­o­cons wor­den omwikkeld. De spin­te­pels kun­nen ver­schil­lende soorten draden pro­duc­eren; ste­vige en niet-​kleverige draden om het frame van het web te maken en de eit­jes te voorzien van een bescher­mende laag.

Aan het einde van de zomer is de kruis­spin vol­wassen. Een­maal vol­wassen maken de spin­nen veel grotere webben dan jonge spin­nen, waar­door ze goed opvallen.

 hazenpootjepad­den­stoe­lenHazen­pootje29 sep 2013sep­tem­ber
 hazenpootje

Nu we een paar weken flink regen gehad hebben en de tem­per­a­turen nog vrij hoog zijn, is aan het einde van dit groei­seizoen de ver­t­er­ing van de bio­massa die zich dit jaar gevormd heeft, volop op stoom gekomen. Er zijn daarom volop pad­den­stoe­len te vin­den. (Op 6 okto­ber is daarover om half 3 een inter­es­sante lez­ing op de Heimanshof).

Deze week bereik­ten mij een aan­tal meldin­gen van inktzwammen.

Ink­tzwammen groeien op voed­sel­rijke onder­grond. De geschubde ink­tzwam is, zolang hij wit is, een delicatesse.

De kale ink­tzwam is ook eet­baar, maar alleen als je ver van alco­hol bli­jft. Alco­hol en deze pad­den­stoel gaan bin­nen 24 uur ervoor en erna niet goed samen. Je gaat er niet dood van, maar mis­selijkheid en ander ver­schi­jnse­len maken het een prima anti-​alcoholmiddel. Geen aan­rader vooreen restau­rant dus.

De derde ink­tzwam van deze week was een fragiele beauty, die groeide op hout­snip­pers in het Wan­del­bos Hoofd­dorp. Deze pad­den­stoel heet hazen­pootje omdat de jonge nog niet uit­gevouwen hoed dicht bezet is met donzige haartjes.

Bij­zon­der

Als het pad­den­stoeltje net ver­schi­jnt, is het hoedje hoog en smal, maar wordt sti­laan breder en klokvormig, en later vlak en sti­laan komvormig en transparant(foto). Naar­mate het zwammetje ouder wordt, wordt het hoedje langzaa­maan doorschi­j­nend. De plaat­jes van het hazen­pootje zijn eerst bleek­wit, maar verkleuren naar grijs en vervloeien uitein­delijk tot een zwarte ink­tachtige vloeistof, een typ­isch ken­merk van de meeste ink­tzwammen. Het vervloeien van de plaat­jes is een inge­nieuze strate­gie waar­door de sporen efficiënter ver­spreid wor­den. Bij de meeste ink­tzwammen, waaron­der het hazen­pootje, krult het hoedje tegelijk­er­tijd op, waar­door de net afger­i­jpte sporen steeds in een opti­male posi­tie komen om door de wind of aan inecten­poten te wor­den meegevoerd.

Waar

Het hazen­pootje is een ink­tzwam die bij voorkeur groeit op dode houtresten, en die wereld­wijd te vin­den is in bossen, maar die je ook in tuinen vaak terugvindt op gehak­seld hout.

 windevedermot1vlin­dersWindeve­d­er­mot22 sep 2013sep­tem­ber
 windevedermot1

 windevedermot1

Deze week zat er op m’n raam een T-​vormige nachtvlin­der (foto). Het zoeken op ‘T-​mot’ leverde de ‘windeve­d­er­mot’ op. Deze nachtvlin­der leeft als rups op en van aller­lei soorten windes, zoals de haag­winde of de akker­winde. De haag­winde komt helaas nogal alge­meen voor. Het is ongeveer de enige soort ongewenst kruid in mijn tuinen waar ik vri­jwel geen (biol­o­gisch ver­ant­wo­ord) antwo­ord op heb. In tegen­stelling tot de veel bek­endere dagvlin­ders, waar­van er in Ned­er­land ca 50 soorten voorkomen, zijn er wel 2400 nachtvlin­der­soorten, waar­van er ca 1500 tot de microsoorten wor­den gerek­end. De Windeve­d­er­mot is een van die kleinere soorten met een span­wi­jdte van 2.53 cm.

Bij­zon­der

Er komen ca 35 soorten ved­er­mot­ten voor in Ned­er­land, die alle­maal zeer strikt afhanke­lijk zijn van een of meerdere waard­planten. De windeve­d­er­mot is een van de 4 meer algemene soorten. Ken­merk­end voor ved­er­mot­ten is dat de 2 paar vleugels die alle vlin­ders hebben, zulke diepe insni­jdin­gen hebben dat ze niet 2 x 2 maar 2 x 5 veer­vormige vleugels lijken te hebben, maar de twee gek­liefde vleugels laten in hun beweg­ing zien dat het 2 x 2 vleugels zijn (inzet foto). Daar­bij is elk ele­ment net als echte veren ook weer dwars ingesne­den. De onderkant van de gek­liefde vleugels zit vol met soort-​specifieke geurstof­fen. Ook hebben niet alle ved­er­mot­ten ingesne­den vleugels. De nauw ver­wante fam­i­lie van de Waaier­mot­ten met 2 soorten in Ned­er­land heeft nog sterker gek­liefde vleugels, 2 x 6 in voor– en achter­vleugel. Die veer­vormige vleugels zijn meestal niet te zien, omdat ze net als op de foto bij rust wor­den samengevouwen.

Waar

De windeve­d­er­mot komt overal in Europa voor waar zijn waard­planten voorkomen. Het is een soort die als vol­wassen insect over­win­tert en het hele jaar gezien kan wor­den. Deze soort wordt erg door licht aangetrokken en wordt daarom vaak op ramen aangetrof­fen. Er komen ver­schil­lende gen­er­aties per jaar voor, met een kleinere piek in het voor­jaar en een grote piek van augus­tus tot november.

 moerascipresbomenMoeras­cipres16 sep 2013sep­tem­ber
 moerascipres

Soms is het moeil­ijk om te beslis­sen of een bepaalde soort nu inheems is of niet. Vaak komt dit door dat een buiten­landse soort heel goed inburg­ert: denk bv aan de hals­band­parkiet of de Nijl­gans. Bij de moeras­cipres is het een ander ver­haal. Dit is nl een soort die als fos­siel in Ned­er­land is gevon­den en daarna verd­ween, maar in het warme zuiden van de Verenigde Staten bleef bestaan. De moeras­cipres is met de inheemse Lariks en de water­cipres een van de weinige naald­bomen die zijn naalden ‘s win­ters laat vallen. De moerassen van het zuiden van de VS zoals de Ever­glades vor­men de thuis­ba­sis van deze boom.

Bij­zon­der

De Moeras­cipres wordt 5060 m hoog en soms wel 1000 jaar oud. Daar­bij wordt zijn stam zeer breed. Bomen van 58 m omtrek zijn niet onge­bruike­lijk. Hij kan maan­den onder water staan. Daar­voor heeft de boom een aan­tal bij­zon­dere aan­passin­gen. Zo is het hout zeer rot bestendig en wordt daarom gebruikt voor dakbe­dekking, dak­goten en doo­d­skisten. Ook het wor­tel­s­telsel is zeer degelijk en zwaar uit­gevo­erd. De meest bij­zon­dere aan­pass­ing vor­men de zoge­naamde kniewor­tels. Bij een boom die regel­matig onder water staat kun­nen deze 1.5 – 2 m hoog wor­den. Met deze wor­tels kan het wor­tel­s­telsel ade­men bij lange over­stro­min­gen. Bij moeras­ci­pressen die te hoog op land geplant zijn ontwikke­len deze kniewor­tels zich niet of nauwelijks.

Waar

We hebben in de Haar­lem­mer­meer 4 moeras­ci­pressen gevon­den. 2 in het Wan­del­bos, 1 in Bad­ho­eve­dorp in de Del­laert­laan en 1 in Zwa­nen­burg in het Wan­del­park. De boom met de mooist ontwikkelde kniewor­tels van ca 30 cm hoog staat in Zwa­nen­burg (foto). De bomen wor­den in de bomen­routes (zie meer­groen web­site) ver­meld. De veel op de moeras­cipres lijk­ende water­cipres komt uit China en is een lev­end fos­siel, dat pas in 1946 werd heront­dekt. Deze soort is veel algemener aange­plant. Het een­voudig­ste ver­schil tussen de beide soorten is dat de tak­jes van de water­cipres pre­cies tegen­over elkaar ver­takken en die van de moeras­cipres niet.

 kaardenbolplantenKaar­den­bol9 sep 2013sep­tem­ber
 kaardenbol

Deze warme en droge zomer is niet alleen gun­stig voor insecten. In ons land komen ook planten­soorten voor die hun voorkeursver­sprei­d­ings­ge­bied in droge step­pen en rond de Mid­del­landse zee hebben. Een daar­van is de Kaar­den­bol. Er bestaan 3 soorten kaar­den­bol, de bek­end­ste is de Grote Kaar­den­bol met gekartelde gave bladeren, dan is er de slib­bladige Kaar­den­bol met diep ingesne­den bladeren en de kleine kaar­den­bol. Dat kleine slaat niet op de plant, want net als de andere fam­i­liele­den kan deze plant 3 m hoog wor­den. Klein slaat op de bloemhoofd­jes, die 510 maal kleiner zijn dan die van de beide andere soorten. De kleine kaar­den­bol heeft een voorkeur voor bossen in de half­schaduw. De beide andere soorten tore­nen hoog uit boven andere planten in wei­des. En dit jaar zijn ze bij­zon­der hoog. De kaar­den­bol is een twee­jarige plant. Het eerste jaar maakt hij een bladrozet, waarmee hij ander planten in de omgev­ing aan de kant duwt en in het 2e jaar schiet hij de hoogte in.

Bij­zon­der

Dat het een soort van droge voorkeur­som­standighe­den is, kun je aan de grote en slib­bladige kaar­den­bol zien aan de blad­vorm: blad­paren vor­men een kom waarin wel een halve liter regen­wa­ter verza­meld kan wor­den. Deze water­bron wordt door vele insecten en kleine dieren gebruikt. De ste­vige stekels aan blad, sten­gel en bloem zijn een 2e indi­catie. De grote kaar­den­bol is een wet­telijk bescher­mde rode lijstsoort.

De bloei­wi­jze bestaat uit een rand van zeer veel nec­tar pro­duc­erende bloe­men die in een ring van onder maar boven tot ontwik­kel­ing komen. De naam kaar­den­bol komt van het woord kaar­den. Dat woord is redelijk bek­end van het ontk­lit­ten van wol. Echter daar is de bloei­wi­jze niet sterk genoeg voor. Kaar­den heeft ook een min­der bek­ende betekeni, nl het ruwen van wol, waar­voor de bloei­wi­jzen wel gebruikt werden.

Waar

In de Haar­lem­mer­meer wor­den kaar­den­bollen op ver­schil­lende plekken aangetrof­fen: o.a. in De Heiman­shof, langs het insecten­pad, in het Haar­lem­mer­meerse Bos en in de Fruittuinen.

 zwavelzwampad­den­stoe­lenZwavelzwam31 aug 2013augus­tus
 zwavelzwam

Zwavelzwam

Omdat we als MEER­Groen het Wan­del­bos in Hoofd­dorp in beheer hebben kom ik er elke week. Alle oor­spronke­lijke bomen in het bos zijn inmid­dels 100 jaar oud. Maar elke boom­soort heeft zijn eigen groeis­nel­heid. Veni­jn­bomen zijn nu 1 m in omtrek en mid­den in het wan­del­bos aan de vijver staat een Wilg van ruim 5 m omtrek. Op deze wilg ver­scheen deze week een grote heldergele pad­den­stoel, die bij nadere studie een zwavelzwam bleek te zijn. De pad­den­stoel ruikt niet naar zwavel, maar is helder zwavel geel.

Bij­zon­der

Het is geen zeldzame soort. Wel is het leuk de ontwik­kel­ing van dit exem­plaar te vol­gen, want in een paar weken kan een zwavelzwam meer dan 10 kilo zwaar wor­den. Zolang de zwam jong is en groeit, is het een van de meest smake­lijke soorten. Het jonge vruchtvlees is wit en sap­pig. Oude exem­plaren zijn taai. Deze pad­den­stoel heeft geen lamellen of buis­jes, in plaats daar­van is de heldergele onderkant bedekt met kleine poriën waar de vrucht­bare vloeistof uit lekt. In Enge­land heet hij ‘Chicken of the woods’ en hij schi­jnt ook echt naar kip te smaken. Het enige prob­leem is, dat je er aller­gisch voor kunt zijn. Dus laat hem maar hangen.

Voor de boom is de zwavelzwam geen onverdeeld genoe­gen. Wan­neer een boom wordt aangevallen door de zwam, ontstaat rode rot, een schim­mel, waar­door het har­thout van de boom krimpt en boven­dien roodachtig bruin verkleurt. De stam van de boom wordt langza­mer­hand steeds verder uit­ge­hold. Op ter­mijn gaat de tak of de boom er dood aan. Het heeft geen zin de tak af te zagen. De schim­mel­draden zit­ten door de hele boom. De schim­mel hoeft trouwens niet elk jaar een vruchtlichaam te produceren.

Waar

De zwavelzwam is een par­a­sitaire schim­mel van veel soorten loof­bomen in de zomer en de vroege herfst. Wilgen, pop­ulieren en eiken zijn vaak waard­bomen, maar op tien­tallen andere loof­boom­soorten is de zwam aangetrof­fen en in grote delen van de wereld.

 oranje_luzernevlindervlin­dersOranje Luzernevlin­der25 aug 2013augus­tus
 oranje_luzernevlinder

Vorige week was het onder­w­erp de dis­telvlin­der; een trekvlin­der die dankzij het mooie weer in grote aan­tallen van Afrika naar onze steken was afgereisd.

Deze week meldde zich een ander soort die waarschi­jn­lijk ook van­wege dezelfde omstandighe­den een invasie pleegt. Nu is invasie een groot woord. Er zullen niet tien­tallen vlin­ders tegen uw autoruit te plet­ter vliegen per rit.

De Oranje Luzernevlin­der heeft als rups een voorkeur voor vlin­derbloemi­gen zoals de luzerne, rode klaver, rolklaver e.d.

Mijn hele leven heb ik er geen gezien, hoewel ze elk jaar wel eens waargenomen wor­den. Maar deze week zag ik ze op 4 plaat­sen: De Heiman­shof, de rolklaver rijke bermen van de N201 bij het Haar­lem­mer­meerse Bos, in het Groen Carré en net buiten de Haar­lem­mer­meer in de natu­ur­speelplaats Meer­mond, die sinds deze zomer door Meer­groen voor de gemeente Heem­st­ede in beheer is genomen.

Bij­zon­der

De Oranje Luzerne vlin­der is ver­want aan de kool­wit­jes, maar heeft een lich­toranje kleur. Er bestaat ook een Gele Luzerne vlin­der. Tot de 60-​er jaren wer­den er lan­delijk regel­matig duizen­den exem­plaren waargenomen. Tot begin deze eeuw ging dat achteruit tot 10001500. Sinds de eeuwwis­sel­ing nemen de aan­tallen weer toe. De oranje luzernevlin­der is een zeer mobiele vlin­der die tot de trekvlin­ders wordt gerek­end en zeer grote afs­tanden kan afleggen. Ze trekken afzon­der­lijk of in kleine groep­jes en vol­gen kanalen, riv­ieren, dijken en de kustlijn ter oriëntatie. In het najaar trekt de soort zuid­waarts. In de herfst is het in de Pyreneeën de tal­rijk­ste vlin­der die zuid­waarts trekt. In Ned­er­land zijn echter weinig waarne­min­gen van zo′n terugtrek bekend.

Waar

De oranje luzernevlin­der is een trekvlin­der die ieder voor­jaar vanuit Zuid-​Europa en Noord-​Afrika naar het noor­den vliegt. De eerste vlin­ders arriv­eren in mei en juni in ons land. De vol­gende gen­er­aties vliegen van begin augustus-​eind okto­ber, aange­vuld met nieuwe immi­granten. In Zuid-​Europa vliegt deze soort in 46 generaties.

 distelvlindervlin­dersDis­telvlin­der19 aug 2013augus­tus
 distelvlinder

Vorige week was het nationale tuin­vlin­dertelling. De plan­ning daar­van had niet beter kun­nen zijn na 45 weken prachtig ‘insecten’ weer. In geen 10 jaar tijd had ik zoveel vlin­ders gezien als in deze week. In De Heiman­shof telde ik 16 soorten met in totaal ca 250 exem­plaren in een half uurtje. Per­soon­lijk was ik het meest ger­aakt door de grote aan­tallen dis­telvlin­ders die er dat week­end opdo­ken. De naam dis­telvlin­der komt van het feit dat de waard­plant voor hun rupsen vee­lal bestaat uit ver­schil­lende soorten dis­tels, zoals de akkerdis­tels, de kale jonker of de speerdis­tel. Maar de rupsen eten ook van klis­sen, brand­ne­tels of zon­nebloe­men. Ook als nec­tar plant zijn dis­tels geliefd.

Bij­zon­der

Er zijn, zoals altijd, aller­lei strategieën die vlin­ders gebruiken om te over­leven. Som­mige vlin­ders zoals het Icarus­blauwtje bli­jven altijd dicht­bij de plek waar hij als rups geboren wordt. Dat zijn stand­vlin­ders. Een heel ander strate­gie wordt gevolgd door de trekvlin­ders. De dis­telvlin­der is daar­van een voor­beeld, net als de Ata­lanta of de kolibrievlinder.

Waar

De meeste dis­telvlin­ders die wij in Ned­er­land zien zijn geboren in Cen­traal Afrika of Noord Afrika. Ze leggen dus voor deze kleine wezens onvoorstel­bare afs­tanden af. Daar­bij moet wel gezegd wor­den dat ze gebruik maken van de wind. Elk jaar zijn er dis­telvlin­ders, maar om de 810 jaar is er een mas­sale invasie. En dat gebeurt vaak gelijk­ti­jdig met het neerdalen van Sahara stof. De aan­tallen vlin­ders zijn vooral afhanke­lijk van jaren met veel regen­val in Afrika rond de Sahara. Dis­telvlin­ders leggen onder­weg eieren waaruit nieuwe gen­er­aties vlin­ders voortkomen tot in Noord Scan­di­navië . In de herfst gaat de trek in omge­keerde richt­ing, ook geholpen door gun­stige winden. Maar vele vlin­ders vin­den de weg niet tijdig terug en komen om. Over­win­teren kun­nen ze bij ons niet. Alleen de vlin­ders die in Noord of Cen­traal Afrika terugkomen zor­gen voor een nieuwe gen­er­atie voor het vol­gende jaar.