Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Rapun­zelk­lokje

op .

Regel­matige lez­ers weten van de afgelopen 12 jaar, dat er overal bij­zon­dere planten en dieren te vin­den zijn. Deze week kwam ik weer eens een bij­zon­dere plant op een wel heel curieuze plek tegen: mid­den op het enorme ver­steende en geas­fal­teerde kruis­punt Hoofdweg/​Van Heuven Goed­hart­laan tegen over het poli­tiebu­reau (foto). Mid­den tussen de bestrat­ing onder het ver­keer­licht stond een heus Rapun­zelk­lokje. Die naam alleen al maakt natu­urlijk al nieuws­gierig. Alleen op De Heiman­shof weet ik nog 12 andere Rapun­zelk­lok­jes te staan in de Haar­lem­mer­meer. Verder komt de soort vooral voor in Lim­burg en langs de riv­ieren met kalk houdende zand­grond. Ook hier is dat het geval. Hoofd­dorp is namelijk gro­ten­deels gebouwd op een oude zand­bank uit de Wad­den­zee die hier ooit lag. Diezelfde arme zand­grond met kalk is ook de reden dat er zoveel orchideeën in en om Hoofd­dorp groeien.

Bij­zon­der
Het Rapun­zel klokje is een twee– of meer­jarige soort die tot 90 cm hoog wordt. In de Mid­deleeuwen was deze soort zo alge­meen dat de bladeren en wor­tels een geliefde groente in rauwkost en salades vor­mde. De smaak van de wor­tel lijkt op radijs, maar dan zoet en opval­lend zacht. Het blad is fijn en neu­traal van smaak. Het woord Rapun­zel’ komt van rapa pon­tica (Latijn voor ‘raap van de Zwarte Zee’). In het sprookje Rapun­zel kri­jgt de dochter de naam van de raap­jes die haar moeder zo graag at toen ze haar verwachtte. De med­i­c­i­nale werk­ing van de plant stoelt op het gehalte aan inu­line (multifructose),vitamine C en een anti­sep­tis­che werk­ing.

Waar
Het rapun­zelk­lokje groeit in ons land op voed­se­larme dijken en in bermen, op kalkhoudende grond in Lim­burg, langs de riv­ieren en aanslui­tende zand­gron­den en regel­matig ook op spoorter­reinen. De meeste van deze graslan­den zijn tegen­wo­ordig overbe­mest en daarmee is ook het rapun­zelk­lokje bijna uit­gestor­ven. Alle klok­jes­soorten zijn overi­gens wet­telijk beschermd, of ze nu ergens tal­rijk staan of niet. De soort komt alleen in Europa, West Azië en NW Afrika voor.

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 2 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 KerkuilvogelsKerkuil17 jul 2006juli
 Kerkuil

 Kerkuil

De kerkuil leeft vaak in de menselijke omgev­ing, maar weinig mensen kri­j­gen hem te zien. Broed­plaat­sen zijn boeren­schuren, kerk­torens en soms holle bomen. Het voed­sel bestaat vooral uit veld­muizen en spitsmuizen. Het aan­tal veld­muizen ver­toont een drie­jarige cyclus, die de kerkuil met enige ver­trag­ing volgt. Jonge kerkuilen kun­nen flinke zwerftochten maken, maar een­maal geves­tigde vogels verbli­jven meestal in het­zelfde leefge­bied. De kerkuil houdt niet van koude win­ters; zijn veren­kleed houdt slecht warmte vast. In de vijftiger jaren broed­den er jaar­lijks 1500 tot 3000 paar in vooral het mid­den en oosten des lands. Verkavelin­gen, inten­siever graslandge­bruik, muizenbe­stri­jd­ing, e.d. maak­ten het leven van kerkuilen niet makke­lijk. Daar­door waren er na de strenge win­ter van 1963 en vooral die van 1979 nog maar 100 paar over. Sinds­dien gaat het weer beter. In de 90′er jaren waren er weer 7001200 paar en na de warme en muizen­rijke top­jaren 2004 en 2005 werd het aan­tal paren geschat op 2800. Deze uilen broe­den vooral in nestkas­ten en hebben zich ged­won­gen door de veran­derin­gen op het plat­te­land geves­tigd in hele andere gebieden zoals bossen, Flevoland en in steden.

Bij­zon­der

: De kerkuil vangt muizen op het oog, maar vooral op het gehoor. Het karak­ter­istieke hartvormige ‘gezicht’ van de uil dient om licht en geluid te focussen. Een kerkuil kan wel 10 jaar oud wor­den, maar gemid­deld wordt hij maar 2 jaar. Dat komt omdat de meeste jon­gen vroeg ster­ven.
Som­mige uilen­man­net­jes bedi­enen tegelijk­er­tijd meerdere vrouwt­jes. Een beroemde uil uit de Haar­lem­mer­meer had op enig moment 3 vrouwt­jes met broed­sels tegelijkertijd.

Waar

: In de vijftiger jaren verd­ween de Kerkuil uit de Haar­lem­mer­meer. De laat­ste meld­ing was uit 1956. In de negentiger jaren kwam de soort weer terug. Vooral door het werk van de roofvo­gel– en kerkuilen­werk­groep en de wel­wil­lende medew­erk­ing van veel agrar­iërs nam de stand toe van 1 paar in 1991 tot 910 paar in 2005. 2006 lijkt weer een slecht jaar. Tot op heden zijn er niet meer dan 23 broe­dende paart­jes gecon­sta­teerd. We houden ons dus aan­bev­olen voor meldingen.

 houtsnipvogelsHout­snip8 okt 2006okto­ber
 houtsnip

De hout­snip is een bosvo­gel van ongeveer 35 cm lang. Het is een schuwe vogel, die erg goed gecam­ou­fleerd is. Hij leeft van wor­men, lar­ven en insecten, die hij vindt door met zijn lange snavel in de grond te boren. Hij is vooral bek­end door zijn intrigerende baltsvlucht. Het man­netje vliegt daar­bij met snelle, schokkerige vleugel­sla­gen over bosran­den en open plekken en laat daar­bij een serie knor­rende gelu­iden horen, gevolgd door een hoog explosief geluid. De hout­snip is helaas erg geliefd bij jagers omdat de vogels door hun typ­is­che vlucht moeil­ijk te raken zijn. Toch wor­den er alleen al in Frankrijk jaar­lijks zo’n 200.000 vogels geschoten.

Waar

: In Ned­er­land broe­den ongeveer 3000 paar. Broedgevallen zijn niet bek­end uit de Haar­lem­mer­meer, maar dat zegt niet alles bij een vogel met zo’n goede schutkleur.

Bij­zon­der

: Hoewel de vogel waarschi­jn­lijk niet broedt bij ons, kan hij toch vaak in de Haar­lem­mer­meer wor­den waargenomen. Dit artikel is dan ook voor­spel­lend bedoeld, zodat u er op kan let­ten.
Tal­loze over­win­ter­aars trekken namelijk door Ned­er­land in oktober-​november uit Noord-​Oost Europa, op de vlucht voor sneeuw en vorst. De terugtrek is in maart-​april. Uit eigen waarne­m­ing lijkt het erop, dat de vogels ’s nachts trekken en zich overdag in bosjes ophouden. Deze bosjes zijn niet zelden gewoon tuinen in de bebouwde kom. De vogel heeft daar­bij de gewoonte om op zijn cam­ou­flage te vertrouwen tot u er bijna op trapt. Door hun explosieve manier van opvliegen, komt het helaas vaak voor dat ze zich tegen ramen te plet­ter vliegen. Elk jaar in okto­ber en maart is er daarom een hausse aan gewonde en dode hout­snip­pen bij de dierenambulance.

 krooneendvogelsKrooneend20 okt 2006okto­ber
 krooneend

Krooneen­den en vooral de man­net­jes, zijn bij­zon­der mooie bijna tro­pisch aan­doende vogels in meren en plassen met een riet– of kruiden­rijke oever. Een rijke onder­wa­ter­veg­e­tatie, liefst van kran­swieren, is een vereiste, omdat deze planten de hoofd­moot van het menu uit­maken. Dier­lijk voed­sel als slak­jes en insecten vormt slechts een aan­vulling hierop.

Bij­zon­der

Het voed­sel van de krooneend bestaat vooral uit kran­swieren. Dat is een bij­zon­der hard onap­peti­jtelijk wier dat vol zit met sili­cium (zand­kristallen) en daarom erg onaan­ge­naam aan­voelt bij aan­rak­ing tij­dens b.v. zwem­men. Het is een weinig con­cur­ren­tiekrachtige onder­wa­ter­plant die vooral in helder en voed­se­larm water voorkomt. En daar hebben we in Ned­er­land niet veel van, zoals het voorkomen van de zeldzame krooneend illustreert.

Waar

Krooneen­den zijn oor­spronke­lijk afkom­stig uit Azië, waar de soort in ondiepe steppe­meren voorkomt. Aangenomen wordt dat de krooneend naar West-​Europa uitweek omdat de kwaliteit van het oor­spronke­lijke leefge­bied sterk afnam. Pas sinds 1942 wor­den krooneen­den in Ned­er­land waargenomen, vooral in de Utrechts/​Hollandse veen­plassen en wat later de Rand­meren. Lange tijd schom­melde het aan­tal broed­paren tussen de 30 en de 65. Eind jaren tachtig waren daar­van nog 15 paren over. Sinds 1990 is sprake van een kleine oplev­ing; het huidige bestand wordt geschat op 120 tot 170 paren, die broe­den in Bot­shol, de Vinkeveense Plassen en bij Rot­ter­dam.
Gezien de zeldza­amheid van de eend en zijn hoge eisen, mag het bij­zon­der heten dat begin okto­ber 2006 (en ook in 2005 om dezelfde tijd) een man­net­jes krooneend een tijd verbleef aan de ecol­o­gis­che oever in Toolen­burg.

Waar te nemen: af en toe als pas­sant

Status:Niet beschermd

 ijsvogelvogelsIJsvo­gel24 okt 2006okto­ber
 ijsvogel

De ijsvo­gel staat op de Rode Lijst van bedreigde en kwets­bare vogel­soorten in Ned­er­land. Tussen 1995 en 2002 schom­melde hun aan­tal in ons land tussen 3070 broed­paar (1997) en 650700 broed­paar (2002). Anders dan zijn naam doet ver­moe­den, moet de ijsvo­gel niets van strenge win­ters hebben. Bij strenge vorst hebben ze het als stand­vo­gel zwaar. Hun voor­naam­ste voed­sel, kleine vis­jes zoals stekel­baarzen, zijn dan gedurende lange tijd onbereik­baar onder een dikke laag ijs. Tij­dens strenge win­ters kri­jgt de pop­u­latie dan gevoelige klap­pen. Een ver­lies van 8095% is dan geen uit­zon­der­ing.
Grote ver­liezen waren er recen­telijk tij­dens de strenge win­ters van 199596 en 199697. De soort kent dan ook van nature grote schom­melin­gen. Maar gelukkig kan de stand zich in 57 jaar weer her­stellen tot een niveau van voor een strenge winter.

Waar

: Van de Haar­lem­mer­meer is één broedgeval bek­end. Doortrekkers, van augus­tus tot de vorst invalt daar­ente­gen, zijn er elk jaar vrij veel, vooral langs de Geniedijk. Op dit moment staat de teller op 3, in som­mige jaren zien wij er wel 810. Soms bli­jven de vogels vele weken op dezelfde plaats.

Bij­zon­der

: De ijsvo­gel is een zeer opval­lende vogel die zowel aan de lichaams­bouw, de kleur, roep en het gedrag gemakke­lijk te herken­nen is. Kleine vis­jes vor­men het belan­grijk­ste voed­sel en de ijsvo­gel komt dan ook vooral voor in de buurt van helder, vis­rijk water. De vogel jaagt vanaf een post boven het water of bid­dend in de lucht en stort zich ver­vol­gens lood­recht naar bene­den. De ijsvo­gel vliegt door­gaans in een rechte lijn snel en laag over het water. Een goede manier om de vogel te ont­dekken is door zijn luide en opge­won­den roep, die klinkt als wi-​wi-​wi-​wi-​wi.

 krakeendpaarvogelsKra­keend7 dec 2006decem­ber
 krakeendpaar

De kra­keend is een naaste ver­want van de wilde eend. Hij is iets kleiner en zoekt zijn voed­sel net als de wilde eend gron­de­lend (staart omhoog en kop naar bene­den). Zijn naam komt van het geluid dat hij maakt: namelijk niet ‘kwak’ maar ‘krak’. De soort is aan twee ken­merken goed te herken­nen: de zwarte kleur onder de staart (zie bij het man­netje op de foto) en de witte spiegel op de vleugel. Deze witte spiegel is ook nog bij de opgevouwen vleugels te zien (zie bij het vrouwtje op de foto). Oor­spronke­lijk is het een broed­vo­gel van de meren en moerassen in de step­pen van Mid­den– en West– Azië tussen 55 en 40 graden noorder­breedte, maar mogelijk door ont­gin­ning van deze gebieden heeft deze eend zijn areaal west­waarts uit­ge­breid. De soort komt ook vaak voor op wateren met aller­lei kun­st­matige dammen, taluds en dergelijke; waarschi­jn­lijk vor­men de zachte draadal­gen en wieren welke op het stenige sub­straat groeien een geliefde voedselbron.

Waar

De kra­keend is een typ­is­che soort van vrij grote wateren. Kra­keen­den wor­den dan ook vooral in de lage delen van Ned­er­land aangetrof­fen De kra­keend leeft op zoet en brak water. Hij nestelt dicht bij meren, moerassen en pold­er­sloten met rijke onder­wa­ter­veg­e­tatie. Ook in de Haar­lem­mer­meer komt de soort als broed­vo­gel voor en als win­ter­gast. Hoeveel paren hier broe­den is ons niet *bek­end. Veel groepen kra­keen­den verza­me­len zich ’s win­ters in de brede vaarten langs de Geniedijk en de 4 meren­weg. Groep­jes van 1030 dieren kun­nen vaak wor­den waargenomen. In één geval trof­fen wij in feb­ru­ari een groep van maar liefst 250 dieren aan die zich op het water en de wei­lan­den rond het fort bij Rijsen­hout had­den verzameld.

Bij­zon­der

Het gaat de kra­keend in Ned­er­land voor de wind. Vergeleken met enkele decen­nia gele­den is de pop­u­latie in Ned­er­land geëx­plodeerd. In de 1975 was het nog een zeldzame broed­vo­gel met 550800 paar in heel Ned­er­land. In het jaar 2000 werd het aan­tal broed­paren geschat op 6.000 tot 7.000 paar. Sinds­dien is het aan­tal vogels ongetwi­jfeld nog verder gestegen.

 dodaarsvogelsDodaars27 dec 2006decem­ber
 dodaars

De dodaars is de kle­in­ste fuu­tachtige. De soort dankt zijn naam aan het korte, witte achter­w­erk. Dodaarzen zijn broed­vo­gels van ondiepe en beschutte wateren. Duin­meren, uiter­waar­den, ven­nen en brede sloten zijn geliefde broed­plaat­sen. Het dri­jvende nest ligt in riet of ruigte aan de waterkant. Dodaarzen leven van waterin­secten, schelpdieren en kleine vis­jes, die op het oog wor­den gevan­gen. In de broedtijd vor­men insecten het groot­ste deel van het menu. De aan­wezigheid van water­planten is een belan­grijke voor­waarde voor het voorkomen.

Bij­zon­der

De dodaars is de kle­in­ste en rond­ste van onze water­vo­gels. Hij heeft vri­jwel geen staart. Het win­terkleed van beide sexen varieert van vaal­bruin van boven tot licht­bruin en wit van onderen. De dodaars is opval­lend schuw. Bij onraad laat hij zich snel zakken, zodat alleen zijn kop boven het water uit steekt. Soms duikt hij hele­maal onder. Deze vogel zal zich niet gauw uit het water wagen, hij beweegt zich zeer onhandig op het land.

Waar

De dodaars is een trekvo­gel en ver­laat de noordelijke gebieden (ook ons land) in de win­ter. Ons land wor­den dan echter gebruikt als win­ter­verbli­jf­plaats voor noordelijke dodaarzen. Het aan­tal broed­paren in Ned­er­land wordt door SOVON geschat op ongeveer 2000 en neemt jaar­lijks iets toe. In de win­ter verbli­jven er soms meer dan 10.000 exem­plaren in Ned­er­land. Het is goed mogelijk dat er paart­jes broe­den in de Haar­lem­mer­meer, maar de groot­ste kans op een waarne­m­ing is in de win­ter. De over­win­ter­aars kun­nen elk jaar in de hoofd­vaart en andere grote kanalen wor­den aangetroffen.

 slechtvalkvogelsSlecht­valk9 jan 2007jan­u­ari
 slechtvalk

 slechtvalk

De slecht­valk behoort tot de groot­ste valken met een gemid­delde grootte van 43 cm. De vogels hebben een lichte onderkant met dwars­ban­den en een donker­gri­jze rug. De jonge vogels zijn eerst bruin. Wereld­wijd zijn een twintig­tal onder­soorten bek­end. Zoals bij de meeste roofvo­gels is het vrouwtje veel groter en zwaarder dan het man­netje. De prooien zijn vooral vogels (duiven, een­den) die het liefst in de vlucht wor­den ges­la­gen en meestal op slag dood zijn. De slecht­valk bewoont bij voorkeur steile rot­sen en ravijnen.

Bij­zon­der

De slecht­valk staat bek­end als de snelst duik­ende vogel ter wereld. Het dier maakt vanaf grote hoogte steile duikvluchten en bereikt daar­bij snel­he­den tot meer dan 300 km/​uur.
De aan­tallen slecht­valken namen reeds in de Tweede werel­door­log sterk af, omdat zij mas­saal wer­den afgeschoten omdat zij post­duiven vin­gen (die tussen mil­i­taire posten wer­den gebruikt). In de jaren ′ 60 kreeg de soort in Europa bijna de doo­d­steek wegens het over­matige gebruik van DDT. Sinds hun bescherming in ver­schil­lende lan­den lijken ze opnieuw aan een opmars bezig.

Waar

In Ned­er­land en Bel­gië is deze vogel steeds vaker te bewon­deren. Vooral in de win­ter is de slecht­valk een regel­matige ver­schi­jn­ing aan het wor­den. Sinds het jaar 2000 zijn er al meer dan 5000 waarne­min­gen in Ned­er­land gedaan. Sinds begin jaren ′90 broedt deze vogel ook in Ned­er­land in spe­ciale nestkas­ten, die door een slecht­valken­werk­groep wor­den geplaatst. Het dicht­st­bi­jz­i­jnde nest is reeds meer dan 5 jaar in de toren van de Hemweg­cen­trale in een nestkast 80 m boven de grond. In Haar­lem wordt over­wogen een nestkast te plaat­sen. Ook de Haar­lem­mer­meer wordt regel­matig bezocht. Frap­pant is het vaste win­ter­be­zoek van een vrouwtje dat al meer dan 5 jaar lang in de buurt van Vijfhuizen is. Aan haar ruipa­troon kon afgeleid wor­den dat zij waarschi­jn­lijk uit Noord-​Zweden komt. Ook uit de buurt van Zwaan­shoek is ‘s win­ters een vaste bezoeker bekend.

Terug­meldin­gen

Een aan­tal waarne­min­gen wer­den gedaan gedurende de zomer van 2007
Waar te nemen: regel­matige doortrekker en win­ter­gast
Status:Rode lijst soort

 grotezaagbekmanenvrouwvogelsGrote Zaag­bek2 feb 2007feb­ru­ari
 grotezaagbekmanenvrouw

 grotezaagbekmanenvrouw

De grote zaag­bek is een broed­vo­gel van brede, langzaam stromende riv­ieren en meren omgeven door uit­gestrekte bossen met oude bomen. Voor broe­den is de vogel aangewezen op boomholtes. In Ned­er­land komt zo′n habi­tat niet of nauwelijks meer voor en de grote zaag­bek broedt dan ook niet in ons land. In de win­ter kun­nen grote zaag­bekken echter regel­matig bin­nen onze gren­zen wor­den aangetrof­fen. Vooral de man­net­jes (wit-​met-​groene-​kop) zijn dan een opval­lende ver­schi­jn­ing op plassen en riv­ieren. Het vrouwtje is totaal anders gek­leurd met een rode kop met grote kuif en een gri­jze rug. De grote zaag­bek leeft van vis en jaagt groepsgewijs.

Bij­zon­der

Max­i­maal 25% van de Noordwest-​Europese pop­u­latie van de grote zaag­bek verbli­jft ′s win­ters in Ned­er­land. Dat zijn ongeveer 20.000 vogels. Op het Ijselmeer lijken de aan­tallen achteruit te gaan. Mogelijk is dit te wijten aan een ver­min­derde beschik­baarheid van spier­ing. ′s Win­ters balt­sen man­net­jes door met opgezette kru­in­v­eren tegen­over elkaar hals– en kop­be­weg­in­gen te maken.

Waar

De Grote Zaag­bek is een win­ter­gast van decem­ber tm feb­ru­ari. Het IJs­selmeer en het aan­gren­zende deel van de Wad­den­zee zijn de belan­grijk­ste over­win­ter­ings– gebieden. Daar­naast komt de soort ook voor in het riv­ierenge­bied, het Delt­age­bied, de Bies­bosch, op de Noordzee, en in ver­schil­lende zoete wateren in het bin­nen­land. Vooral bij strenge vorst ver­schuift het zwaartepunt van de ver­sprei­d­ing naar het zuiden en neemt het belang van het riv­ierenge­bied en het Delt­age­bied toe. In zulke vorstpe­ri­o­den is de kans zeer groot om groep­jes in de Haar­lem­mer­meer te vin­den, b.v. in vijvers bin­nen de bebouwde kom, op de hoofd­vaart en op de grotere plassen zoals de Toolens­burgse plas. Vorig jaar omstreeks deze tijd verbleef een groep van 2 man­net­jes en 11 vrouwt­jes in het achterkanaal van de Geniedijk bin­nen de bebouwde kom van Hoofddorp.

 ransuilvogelsRan­suil11 feb 2007feb­ru­ari
 ransuil

Ran­suilen leven bij­zon­der onop­val­lend en wor­den dan ook zelden gezien. In de win­ter hebben ran­suilen de neig­ing om samen de dag door te bren­gen (‘roesten’) in groep­jes van 4 tot soms wel 30 exem­plaren. Op zo’n roest­plaats zit­ten de uilen overdag in een gestrekte houd­ing, een boom­stam imiterend. Het geluid van de ran­suil is al bijna even onop­val­lend als hun leefwi­jze. De ran­suil houdt zich vooral op in naald­bomen en coniferen. Hij zet zijn oor­pluimen rech­top en legt lichaamsv­eren plat bij ver­stor­ing. Hij broedt in ver­laten nesten van andere vogels, meestal van kraa­iachti­gen en roofvo­gels. Door de zachte win­ter zijn de uilen nu al aan het balt­sen. Daar­bij klap­pen ze in de schemer­ing hun vleugels hoor­baar tegen elkaar.

Bij­zon­der

Onder de veren gaat een ver­baz­ing­wekkend klein lichaam schuil. Een uil bestaat vooral uit veren, lijkt het. De snavel is een stuk groter dan het deel dat uit het gezichts­masker steekt. Muizen wor­den altijd in hun geheel naar bin­nen gew­erkt. Net als veel andere vogel­soorten maken ran­suilen braak­ballen, om de onver­teer­bare delen van hun prooi het lichaam uit te werken voor­dat hun spi­jsver­t­er­ingskanaal ver­stopt raakt. Onder roest­plaat­sen kan soms een hele berg van zulke harige ballen wor­den aangetrof­fen. I.t.t. bij voor­beeld reigers, die een bij­zon­der sterk maagzuur hebben waarin ook alle bot­ten oplossen, bli­jven de bot­ten en schedels in uilen­braak­ballen herken­baar bewaard. Voor onder­zoek­ers zijn deze een onschat­bare bron van infor­matie over het menu van de uilen en daarmee ook over de muizen die in een bepaald gebied voorkomen.

Waar

Door­dat ran­suilen zo′n onop­val­lend leven lei­den is het aan­tal ran­suilen slechts bij benader­ing bek­end. Wel is duidelijk dat deze uilen­soort moeil­ijke tij­den door­maakt; de aan­tallen zijn lager dan circa der­tig jaar gele­den. Waarschi­jn­lijk broe­den er in Ned­er­land ongeveer 5.000 tot 6.000 paren. In de Haar­lem­mer­meer zijn momenteel zo’n 10 roest­plaat­sen bek­end. De aan­tallen hangen nauw samen met voed­se­laan­bod. Als er veel veld­muizen zijn, dan zijn er rond de 60 en bij weinig veld­muizen zo’n 40 exem­plaren in de polder. De win­ter van 20062007 was matig tot slecht. Dat komt omdat we nu in een dal van de muizen­cy­clus zit­ten, die meestal 3 jaar duurt.

 bergeendvogelsBergeend23 feb 2007feb­ru­ari
 bergeend

De bergeend is een grote eend. Het veren­kleed is opval­lend wit, zwart en rood­bruin. Het man­netje is van het vrouwtje te onder­schei­den door een knobbel op de snavel (zie foto) Zijn voed­sel bestaat voor­namelijk uit slakken, wor­men, schelpdieren, kleine kreeft­jes en insecten. De bergeend is een typ­is­che mod­der­aar. Hij zoekt het liefst voed­sel in slikkige, open gebieden, zoals de Wad­den­zee. De soort is een holen­broeder en bouwt zijn nest vaak in een ver­laten koni­j­nen­hol. Helaas neemt het aan­tal koni­j­nen in de duinen sterk af, en daarmee de beschik­baarheid van geschikte broed­plaat­sen. Er vindt enige omscha­kel­ing plaats naar broe­den in een dichte vegetatie.

Bij­zon­der

De naam bergeend heeft niets met bergen in de zin van ′hoge heuvels′ te maken, maar met de voort­plant­ing; de soort kan relatief veel jon­gen groot­bren­gen of bergen. Van de bergeend is daar­naast bek­end dat een paartje makke­lijk zijn jon­gen ver­laat, b.v om te ruien. Gelukkig zijn de achterbli­jvende paart­jes goede plee­goud­ers. In mei kun­nen dan oud­ers met 2040 jon­gen van ver­schil­lend leefti­j­den wor­den waargenomen.

Waar

Ned­er­landse bergeen­den zijn deels stand­vo­gel, een deel van de vogels trekt in de win­ter weg naar Ier­land, Enge­land of Frankrijk. De bergeend komt de laat­ste decen­nia steeds meer voor in het bin­nen­land, waar ze vooral langs de riv­ieren, maar ook op akkers, aangetrof­fen kun­nen wor­den.
Sinds de jaren ′70 is er een lichte maar con­stante toe­name in Ned­er­land Dit komt vooral door­dat gebieden in het bin­nen­land gekoloniseerd zijn. Er is een groot ver­schil tussen het aan­tal paren dat een ter­ri­to­rium heeft (11.000), en het aan­tal paren dat ook daad­w­erke­lijk tot broe­den komt (5.0008.000).
Ook in de Haar­lem­mer­meer is de bergeend een steeds bek­ender wor­dende ver­schi­jn­ing. Schat­tin­gen over het aan­tal paren met ter­ri­to­ria var­iëren van 50100. De groot­ste aan­tallen komen voor rond de Groene Weelde en bij de gekan­telde perce­len. Losse paart­jes die rond deze tijd weer aan het ves­ti­gen van ter­ri­to­ria begin­nen te denken, kun­nen overal in de polder wor­den aangetroffen.

 halsbandparkietvogelsHals­band­parkiet23 mrt 2007maart
 halsbandparkiet

Het lijkt erop dat de Hals­band­parkiet dit jaar voor het eerst in de Haar­lem­mer­meer gaat broe­den. Hals­band­parki­eten zijn exoten uit tro­pisch Afrika en Zuid-​Azië, die ooit naar Europa zijn gehaald als volièrevogel. In de loop der jaren zijn een aan­tal van deze vogels ontsnapt of vri­jge­laten. Zij bleken goed te aar­den in ons kli­maat. De hals­band­parkiet is een opval­lend groen gek­leurde, vrij grote vogel met een lange, puntige staart en een rode snavel. Hij heeft een heel luide kri­jsende roep. De vogels vor­men paren voor het leven en begin­nen rond hun 3e lev­en­s­jaar te broe­den. Het zijn holen­broed­ers die meestal oude nesten van spechten gebruiken. Het voed­sel bestaat vooral uit zaden, gra­nen, bloe­men en nec­tar. Van tuin­voer eten de vogels het liefst pinda′s. De hals­band­parkiet heeft een voorkeur voor een parkachtige omgev­ing met grote bomen.

Bij­zon­der

De parki­eten leven meestal in groepen van 1015 vogels, maar bij slaap­plaat­sen buiten het broed­seizoen of op plaat­sen met een veel voed­sel kun­nen ze groepen vor­men van hon­der­den of zelfs duizen­den vogels. De vogels zijn weinig honkvast, een slaap­plaats waar het ene jaar hon­der­den vogels over­nachten, kan het vol­gende jaar ver­laten zijn. Over de ecol­o­gis­che invloed van hals­band­parki­eten is weinig bek­end. In som­mige gevallen lijkt het aan­tal spechten af te nemen bij grote aan­tallen parki­eten. In andere gevallen is dat niet geconstateerd.

Waar

De hals­band­parki­eten komen het meest voor rond de grote ste­den. Het ver­sprei­d­ings­ge­bied heeft twee ker­nen: Den Haag en Ams­ter­dam. Het eerste broedgeval dateert uit 1978 in Den Haag. Bij een lan­delijke telling in novem­ber 2004 werd de groot­ste pop­u­latie aangetrof­fen op een slaap­plaats in Voor­burg, bij Den Haag: 3200 exem­plaren. In diverse parken in Ams­ter­dam leef­den bij elkaar zo′n 1800 vogels; en in Rot­ter­dam 300. Ron­dom deze ker­nen breidt de soort zich langzaam uit. Al een aan­tal jaar trekken er in de win­ter groep­jes vogels langs de Geniedijk. Vorige week hebben een aan­tal vogels de nestholte van een bonte specht overgenomen bij Fort Aalsmeer na twee maan­den van verkenningen.

 SpechtgrotebontevogelsGrote Bonte Specht20 apr 2007april
 Spechtgrotebonte

De grote bonte specht is een vrij grote, kleur­rijke vogel van ongeveer 25 cm. Opval­lend zijn de zwart witte patro­nen op zijn rug en het rood op het achter­hoofd en de onder­buik. Hij voedt zich met insecten, vooral met de lar­ven van kev­ers die zich onder de bast ingraven, maar hij eet ook noten, bessen en zaden. Hij hakt zijn nest het liefst uit, in wat zachtere hout­soorten en begint een aan­tal ver­schil­lende gaten te hakken voor hij er één uitki­est om te neste­len. Nestkast­jes hebben bij deze vogels geen nut omdat het maken van een nest een onderdeel is van het balts­ge­drag. Het wijfje legt 46 witte eieren.

Bij­zon­der

De grote bonte specht is één van de vogel­soorten die sterk in aan­tal toen­e­men. ©n oorzaak daar­van is ongetwi­jfeld het gewi­jzigde boombeleid, waarin meer ruimte is voor dode takken en stam­men. Een andere reden is dat de soort zich goed aan­past aan de (door de mens bepaalde) omstandighe­den. Een leuk voor­beeld daar­van is het vol­gende: De grote bonte specht mar­keert zijn ter­ri­to­rium door op een resonerende dode tak te rof­fe­len. In het voor­jaar van 2007 kre­gen wij van twee plaat­sen door dat spechten ont­dekt hebben, dat metaal beter resoneert dan hout: nl. de licht­mas­ten van het hock­eyveld aan de Wieger Bruin­laan en een schoorsteenkap in Toolen­burg. Een specht­ens­midse is een zelf uit­ge­hakte of natu­urlijke holte waarin het dier noten of den­neap­pels in vastk­lemt om ze open te maken. De hals­band­parkiet is een snel in aan­tal toen­e­mende con­cur­rent die de neig­ing heeft om specht­en­holen in bezit te nemen. De menin­gen zijn nog verdeeld of dit de specht­en­stand wezen­lijk schaadt, of dat deze gewoon een nieuw hol uithakt.

Waar

Het ver­sprei­d­ings­ge­bied beslaat een groot deel van Europa en Noord-​Azië. Hij heeft een voorkeur voor den­nen­bossen, maar neemt der­mate in aan­tal toe dat hij vaak in en om woon­wijken komt, vooral als het boombe­stand wat ouder wordt. In de Haar­lem­mer­meer komen inmid­dels hon­der­den paren voor.

Voorkomen: Vrij algemene broed– en stand­voel

Sta­tus: niet spe­ci­aal beschermd