Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Rapun­zelk­lokje

op .

Regel­matige lez­ers weten van de afgelopen 12 jaar, dat er overal bij­zon­dere planten en dieren te vin­den zijn. Deze week kwam ik weer eens een bij­zon­dere plant op een wel heel curieuze plek tegen: mid­den op het enorme ver­steende en geas­fal­teerde kruis­punt Hoofdweg/​Van Heuven Goed­hart­laan tegen over het poli­tiebu­reau (foto). Mid­den tussen de bestrat­ing onder het ver­keer­licht stond een heus Rapun­zelk­lokje. Die naam alleen al maakt natu­urlijk al nieuws­gierig. Alleen op De Heiman­shof weet ik nog 12 andere Rapun­zelk­lok­jes te staan in de Haar­lem­mer­meer. Verder komt de soort vooral voor in Lim­burg en langs de riv­ieren met kalk houdende zand­grond. Ook hier is dat het geval. Hoofd­dorp is namelijk gro­ten­deels gebouwd op een oude zand­bank uit de Wad­den­zee die hier ooit lag. Diezelfde arme zand­grond met kalk is ook de reden dat er zoveel orchideeën in en om Hoofd­dorp groeien.

Bij­zon­der
Het Rapun­zel klokje is een twee– of meer­jarige soort die tot 90 cm hoog wordt. In de Mid­deleeuwen was deze soort zo alge­meen dat de bladeren en wor­tels een geliefde groente in rauwkost en salades vor­mde. De smaak van de wor­tel lijkt op radijs, maar dan zoet en opval­lend zacht. Het blad is fijn en neu­traal van smaak. Het woord Rapun­zel’ komt van rapa pon­tica (Latijn voor ‘raap van de Zwarte Zee’). In het sprookje Rapun­zel kri­jgt de dochter de naam van de raap­jes die haar moeder zo graag at toen ze haar verwachtte. De med­i­c­i­nale werk­ing van de plant stoelt op het gehalte aan inu­line (multifructose),vitamine C en een anti­sep­tis­che werk­ing.

Waar
Het rapun­zelk­lokje groeit in ons land op voed­se­larme dijken en in bermen, op kalkhoudende grond in Lim­burg, langs de riv­ieren en aanslui­tende zand­gron­den en regel­matig ook op spoorter­reinen. De meeste van deze graslan­den zijn tegen­wo­ordig overbe­mest en daarmee is ook het rapun­zelk­lokje bijna uit­gestor­ven. Alle klok­jes­soorten zijn overi­gens wet­telijk beschermd, of ze nu ergens tal­rijk staan of niet. De soort komt alleen in Europa, West Azië en NW Afrika voor.

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 4 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 aalscholvervogelsAalscholver10 feb 2008feb­ru­ari
 aalscholver

Jaar­lijks komen er meer aalscholvers naar de Haar­lem­mer­meer. Hun naam is mis­lei­dend, want pal­ing vormt maar een zeer klein deel van zijn menu, dat vooral uit brasem en voorn bestaat. Com­mer­cieel is de brasem niet inter­es­sant en aalscholvers vor­men dus niet of nauwelijks een con­cur­rent van de bin­nen­vis­serij. Wel weten ze in de win­ter feil­loos de plekken te vin­den waar vis­sen over­win­teren. Zo’n plek bezoeken ze tot alle vis­sen van de voor hun geschikte jaark­lassen op zijn. Hun dagrantsoen van 0.51 kg bestaat uit zo’n 510 vis­sen. De ongeveer 250 vogels die onze polder bezoeken eten dus zo’n 125250 kg vis per dag. Door de ver­meende con­cur­ren­tie om pal­ing is de aalscholver erg ver­volgd, waar­door er rond 1960 min­der dan 1000 paar over waren. Door bescherming, maar ook door toe­name van hun prooi­dieren (fos­faat), heeft de stand zich weten te her­stellen tot zo’n 20.000 broed­paren verdeeld over 25 kolonies.

Bij­zon­der

Aalscholvers broe­den in kolonies, meestal in moeras­bossen met elzen. Door de uitwerpse­len van de aalscholvers, die rijk zijn aan salpeterzuur, ster­ven de bomen waarin de nesten wor­den gemaakt. Anders dan de meeste andere water­vo­gels, bevat hun veren­kleed slechts zeer weinig vet. Daar­door is het niet water­dicht en wordt een duik­ende aalscholver dri­jf­nat. De vogels dro­gen zich door met ken­merk­end half gespreide vleugels op een paal of in een boom te gaan zitten.

Waar

Aalscholvers komen wereld­wijd voor. Onze vogels trekken alleen in heel koude win­ters weg naar Frankrijk en Spanje tot in Tune­sië. In nor­male win­ters wor­den onze vogels aange­vuld met dieren uit vooral Den­e­marken. Waar vossen leven, broedt de aalscholver in bomen. Op eilan­den, zoals Vlieland, wordt ook op de grond gebroed. Het belan­grijk­ste broedge­bied is rond het IJs­selmeer. De groot­ste kolonie is in de Oost­vaarder­splassen (8400 paar). Op het IJselmeer wordt meestal in grote groepen samen gejaagd. Daar­buiten, zoals in de Haar­lem­mer­meer, wordt vooral soli­tair gevist.

 wintertalingvogelsWin­ter­tal­ing30 mrt 2008maart
 wintertaling

Ook vanuit de trein kun je leuke din­gen zien. Van Hoofd­dorp tot Nieuw-​Vennep ligt langs de spoor­lijn aan de west­kant een ecol­o­gis­che oever (herken­baar aan riet en glooiende en gol­vende oev­ers).
Zulke water­par­ti­jen zijn een paradijs voor aller­lei water­dieren, zoals wilde een­den, meerkoeten en water­hoen­t­jes, maar ook voor bij­zon­dere soorten zoals de kra­keend, de slobeend, de smient en tot mijn ver­rass­ing ook 2 paart­jes win­ter­talin­gen. Al die water­vo­gels maken zich klaar voor, of zijn reeds aan het broe­den.
Een win­ter­tal­ing is het kle­in­ste eendje van Ned­er­land. Hij meet nog niet de helft van een wilde eend. Vooral het man­netje heeft een prachtig kleed (zie foto). Met de kop onder water zoeken ze kleine water­dieren en plan­taardig mate­ri­aal. Water­rijke gebieden met een welige begroei­ing van de oev­ers vor­men zijn favori­ete leefge­bied, maar alleen op voor­waarde dat het er rustig is. Water­sport en recre­atie ver­ja­gen deze soort heel snel. Met het sterk groeiend aan­tal ecol­o­gis­che oev­ers zou de Haar­lem­mer­meer een nieuwe uitwijk­plaats voor deze bij­zon­dere soort kun­nen worden.

Bij­zon­der

Sinds de jaren tachtig is het aan­tal broe­dende win­ter­talin­gen flink afgenomen. Hoewel deze soort, in tegen­stelling tot de zomer­tal­ing, geen bescher­mde Rode Lijst­soort is, betekent dat niet dat de win­ter­tal­ing heel alge­meen zou zijn of niet wordt bedreigd. In veel kleinere moeras­ge­bied­jes, ven­nen en in hoogveenge­bieden is deze soort inmid­dels zeldzaam gewor­den. Dit effect is vooral merk­baar in het oosten en in het zuiden van Ned­er­land. Vooral als het voor­jaar erg droog is, heeft de win­ter­tal­ing het moeil­ijk. Het aan­tal win­ter­talin­gen zit in de lift — omlaag, wel­tev­er­staan. In de peri­ode 19982000 is vast­gesteld dat er zo′n 2000 tot 2.500 paren in Ned­er­land broe­den, maar dat de soort sterk inlev­ert aan verspreidingsgebied.

Waar

In de win­ter komen vaak hoge aan­tallen voor. Bij win­tertellin­gen in de jaren negentig zijn wel eens 25.000 exem­plaren geteld. In koude jaren trekt de soort naar Zuid­west– Europa. In ons land mag hij niet bejaagd wor­den, maar in die regio vallen er tien­duizen­den slachtof­fers per jaar. In onze regio komt de win­ter­tal­ing het hele jaar voor, als broed­vo­gel en win­ter­gast. In het noor­doosten van Europa komt het dier alleen in de zomer voor, ter­wijl in het Mid­del­landse Zeege­bied win­ter­talin­gen alleen ′s win­ters te vin­den zijn. Meldin­gen bijzo

 boerenzwaluwvogelsBoeren­zwaluw20 apr 2008april
 boerenzwaluw

Het voor­jaar is wel koud geweest tot dusver, maar onafwend­baar komt de zomer dichter­bij. Vorige week zag ik de 1e boeren­zwaluwen, zoals meestal. Deze vogels hebben een reis uit Afrika achter de rug, vaak zelfs van bene­den de Sahara. Zijn lange vleugels en zijn slanke lijf maken hem zeer geschikt om in de lucht achter insecten aan te jagen. De boeren­zwaluw komt veel voor in de omgev­ing van water, waar ze rakel­ings over­heen scheren om muggen te verza­me­len. Zijn zang bestaat uit een druk gek­wet­ter dat vaak tij­dens de vlucht te horen is of vanaf een tele­foon­draad. De boeren­zwaluw leeft vooral in de buurt van boerder­i­jen, en aan de rand van ste­den waar hij al vliegend muggen, mot­ten, vliegen en kev­ert­jes vangt. Water drinken doet hij ook tij­dens de vlucht door laag over het water te scheren . Hij bouwt nesten in boeren­stallen, onder bruggen en afdaken. Er zijn 23 legsels per jaar. Meestal komen de zwaluwen weer terug op hun oude nest. Het nest is een halve cirkelvormige kom die van boven open is. Het wordt gemet­seld met vochtige aarde en speek­sel en ver­ste­vigd met gras en haar. Het nest wordt altijd zo geplaatst dat er een dak, brug of dak­goot boven zit zodat het vanuit de lucht niet opvalt.

Bij­zon­der

De naam boeren­zwaluw ver­raadt de band die deze vogel met de mens heeft. Van april tot okto­ber verbli­jven deze trekvo­gels in Ned­er­land. De win­ter wordt in Afrika doorge­bracht. Boeren­zwaluwen zijn echte luchtac­ro­baten. Het is bek­end dat een man­netje meer suc­ces heeft bij de vrouwt­jes naar­mate zijn staart­pun­ten langer zijn.

Waar

schi­jn­lijk zijn man­net­jes met lange staarten wend­baarder en daar­door in staat meer insecten te vangen.

Waar

De boeren­zwaluw broedt in geheel Europa. Verder behoren ook grote delen van Rus­land, West Siberië en van Turk­ije tot NW India tot zijn broedge­bied. De voorkeur van boeren­zwaluwen voor melkveestallen, manegege­bouwen e.d. maken, dat de soort bij vogel­tellin­gen nauwelijks wordt geteld. Door veran­derin­gen in de bedri­jfsvo­er­ing bij veel boerder­i­jen is de boeren­zwaluw­stand in West-​Europa teruggelopen. Sinds de jaren negentig lijkt de pop­u­latie in ons land echter redelijk sta­biel. Vol­gens een ruwe schat­ting broe­den er in Ned­er­land zo′n 100.000 tot 200.000 paar.

 braamsluipervogelsBraam­sluiper1 jun 2008juni
 braamsluiper

De braam­sluiper is een onop­val­lende vogel die zich zelden buiten dicht stru­ikge­was laat zien. De vogel ver­raadt zich eigen­lijk alleen door zijn opval­lende, rate­lende zang, die vanaf een ver­bor­gen zang­post wordt voorge­dra­gen. Vooral in de peri­ode vanaf koninginnedag tot ongeveer half juni. Erg opval­lend gek­leurd is de braam­sluiper ook niet. Zijn meest opval­lende ken­merk is zijn hals: slechts weinig zangvo­gels hebben zo′n witte keel (zie foto). Van dit ken­merk is zijn Engelse naam afgeleid (Lesser whitethroat: kleine wit­keel). Het nest van de braam­sluiper wordt gemaakt in een dichte en bij voorkeur steke­lige struik, zoals een mei­doorn, vuur­doorn of braam­struik. Deze omgev­ing gebruikt de braam­sluiper ook om naar insecten, rupsen en spin­net­jes te zoeken. Het nest bestaat uit een met ver­dord gras en wortelt­jes opge­bouwde kom. Het man­netje bouwt meerdere nesten op een goed ver­stopte plaats. Het vrouwtje kiest één van deze nesten en bek­leedt het met planten­ma­te­ri­aal en spinrag.

Bij­zon­der

Onze braam­sluipers over­win­teren hele­maal in Oost-​Afrika. Andere ver­wante broed­vo­gels, zoals de gras­mus, over­win­teren in de strook ten zuiden van de Sahara. Deze vogels hebben vallen vaak ten offer aan de regel­matig optre­dende droogtes in dat gebied. De braam­sluiper heeft daar min­der last van.

Waar

De braam­sluiper is een vrij schaarse broed­vo­gel. Hij ver­schi­jnt in de eerste helft van april en is voor 15 sep­tem­ber weer vertrokken. De broed­vo­gel­stand van de braam­sluiper neemt ges­taag toe, ten opzichte van een paar decen­nia gele­den. SOVON schat de stand op dit moment op 13.000 tot 20.000 paar in Ned­er­land. Braam­sluipers verbli­jven slechts zelden in boom­loze gebieden. De soort geeft de voorkeur aan gebieden met een hogere begroei­ing en mijdt ter­reinen met slechts hier en daar een struik. In heel Ned­er­land lijkt de braam­sluiper te prof­iteren van de typ­is­che nieuwbouwwijk-​tuinen en beplanti­n­gen met mei­doorn, berberis en liguster­soorten. Deze trend is ook in de Haar­lem­mer­meer waarneem­baar. Vooral in wat oud­ere wijken met hogere bomen en stru­iken is de rate­lende zang elk jaar meer te horen. De laat­ste 5 jaar is de braam­sluiper­stand alleen al in de oude kern van Hoofd­dorp van 12 naar een paar of 10 toegenomen. Meldin­gen bijzo

 bruinekiekendiefvrouwvogelsBru­ine Kiekendief24 jun 2008juni
 bruinekiekendiefvrouw

 bruinekiekendiefvrouw

De bru­ine kiek­endief is een grote roofvo­gel, die meestal laag over moerassen en rietvelden zweeft, met de voor alle soorten kiek­endieven ken­merk­ende houd­ing : een gol­vende vlieg­be­weg­ing, met de vleugels in een ondiepe V-​vorm. Bru­ine kiek­endieven neste­len op de grond in het riet of in graan­velden. De bru­ine kiek­endief jaagt voor­namelijk op prooien als kleine zoogdieren, vogels en amfi­bieën. Het vrouwtje is, net als de andere twee in Ned­er­land voorkomende kiek­endieven, groter dan het man­netje. Het vrouwtje heeft een donker­bru­ine kleur met een lichtere staart en een opval­lend licht­gele kruin. Het broed­seizoen voor de bru­ine kiek­endief begint vanaf begin april maar loopt door tot ver in mei. Er wor­den meestal 46 eieren gelegd, afhanke­lijk van het voed­se­laan­bod in dat seizoen.

Bij­zon­der

De kiek­endief is het sym­bool van de provin­cie Flevoland, waar de soort een sterk in aan­tal toe­nam door de rietvelden in de net drooggelegde pold­ers. Van Flevoland uit herkoloniseerde de soort Ned­er­land na de 60-​tiger jaren toen ook het gebruik land­bouwgif min­der werd.

Waar

De bru­ine kiek­endief heeft als broedge­bied de voorkeur voor moeras­ge­bieden met (oude) rietvelden. Door het verd­wi­j­nen van veel van deze gebieden is de vogel de laat­ste eeuw sterk in aan­tal achteruit gegaan. Het aan­tal broed­vo­gels in Ned­er­land wordt geschat op 10001500 paar . De laat­ste jaren is de soort vrij suc­cesvol. Met het toen­e­men van het aan­tal broed­paren is echter ook de kieskeurigheid ten aanzien van broed­plaat­sen afgenomen. Ze broe­den nu ook in akkers, smalle riet­sloot­jes e.d. In en om de Haar­lem­mer­meer komt de soort ook voor b.v in de riet­mo­erassen van de West­ein­der, bij Schalk­wijk en ook broedt er in ieder geval 23 paar elk jaar in de graan­velden van de polder. Een bij­zon­der ver­schi­jnsel is dat aan het einde van het broed­seizoen ver­schil­lende fam­i­lies uit de wijde omtrek zich verza­me­len om gemeen­schap­pelijk te over­nachten. Bij Bad­ho­eve­dorp was dat vorig jaar het geval met enige tien­tallen exem​plaren​.De soort over­win­tert voor een klein deel in Ned­er­land, maar de meeste bru­ine kiek­endieven trekken naar West Afrika, met name Sene­gal en Mali.

 patrijsvogelsPatrijs14 okt 2008okto­ber
 patrijs

 patrijs

De velden zijn weer kaal en vaak is er nog veel eet­baars achterge­bleven voor een schuwe en steeds zeldza­mer vogel: De patrijs. Een patrijs wordt zo’n 30 cm groot. Zijn poten zijn grijs en kop en keel zijn bruin. Man­net­jes hebben een donker­bru­ine buikvlek in de vorm van een hoe­fi­jzer. De vrouwt­jes hebben een kleinere vlek en de jon­gen nog geen. Voor de rest is er weinig ver­schil tussen man­net­jes en vrouwt­jes (in tegen­stelling tot zijn naaste fam­i­lielid de fazant). Een patri­jzen­paartje bli­jft i.t.t. kwar­tels, fazan­ten en kip­pen lev­enslang bij elkaar. De patrijs is moeil­ijk te houden in gevan­gen­schap omdat hij zeer gevoelig is voor infec­ties. Patri­jzen eten zowel plan­taardig als dier­lijk voed­sel, maar de jon­gen leven de eerste weken alleen van insecten en ander klein gedierte.

Bij­zon­der

Tot ver in de 20e eeuw was de patrijs een algemene broed­vo­gel, met enkele hon­derd­duizen­den broed­paren. Vanaf de jaren vijftig namde stand sterk af. dit terug­gang duurt nog steeds voort. Rond 1975 bedroeg het aan­tal broed­paren min­der dan 50.000 en begin jaren negentig was het verder ges­lonken tot 20.00025.000 paar. De meest recente schat­tin­gen gaan uit van 900013000 paar. De afname is het sterkst in het oosten en mid­den van het land. De patrijs staat daarom op de Rode Lijst van bedreigde en kwets­bare vogel­soorten in Ned­er­land met als sta­tus ′kwets­baar′. De reden voor de terug­gang is o.a. dat ze een gebrek hebben aan insecten, wat weer komt door­dat er nauwelijks kruiden­rijke over­hoek­jes meer zijn. Boven­dien zijn er onvol­doende stop­pelakkers om te over­win­teren. Verder sneu­ve­len er in het broed­seizoen veel nesten door maaien. Op de patrijs mag daarom op dit moment in Ned­er­land niet gejaagd worden.

Waar

In de Haar­lem­mer­meer kun je op ver­schil­lende plaat­sen nog patri­jzen­fam­i­lies tegenkomen. SOVON schat dat er hier nog 410 paart­jes per kilo­me­ter­hok (5x 5 km) voorkomen, maar dat lijkt mij zeer aan de ruime kant. De patrijs is een stand­vo­gel die in het over­grote deel van Europa voorkomt met uit­zon­der­ing van het uiter­ste zuiden en noor­den. Oor­spronke­lijk waren het steppe­be­won­ers, maar de soort heeft zich aangepast aan het leven in klein­schalig agrarisch land­schap. Akker­land is het meest in trek, vooral als dit wordt afgewis­seld met ruige dijken, slootran­den, weg­ber­men en houtwallen.

 koperwiekvogelsKop­er­wiek26 okt 2008okto­ber
 koperwiek

Een week gele­den is het weer volop begonnen: het ijle ‘tsieie’ geluid in de nacht en ook wel overdag. Dat betekent dat de kop­er­wieken uit Scan­di­navië, Noord-​Rusland en IJs­land weer bij miljoe­nen door ons land trekken, omdat het daar te koud aan het wor­den is. Kop­er­wieken zijn lijster­achti­gen die op zan­gli­jsters lijken. Ze zijn daar­van te onder­schei­den door duidelijke witte strepen onder en boven hun oog en de grote kop­erkleurige vlek in hun vleugelok­sel, die soms ook te zien is als ze hun vleugels opgevouwen hebben (zie foto). Van­daar hun naam. De vlucht van kop­er­wieken is krachtig en recht­toe rech­taan en lijkt op die van de spreeuw en totaal niet op de vlucht van merels en zan­gli­jsters, die echte bosvo­gels zijn, die het liefst in dekking bli­jven. Kop­er­wieken trekken meestal in groepen van 50200 indi­viduen en doen dat vaak in het gezelschap van kramsvo­gels, een andere lijster­achtige, die veel groter is en geen beschei­den ‘tsieie’ geluid maakt maar een veel ‘zelf­be­wuster’ ‘tjak-​tsjak’ laat horen.

Bij­zon­der

De kop­er­wieken hebben een spe­ciale reden om naar en door Ned­er­land te trekken. Ned­er­land staat namelijk vol met bessen­stru­iken: Lijsterbessen, vuur­doorns, zuurbessen, duin­doorns, mei­doorns en ga zo maar door. Deze bessen vor­men een groot deel van het win­ter­voed­sel voor deze vogels. Verder vullen zij hun dieet aan met wor­men en slakken en andere kleine dieren uit gazons en weilanden.

Waar

De kop­er­wiek zien we in Ned­er­land alleen in de win­ter. In Noord-​Europa is de Kop­er­wiek een tal­rijke broed­vo­gel van naald­bossen en berken­bossen. De pop­u­latie van Noord-​Europa wordt geschat op 3040 miljoen exem­plaren. Dit aan­tal kent grote vari­aties door vooral strenge win­ters of in jaren met een nat voor­jaar en daar­door een slecht broe­dresul­taat. In de win­ter trekken ze, meestal ′s nachts, naar het zuid­westen. Veel kop­er­wieken bli­jven in Ned­er­land over­win­teren. Alleen als de win­ter te koud wordt, ver­laten ze ons land weer en trekken verder naar het zuiden, of ver­plaat­sen ze zich naar de stad, waar het warmer is.

 kuifeendmangrootvogelsKuifeend20 nov 2008novem­ber
 kuifeendmangroot

 kuifeendmangroot

In alle brede vaarten, plassen en kanalen (b.v in de hoofd­vaart) tref je in deze tijd kleine eend­jes aan die bedri­jvig aan het duiken zijn. De vrouwt­jes zijn beschei­den bruin gek­leurd, maar de man­net­jes zijn opval­lend zwart met een witte flank. Ook hebben de man­net­jes een duidelijke zwarte kuif. Bij het vrouwtje is deze kuif kleiner. Beide sek­sen hebben een prachtig diep geel of oranje gek­leurd oog. De kuifeend is een tamelijk tal­rijke broed­vo­gel van onze streken, maar in de win­ter zijn ze mas­saal aan­wezig. Het kuifeendje hoort bij de groep van duikeen­den. Van deze groep komen in onze polder ook de tafeleend, de top­pereend en de krooneend voor. Het voed­sel van de kuifeend bestaat voor­namelijk uit slakken, mos­sels en waterin­secten en soms ook water­planten, die tij­dens lange duiken op de water­bo­dem wor­den gezocht. Door­dat de kuifeend langer onder water kan bli­jven dan de meeste andere duikeen­den, komt hij vaker voor in dieper water. Hij maakt zijn nest bij of in het water en soms zoekt hij bescherming bij kolonies meeuwen of sterns. Hij broedt i.t.t. de wilde eend laat en maar een­maal op 614 eieren. De jon­gen kun­nen na ca 6 weken vliegen.

Bij­zon­der

De kuifeend is de afgelopen 30 jaar enorm in aan­tal toegenomen. Broed­den er in Ned­er­land in 1950 nog maar enkele tien­tallen paren, op het ogen­blik wordt het aan­tal op ruim 10.000 paar geschat. Een mogelijke oorzaak is de snelle ver­sprei­d­ing van het driehoeksmos­seltje (een exoot uit Amerika). Maar de kuifeend neemt ook als broed­vo­gel toe in gebieden waar dit mos­seltje niet voorkomt.

Waar

De kuifeend is een trek– en zwer­fvo­gel. Hij komt voor in Mid­den– en West-​Europa. en in delen van Azië. Dit eendje houdt van wateren met een rijke oev­erveg­e­tatie. Je ziet ze vaak op grote meren en diepe sloten. Vooral de Hol­landse pold­ers en duinen zijn geliefde broedge­bieden. In de win­ter zoekt de kuifeend vaak open water op, waar­bij de Ned­er­landse pop­u­latie aange­vuld wordt met heel veel vogels uit het noorden.

 grauwegansgrootvogelsGrauwe Gans23 nov 2008novem­ber
 grauwegansgroot

 grauwegansgroot

‘s Win­ters trekken er overal ganzen in lange V-​vormige slierten over de Haar­lem­mer­meer, die soms op akkers en graslan­den neer­strijken. De meest voorkomende soorten zijn kol­gans, riet­gans en grauwe gans. De grauwe gans is een van de (vele) goed nieuws natu­urver­halen van de laat­ste tijd. In de 50-​tiger jaren was de gans als broed­vo­gel in Ned­er­land prak­tisch uit­gestor­ven (als win­ter­gast bleef de soort wel alge­meen). Jacht, gebrek aan geschikte gebieden en wellicht ook pes­ti­ci­den had­den daaraan bijge­dra­gen. De droog­leg­ging van de Flevopold­ers en vooral de Oost­vaarder­splassen hebben er sterk aan bijge­dra­gen dat ze weer bleven om te broe­den. De toe­name ging daarna explosief. De 150 paar uit 1970 waren in 2005 toegenomen tot zo’n 25.000 paar en de aan­tallen nemen nog steeds toe. Grauwe ganzen broe­den graag op de grond in bosjes met grasland en riet in de buurt. Die vin­den ze zelfs, nu de Oost­vaarder­plassen vol zijn, op aller­lei curieuze plaat­sen, zoals kruisin­gen van snelwegen.

Bij­zon­der

De grauwe gans is de stam­vader van de tamme gans en maakt het­zelfde geluid. Tij­dens het broed­seizoen ver­li­est een gans al zijn slag­pen­nen tegelijk­er­tijd en kan dan een tijd niet vliegen. In die tijd houdt hij zich het lief­ste schuil in rietvelden. Daar kan hij, door het eten van jong riet de (excessieve) ver­sprei­d­ing van deze soort tegen­gaan. Dat de Oost­vaarder­splassen niet zijn dicht­ge­groeid, is vooral hier­aan te danken. Het broed­suc­ces van de grauwe gans heeft in de Haar­lem­mer­meer tot een spe­ci­aal prob­leem geleid. De vogel weegt wel 34 kg en kan aanzien­lijk schade aan vlieg­tu­ig­mo­toren aan­richten als hij aange­zo­gen wordt. Daarom wor­den ganzen tot in de wijde omtrek rond Schiphol zwaar ver­volgd. Of dit veel zin heeft als de ganzen van half Europa naar Ned­er­land komen, waar de ecol­o­gis­che omstandighe­den verder ideaal zijn, is de vraag.

Waar

In Ned­er­land broe­den grauwe ganzen in moerassen en andere vochtige gebieden. In de win­ter over­win­teren ganzen uit heel Noord– en Oost-​Europa in Ned­er­land. Broe­dende grauwe ganzen kun­nen in de buurt van de Haar­lem­mer­meer aangetrof­fen wor­den in de Kager­plassen, in de kruis­ing van de A9 en de A2 en aan de Oud­erk­erk­er­plas. Voor meldin­gen van broedgevallen in de polder zelf, houden wij ons aanbevolen.

 huismusvogelsHuis­mus14 dec 2008decem­ber
 huismus

 huismus

Bijna dagelijks fiets ik langs een huis met een mooie vuur­doorn op het zuiden. Als het dezer dagen droog of mooi weer is, ver­gaat horen en zien je bij die struik. Het lijkt wel of alle huis­mussen uit de buurt zich daar hebben verza­meld en elke dag ruim genoeg stof tot over­leg hebben. De huis­mus eet zaden en insecten. Het lied van dit ‘zang’vogeltje beperkt zich tot getjilp. De mus is een stand­vo­gel: hij bli­jft jaar­rond bin­nen een paar hon­derd meter van zijn nest­plaats. Het man­netje is te onder­schei­den van het vrouwtje, omdat hij uit­ge­spro­kener getek­end is (zie illus­tratie). Een mussen­paar bouwt samen een nest, waarin het vrouwtje 47 eieren legt. Na ongeveer 12 dagen broe­den, komen de eieren uit. De eerste dagen wor­den de kuikens door beide oud­ers met insecten gevoed, maar al snel wordt het dieet gevarieerder en plan­taardi­ger. Na ongeveer 2 weken vliegen de jon­gen uit.

Bij­zon­der

In Ned­er­land zijn de huis­mussen de laat­ste decen­nia sterk afgenomen van 12 naar 0.51 miljoen broed­paren. Hoewel het nog een algemene vogel is, staat de soort daarom sinds 2004 als ′zorgelijk′ op de Rode Lijst voor bedreigde vogel­soorten. Deze dal­ende trend, die nog steeds door­gaat, heeft vele oorza­ken, b.v. in de ste­den: huizen wor­den gebouwd zon­der dak­pan­nen, of zo goed geï­soleerd, dat er geen broed­hol­let­jes zijn. Het betege­len van tuinen neemt zijn tol eve­nals het in onbruik raken van het buiten uitk­lop­pen van tafelk­le­den. Door het nethei­dsstreven in de wijken zijn er min­der wilde hoek­jes met zaden en insecten. Verder speelt de sterke toe­name van het aan­tal kat­ten sinds de 90-​tiger jaren een rol. In de land­bouw: het ver­bouwen van andere gewassen (mais) dan gra­nen. Het afdekken van mest, waar voorheen veel insecten bij rond­vlo­gen. Effi­ciën­ter oog­sten waar­door er min­der voor de mussen bli­jft liggen. Natu­urlijke oorza­ken: door afne­mend pes­ti­cidege­bruik neemt de roofvo­gel­stand toe, waaron­der de sper­wer. Een nest jonge sper­w­ers wordt met zo’n 700 vogels groot­ge­bracht, waaron­der veel mussen.

Waar

De huis­mus leeft bijna overal ter wereld, i.i.g. in bijna alle gematigde en sub­tro­pis­che streken, vaak dicht­bij of in woonge­bieden van mensen. Voor een deel is de ver­sprei­d­ing op een natu­urlijke wijze ver­lopen, voor een deel is de huis­mus door de mens ver­spreid en geldt als cul­tu­ur­vol­ger. Spe­ciale oproep: Actieplan huis­mus Om de huis­mus voor verdere terug­gang te behoe­den heeft Vogelbescherming Ned­er­land en actieplan opgesteld, waaraan gemeentes, bouwbedri­jven, hov­e­niers en burg­ers een bij­drage aan kun­nen lev­eren. Huis­mussen zijn stand­vo­gels en groeps­dieren, die niet ver vliegen. Herkolonisatie kan alleen vanuit bestaande kolonies. De belan­grijk­ste aan­bevelin­gen in het plan zijn: holtes (her)openen en/​of nestkas­ten plaat­sen in groepen, het planten van halfhoge inheemse stru­iken en het inrichten of laten bestaan van ruigtes. En natu­urlijk helpt het ook als u uw tafelk­leed weer dagelijks uitk­lopt of kruimels strooit. Graag kri­j­gen we meldin­gen waar groepen mussen zich nog gehand­haafd hebben in de Haar­lem­mer­meer en ook wie er belang­stelling heeft om mee te werken aan het actieplan voor de huis­mus. Miss­chien een leuke ker­stgedachte of voorne­men voor het nieuwe jaar.

 Bokjevogelsbokje2 jan 2009jan­u­ari
 Bokje

Vorige week maakte de Geniedijk zich voor mij weer eens waar als ecol­o­gis­che verbind­ingsroute. Wat was het geval: met het invallen van de vorst waren de ondiepe kuilen, die ontstaan waren bij het slopen van het Hoofd­vaart­col­lege op het toekom­stige Jan­so­niuster­rein als eerste dicht­gevroren. Voor de jeugd van het Oude Buurtje, waaron­der mijn zoon, trok dit ijs als een mag­neet. Bij het verken­nen van de sterkte van het ijs, stru­in­den zij door de dichte bosjes van elzen en wilgen, die de afgelopen 2 jaar waren opgeschoten. Uit die bosjes vlo­gen enige tien­tallen vogels op, waar­van hun beschri­jv­ing klonk als een kruis­ing tussen een water­snip en een oev­er­loper. Daar moest ik het fijne van weten. Met 1015 kinderen, al of niet op de schaats, in mijn kiel­zog verk­ende ik zelf de bosjes en tot mijn niet geringe ent­hou­si­asme vlo­gen er een aan­tal bok­jes op. Bok­jes zijn de kle­in­ste en zeldza­am­ste van de sni­pachti­gen. Net als de hout­snip vertrouwen ze sterk op hun schutk­leur en bli­jven rustig zit­ten tot iemand vlak bij is. Water­snip­pen zijn veel schuwer en gaan al op grote afs­tand op de wieken. Hoewel het bokje lijkt op de water­snip, is hij veel kleiner en heeft een korte snavel, wat de kinderen haarfijn had­den waargenomen. Er lopen twee roomk­leurige strepen langs de kruin die over­gaan in twee strepen op de rug (zie foto). Het bokje is een schuwe vogel, die vooral ′s nachts en in de schemer­ing actief is.

Bij­zon­der

Bok­jes zijn soli­taire vogels, waar­van je er zelden meer dan 25 bij elkaar ziet. Dat er 2030 bij elkaar zaten op het Jan­so­niuster­rein is naast hun zeldza­amheid dus dubbel bij­zon­der. Het bokje is meestal zwi­jgzaam, in tegen­stelling tot de water­snip, die luid krassend wegvliegt. In de baltsvlucht maakt hij echter een geluid als van ‘een galop­perend paard in de verte’. Snip­pen zijn geliefde jachtvo­gels. Niet zozeer omdat ze zo lekker zijn, maar omdat ze bij het (onverwachts) opvliegen snelle haakse beweg­in­gen maken. Dat maakt ze moeil­ijk te raken en daarmee voor jagers blijk­baar extra inter­es­sant om neer te leggen.

Waar

Het bokje maakt zijn nest in de uit­gestrekte hoogveenge­bieden in het noor­den van Scan­di­navië en Rus­land. De soort over­win­tert in West-​Europa en in het Middellandse-​Zeegebied in vochtige gebieden met vol­doende beschut­ting. Het (huidige) Jansonius-​terrein past per­fect in dat profiel.

 baardmannetjevogelsBaard­man­netje13 dec 2009decem­ber
 baardmannetje

 baardmannetje

Toen ik langs de Geniedijk van Hoofd­dorp naar het Haar­lem­mer­meerse Bos fiet­ste, werd mijn aan­dacht getrokken door een nadrukke­lijk ´ping, ping´. Maar het kon geen race­fi­ets zijn, die mij probeerde in te halen, want het geluid kwam uit het riet dat bijna de hele ecol­o­gis­che oever — die daar te plaatse is aan­gelegd langs de oude spo­ordijk — aan het zicht ont­trekt. Dit geluid kende ik uit Flevoland in de jaren zeventig, maar had ik nog nooit in de Haar­lem­mer­meer geho­ord. In het riet zat een groepje baard­man­net­jes! Het baard­man­netje lijkt op een mees, maar is er geen. Toch noemt men de vogel ook vaak baard­mees en soms riet­pa­pe­gaai. Het man­netje is te herken­nen aan de zwarte baard­streep, waar ze ook hun naam aan te danken hebben. Het baard­man­netje is een stand­vo­gel, die niet wegtrekt in de win­ter. De aanzien­lijke sterfte in strenge win­ters en late vorstpe­ri­odes wordt goedge­maakt door grote legsels. ©n paartje kan in een goed jaar 10 tot 20 jon­gen groot­bren­gen. Bij voorkeur eet het baard­man­netje insecten, maar in de win­ter schakelt hij over op een dieet van vri­jwel alleen zaden van riet. In het broed­seizoen leven paart­jes bij elkaar. In de win­ter verza­me­len zij zich in groepen en zwer­ven over grotere gebieden rond.

Bij­zon­der

Het baard­man­netje staat op de Rode Lijst van bescher­mde soorten, omdat meer dan een kwart van de Noordwest-​Europese pop­u­latie in ons land broedt en van­wege de kwets­baarheid van het leefgebied.

Waar

Het baard­man­netje is een vogel van uit­gestrekte riet­mo­erassen. Gezien de rijk­dom aan riet­landen zal het baard­man­netje vroeger een gewone broed­vo­gel zijn geweest. Droog­leg­ging van vele moerassen lei­dde tot een afname, maar in de jaren der­tig was het nog een tal­rijke broed­vo­gel. Spec­tac­u­lair waren de aan­tallen in de droog­val­lende Flevopold­ers, van waaruit grote delen van West-​Europa (her)bevolkt wer­den. In de Haar­lem­mer­meer zijn weinig of geen riet­mo­erassen en komt de soort daarom waarschi­jn­lijk alleen af en toe op doortrek voor.