Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Rapun­zelk­lokje

op .

Regel­matige lez­ers weten van de afgelopen 12 jaar, dat er overal bij­zon­dere planten en dieren te vin­den zijn. Deze week kwam ik weer eens een bij­zon­dere plant op een wel heel curieuze plek tegen: mid­den op het enorme ver­steende en geas­fal­teerde kruis­punt Hoofdweg/​Van Heuven Goed­hart­laan tegen over het poli­tiebu­reau (foto). Mid­den tussen de bestrat­ing onder het ver­keer­licht stond een heus Rapun­zelk­lokje. Die naam alleen al maakt natu­urlijk al nieuws­gierig. Alleen op De Heiman­shof weet ik nog 12 andere Rapun­zelk­lok­jes te staan in de Haar­lem­mer­meer. Verder komt de soort vooral voor in Lim­burg en langs de riv­ieren met kalk houdende zand­grond. Ook hier is dat het geval. Hoofd­dorp is namelijk gro­ten­deels gebouwd op een oude zand­bank uit de Wad­den­zee die hier ooit lag. Diezelfde arme zand­grond met kalk is ook de reden dat er zoveel orchideeën in en om Hoofd­dorp groeien.

Bij­zon­der
Het Rapun­zel klokje is een twee– of meer­jarige soort die tot 90 cm hoog wordt. In de Mid­deleeuwen was deze soort zo alge­meen dat de bladeren en wor­tels een geliefde groente in rauwkost en salades vor­mde. De smaak van de wor­tel lijkt op radijs, maar dan zoet en opval­lend zacht. Het blad is fijn en neu­traal van smaak. Het woord Rapun­zel’ komt van rapa pon­tica (Latijn voor ‘raap van de Zwarte Zee’). In het sprookje Rapun­zel kri­jgt de dochter de naam van de raap­jes die haar moeder zo graag at toen ze haar verwachtte. De med­i­c­i­nale werk­ing van de plant stoelt op het gehalte aan inu­line (multifructose),vitamine C en een anti­sep­tis­che werk­ing.

Waar
Het rapun­zelk­lokje groeit in ons land op voed­se­larme dijken en in bermen, op kalkhoudende grond in Lim­burg, langs de riv­ieren en aanslui­tende zand­gron­den en regel­matig ook op spoorter­reinen. De meeste van deze graslan­den zijn tegen­wo­ordig overbe­mest en daarmee is ook het rapun­zelk­lokje bijna uit­gestor­ven. Alle klok­jes­soorten zijn overi­gens wet­telijk beschermd, of ze nu ergens tal­rijk staan of niet. De soort komt alleen in Europa, West Azië en NW Afrika voor.

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 8 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 kolibrievlindervlin­dersKolib­rievlin­der28 aug 2007augus­tus
 kolibrievlinder

De kolib­rievlin­der hoort bij de pijl­staartvlin­ders. Dit zijn meestal nachtvlin­ders, maar kolib­rievlin­ders zijn zoge­naamd dagac­tieve nachtvlin­ders en wor­den vooral op warme wind­stille dagen in de mid­dag en vroege avond gezien.
Het is een regel­matig voorkomende migrant die ieder jaar in wis­se­lende aan­tallen gezien wordt in Ned­er­land. De vlin­der hangt stil in de lucht voor een bloem om nec­tar te drinken. Van­wege deze eigen­schap heeft deze vlin­der de naam kolib­rievlin­der gekre­gen. Alle pijl­staartvlin­ders hebben een lange roltong om nec­tar te halen uit planten met lange buis­bloe­men, die voor de meeste insecten niet toe­ganke­lijk zijn, zoals kam­per­foelie, petunia′s, zeep­kruid of slangekruid. De vliegtijd is van mei tot novem­ber in twee tot drie gen­er­aties. De tot 5 cen­time­ter lange rups leeft vooral van wal­strosoorten, waar ook meekrab toe beho­ord. Van­daar dat de vlin­der ook wel meekrapvlin­der genoemd wordt.

Bij­zon­der

: Het fourageren (nec­tar eten) van de kolib­rievlin­der is een spec­tac­u­lair gezicht. Het is een grote vlin­der met een span­wi­jdte van ongeveer 4 tot 6 cen­time­ter. Omdat de vlin­der zich con­stant van bloem tot bloem ver­plaatst en daar even stil bli­jft hangen heeft hij ook de naam onrustvlin­der gekre­gen. Ook bij­zon­der aan deze soort is dat de exem­plaren die je in mei en juni ziet al een hele reis achter de rug hebben. Het is een Zuid-​Europese soort, waar­van een deel jaar­lijks over de Pyre­neeën en de Alpen trekt naar onze streken. Ze leggen hier eieren die in sep­tem­ber uitkomen. Deze tweede gen­er­atie vlin­ders kan zich hier verder niet voort­planten, want onze win­ters zijn te koud. Het is mogelijk dat een deel weer terugtrekt, maar dat is niet hele­maal zeker.

Waar

De eerste kolib­rievlin­der is in 2006 in juni al weer waargenomen in Hoofd­dorp noord op kam­per­foelie en in 2007 in mei in Hoofd­dorp Oost op lavendel.

 nachtvlinderhuismoedervlin­dersNachtvlin­ders29 aug 2007augus­tus
 nachtvlinderhuismoeder

 nachtvlinderhuismoeder

Lievelin­gen en huis­moed­ers gezocht. Er zijn veel meer nachtvlin­ders dan dagvlin­ders. Vri­jwel alle nachtvlin­ders vliegen ‘s nachts, maar ruim hon­derd soorten zijn ook overdag actief. Nachtvlin­ders zijn van dagvlin­ders te onder­schei­den door de vorm van hun voel­s­pri­eten. In Ned­er­land zijn er meer dan 2000 nachtvlin­ders bek­end, waar­van 1300 kleine vlin­ders of mot­ten en zo’n 700 grote soorten. De Nationale Nachtvlin­der­Nacht richt zich op deze laat­ste groep.

Bij­zon­der

: Om in het donker te kun­nen leven hebben nachtvlin­ders zich op aller­lei manieren aangepast. ’s Nachts zijn ogen niet zo nut­tig. Nachtvlin­ders gebruiken daarom hun voel­s­pri­eten als ‘neus’ om voed­sel of een part­ner te vin­den. Bij som­mige soorten hebben de man­net­jes extreem grote spri­eten, waarmee ze een vrouwtje al op kilo­me­ters afs­tand kun­nen ruiken. Ook felle kleuren om vijan­den af te schrikken, zijn niet zicht­baar in het donker. Veel soorten nachtvlin­ders hebben daarom geen felle kleur, maar een cam­ou­flagepa­troon. Soorten als de huis­moeder hebben alleen een felle kleur op de ondervleugels. In rust zijn deze niet zicht­baar, maar bij ver­stor­ing laat hij ze zien ter­af­schrikking. ’s Nachts is het een stuk koeler dan overdag en een nachtvlin­der kan zich niet opwar­men in de zon. Veel soorten hebben daarom ste­vige vliegspieren. Door met de spieren te trillen war­men ze zich op tot de juiste tem­per­atuur om te vliegen. De dichte behar­ing die veel nachtvlin­ders hebben, zorgt ervoor dat de warmte wordt vastgehouden.

Waar

Nachtvlin­ders zijn zon­der hulp­mid­de­len vaak moeil­ijk te vin­den. Maar met lam­pen die lak­ens beschi­j­nen en met de geur van over­rijp fruit kun­nen ze heel goed gelokt wor­den. Op vri­jdag 7 sep­tem­ber van 19.00 tot mid­der­nacht is iedereen welkom op De Heiman­shof tij­dens de nationale nacht van de nachtvlin­ders. We hebben goede hoop op het aantr­e­f­fen van grote pijl­staartvlin­ders, zoals de liguster­pi­jl­staart, de pop­ulieren­pijl­staart en miss­chien zelfs de kolib­rievlin­der of een avon­drood. Huis­moed­ers en Lievelin­gen (foto‘s) zullen we zeker zien.

Terug­meldin­gen

Naar aan­lei­d­ing van het artikel over de groene specht, waarin 2 paart­jes gemeld wer­den, zijn er nog 4 extra paart­jes gemeld, op de Geniedijk en in het Haar­lem­mer­meerse Bos.

 grootavondrood2vlin­dersGroot avon­drood27 jul 2008juli
 grootavondrood2

 grootavondrood2

Eind juni was er op eiland 8 in Flo­riande enige com­motie toen er een gigan­tis­che roze ‘mot’ ver­scheen. Het bleek te gaan om één van de 19 in Ned­er­land voorkomende pijl­staartvlin­ders en wel het Groot avon­drood. Dit is een grote nachtvlin­der met een span­wi­jdte van 4,5 tot 6 cm, die vliegt van mei tot en met augus­tus. De meeste pijl­staartvlin­der zijn prachtig van kleur, maar de vlin­ders leven erg ver­bor­gen, zodat weinig mensen ze ken­nen. Ook het Groot avon­drood mag er zijn in zijn roze en oli­jf­groene tenue. Pijl­staartvlin­ders danken hun fam­i­lien­aam aan een uit­steek­sel op de staart van de rups. De waard­plant voor de rups is bij voorkeur het wilgen­roosje, maar hij kan ook op wal­strosoorten, springzaad en op kat­tes­taart gevon­den wor­den. In de tuin is hij wel eens te vin­den op Fuch­sia. Vol­wassen pijl­staartvlin­ders zijn gespe­cialiseerd in het opzuigen van nec­tar uit diepe bloe­men van ’s nachts bloeiende planten, zoals de kam­per­foelie, ron­don­den­dron en aza­lea soorten. Daar­voor beschikken ze over een zeer lange tong, die ze in de bloem steken ter­wijl ze als een kolib­rie voor de bloem zweven. Deze bloe­men wor­den door hen ook bestoven.

Bij­zon­der

De tot 8 cen­time­ter lange bru­ine rups wordt olifantsrups genoemd. Deze trekt bij ver­stor­ing zijn kop iets in en beweegt dan zijn ′nek′ heen en weer. Door de oog– achtige vlekken en spits toelopende ′kop′ (eigen­lijk de voorz­i­jde van het lichaam) lijkt hij dan op een slang. Met deze beweg­in­gen maakt hij zelfs tuinierende mensen aan het schrikken.’s. De olifantsrups komt voor in 3 kleur var­iëteiten, een zwarte, groene en bru­ine vorm.krachtige vliegers en halen makke­lijk 50 km/​uur.

Waar

Het groot avon­drood komt voor in heel Europa en kan ook in Ned­er­land overal wor­den aangetrof­fen, maar is ner­gens alge­meen. Uit de Haar­lem­mer­meer staat nog 1 waarne­m­ing uit de Haar­lem­mer­meer op www​.waarne​m​ing​.nl en verder zijn er meldin­gen uit de duinen en uit Amsterdam.

 kleine vuurvlindervlin­dersKleine Vuurvlin­der7 sep 2008sep­tem­ber
 kleine vuurvlinder

Tij­dens een rondlei­d­ing op het insecten­pad met een schoolk­las in het mooie week­end van 2831 augus­tus, zagen we naast tien­tallen Icarus­blauwt­jes en andere bek­ende vlin­ders ook 4 mooie onbek­ende oranje vlin­dert­jes. Nader onder­zoek leerde, dat het ging om de kleine vuurvlin­der. Deze heeft als waard­plant (waar zijn rupsen van eten) schapen­zur­ing en veldzur­ing. In de voor­jaars­gen­er­atie (mei t/​m juni) zetten de wijf­jes de eieren af op schapen­zur­ing en soms op veldzur­ing in hoge veg­e­tatie. De wijf­jes van de 2e gen­er­atie (juli t/​m okto­ber) gebruiken kleine planten van schapen­zur­ing in vrij korte, schrale veg­e­tatie. De eiafzet gebeurt alleen bij volle zon­neschijn aan de onderkant van het blad. Zodra een wolk schaduw geeft, wordt de eiafzet ges­taakt. De rupsen eten alleen van de onderz­i­jde van het blad . Van de boven­z­i­jde van het blad zijn de vraat­sporen als kleine ven­stert­jes te zien. Om te over­win­teren, spint de rups een zij­den kussen­tje op de sten­gel of een blad, dat ze af en toe ver­laat om zich, tij­dens peri­o­den met zachtere tem­per­a­turen, te voe­den. De vol­groeide rups ver­laat de waard­plant om te ver­pop­pen in de strooisel­laag of op een dood blad. Daarom is maaien van korte veg­e­tatie funest voor het hand­haven van een pop­u­latie van de Kleine vuurvlinder.

Bij­zon­der

In de Haar­lem­mer­meer werd deze soort maar heel af en toe waargenomen. Het gaat dan waarschi­jn­lijk meestal om exem­plaren die door de over­heersende ZW wind uit de duinen is ‘overge­waaid’. Het feit dat er op het insecten­pad (aan de ‘duinkant’ van het Haar­lem­mer­meerse Bos) 4 exem­plaren zijn waargenomen zou er op kun­nen wijzen dat een aan­tal ‘overge­waaide exem­plaren’ ook bij ons lev­ens­mo­gelijkhe­den hebben gevon­den. De schrale bermen van de N201 ter plaatse en het inrichten van natu­urstro­ken langs de IJtocht en bij het insecten­pad, zouden hier mede debet aan kun­nen zijn.

Waar

De kleine vuurvlin­der is een vrij algemene stand­vlin­der die ver­spreid over het hele land voorkomt, maar meestal niet in grote aan­tallen. Op de ver­sprei­d­ingskaart van de Vlin­der­sticht­ing staan er voor deze vlin­der in alle pold­erge­bieden met vette kleigrond grote witte vlekken en zo ook in de Haar­lem­mer­meer. De soort heeft namelijk een voorkeur voor vrij open en meestal droge gebieden, zoals schrale plekken op de zand­gron­den in graslan­den, hei­de­velden, kapvlak­ten, duinen, braak­liggende gron­den, tuinen en bermen.

 kleinewintervlindervlin­dersKleine Win­ter­vlin­der20 dec 2008decem­ber
 kleinewintervlinder

Bij insecten denkt iedereen aan warme dagen. Toch zijn er het hele jaar door insecten waar te nemen, ook bij koud en nat weer. Zo zijn de gallen van gal­we­spen, zoals de knikker­gal op de eik juist in de win­ter beter te vin­den. Maar ook zijn er mid­den in de win­ter, ver­rassend genoeg, nog actieve insecten te vin­den. Deze week gaan we het hebben over de kleine win­ter­vlin­der die op dit moment vrij alge­meen is waar te nemen in de bebouwde kom. Het is een nachtvlin­dertje van ongeveer 1.5 cm lang met weinig spec­tac­u­laire kleuren (zie foto). Op de foto is de behar­ing goed te zien waarmee ze de, voor insecten, barre tem­per­a­turen in de win­ter kun­nen weer­staan. Rupsen van de kleine win­ter­vlin­der zijn te vin­den van april-​juni. Als ze vol­groeid zijn laten zich aan een zij­den draad op de grond zakken, waarna ze zich in een ste­vige cocon ver­pop­pen. De soort over­win­tert als ei op een twijg of in een bast­spleet dicht bij een blad­knop. De man­net­jes vliegen meestal pas uit na de eerste nachtvorst vanaf okto­ber tot en met decem­ber. Ze vliegen hoofdza­ke­lijk in de avond­schemer­ing bij vochtig en nevelig weer en bij een tem­per­atuur net boven 0°C. Tij­dens zachte win­ters vliegen ze soms tot half jan­u­ari. De vlin­ders zijn vaak op ver­lichte ven­sters aan te tre­f­fen. Zowel de man­net­jes als de vrouwt­jes kun­nen in het donker rus­tend of omhoog kruipend op boom­stam­men wor­den waargenomen.

Bij­zon­der

Alleen de man­net­jes van de kleine win­ter­vlin­der kun­nen vliegen. De vrouwt­jes hebben alleen vleugel­stom­p­jes en kruipen wat rond op takken, tot de man­net­jes ze vin­den en bevruchten. De man­net­jes nemen de vrouwt­jes tij­dens de par­ing soms mee in de vlucht. De kleine win­ter­vlin­der is één van de vlin­ders die ver­ant­wo­ordelijk is voor de „rupsen­piek” in het voor­jaar, die ervoor zorgt dat zangvo­gels na de trek en voor hun jon­gen aan extra veel voed­sel kun­nen komen. Door sti­jging van de tem­per­atuur bleken, op zeker moment, de rupsen echter al uit het ei te komen voor­dat er blad aan de bomen was, waar­door deze rupsen stier­ven door gebrek aan voed­sel. Andere rupsen die later uitk­wa­men had­den meer geluk en hebben de soort behoed voor uit​ster​ven​.De rupsen kun­nen in som­mige jaren, door hun grote aan­tallen, schade veroorza­ken aan vruchtbomen

Waar

De kleine win­ter­vlin­der komt in heel Ned­er­land voor in tuinen, parken, loof­bossen, boom­gaar­den en andere lom­mer­rijke gebieden.

 landkaartjeonderkantvlin­dersLand­kaartje26 jul 2009juli
 landkaartjeonderkant

 landkaartjeonderkant

De eerste asso­ci­atie met insecten van veel mensen is ´eng´ tot ´steekt´ of ´jeukt´. Dat de meeste insecten eerder een oordeel ver­di­enen als ´fascinerend´ of ´nut­tig´ heb ik al vaker proberen te onder­strepen. U kunt dit zelf op het insecten­pad in het Haar­lemem­rmeerse Bos con­stateren. Gelukkig zijn er ook insecten­groepen die aan dit oordeel ontsnap­pen en de vlin­ders is daar één van. Dat vlin­ders heel pop­u­lair zijn blijkt uit de aan­dacht voor vlin­der­tu­inen, maar ook aan de grote aan­tallen mensen die aan vlin­dertellin­gen mee­doen. Dit week­end (1 en 2 augus­tus) is er een grote lan­delijke tuin­vlin­dertelling waar iedereen aan mee kan doen. Ik roep iedereen hier­bij op om daaraan mee te doen en de vlin­der­pop­u­latie van onze polder ´op de kaart´ te zetten. Alle infor­matie vindt u op www​.vlin​der​mee​.nl. Een van de vlin­ders die u daar­bij kunt tegenkomen is het land­kaartje. Het is een dagvlin­der uit de fam­i­lie van de vossen, par­el­mo­ervlin­ders en weer­schi­jn­vlin­ders. Het land­kaartje dankt zijn naam aan het netwerk van lij­nen op de onderkant van zijn vleugels (zie foto 1). De waard­plant van de rupsen is de brand­ne­tel. De eit­jes wor­den in sno­ert­jes aan de onderkant van de bladeren gelegd. De rups van het land­kaartje is zwart met rood­bru­ine doorns. Ook de ver­pop­ping vindt op de waard­plant plaats. De pop overwintert.

Bij­zon­der

Het land­kaartje komt voor in twee totaal ver­schil­lende vor­men. De eerste gen­er­atie in het voor­jaar (eind april tot juni) is oran­jerood (zie foto 2) met zwarte vlekken ter­wijl de zomer­gen­er­atie (eind juli tot okto­ber) zwart is met een witte band (zie foto3) . De zomer­vorm vliegt op dit moment. Het land­kaartje is één van de dagvlin­der­soorten die de laat­ste decen­nia algemener zijn geworden.

Waar

Het land­kaartje komt voor in gemengd bos, zoals stedelijke parken en tuinen als daar maar brand­ne­tels staan. Er bestaan trekvlin­ders (die van Afrika komen), zwerfvlinders(die het hele land doortrekken) en stand­vlin­ders. Het land­kaartje is van het laat­ste type en vliegt niet ver van waar hij uit de pop komt. Op de Heiman­shof zit er al 2 weten een stel op een vaste plaats. Het is een vrij alge­meen soort van heel Europa, die het ook in Ned­er­land goed doet. De soort heeft zijn leefge­bied weten uit te brei­den van alleen het oosten en zuiden van Ned­er­land (vroeger) tot het gehele land (nu).

 ligusterpijlstaartrupsvlin­dersLiguster­pi­jl­staart23 aug 2009augus­tus
 ligusterpijlstaartrups

 ligusterpijlstaartrups

Mor­gen, 28 augus­tus is het nationale nachtvlin­der­nacht. Ook bij De Heiman­shof kunt u terecht van 2124 uur om zich in de wereld van de 2000 Ned­er­landse soorten nachtvlin­ders te verdiepen en als extra doen we er de vleer­muizen ook nog bij (neem zak­lan­taarn mee). Bij zo´n nachtvlin­der­nacht hoort een col­umn over een (aansprek­ende) nachtvlin­der­soort. Ik werd op mijn wenken bedi­end door Job Bresser en Tobias Smits van de Klippe­holm­school, die deze week een enorme rups van wel bijna 8 cm lang von­den ´met op zijn kont een stekel´(zie foto). Dit was de rups van één van onze groot­ste vlin­ders: de liguster­pi­jl­staart die een span­wi­jdte van 912 cm kan hebben. Deze rupsen kun­nen gevon­den wor­den van juli tot begin novem­ber. Onze rups was uit­gevreten van zijn waard­plant (liguster, ser­ing, es, sneeuwbes, Gelderse roos, moerasspirea of vlier) en zocht naar een stukje zachte grond, om zich op een diepte tot 30 cm te ver­pop­pen. Dit pop­sta­dium duurt tot mei of soms zelf nog een jaar langer. Op De Heiman­shof heeft de rups zich in een bak onmid­del­lijk inge­graven. Mor­gen gaan we kijken hoe de pop eruit ziet. De vlin­ders vliegen ´s nachts van half mei tot begin sep­tem­ber in één gen­er­atie en kun­nen soms overdag op ver­ti­cale objecten wor­den aangetroffen.

Bij­zon­der

Zoals alle pijl­staartvlin­ders hebben zij een lange roltong en bezoeken vooral diepe bloe­men (waar andere insecten niet bij kun­nen), die ´s nachts bloeien en geuren zoals kam­per­foelie, tabak, zeep­kruid, Phloxen, teu­nis­bloem, gele lis, rhodo­den­drons, azalea´s, slan­genkruid, e.d. Ken­merken van „pijl­staart­bloe­men” zijn behalve diepliggende nec­tar en nachtelijke bloei ook een lichte bloemk­leur en een sterke geur. Nachtvlin­ders vin­den hun nec­tar­planten via hun reukzin. Sterk geurende bloe­men kun­nen vlin­ders van grote afs­tand naar de bloem lokken en licht gek­leurde bloe­men zijn ´s nachts bij het min­ste maan­licht nog duidelijk waar te nemen. Het bloem­be­zoek vindt vooral in het eerste uur na zon­son­der­gang plaats maar ook wel ´s ochtends.

Waar

De liguster­pi­jl­staart komt voor in heel Europa en heeft een voorkeur voor graslan­den, open bossen, tuinen en moerassen. Het is een relatief vaak voorkomende soort in het groot­ste deel van het land, maar wordt in Dren­the, Over­i­js­sel, Gelder­land en Noord-​Brabant min­der gezien dan elder

 pauwoogpijlstaarthhofvlin­dersPau­woog­pi­jl­staart19 jun 2010juni
 pauwoogpijlstaarthhof

Komende zater­dag houden we op De Heiman­shof met de Jeugd­club en belang­stel­len­den een nachtvlin­der­nacht. Zie voor meer infor­matie elders in deze krant of op de Heiman­shof web­site. Het ver­haal van onze vlin­der van deze col­umn begint bij de nachtvlin­der­nacht van vorig jaar. Toen brachten een aan­tal leer­lin­gen van de Klippe­holm een vingerdikke rups, waar­van wij toen dachten dat het een liguster­pi­jl­staart was. Deze rups heeft zich ver­popt in een ter­rar­ium en werd recen­telijk wakker als vlin­der door het meizon­netje. Het duurde 2 dagen voor zijn vleugels waren opge­pompt. En tot die tijd leek hij niet op een liguster­pi­jl­staart maar op een pop­ulieren­pijl­staart. Toen dit pro­ces afgerond was en wij hem wilden fotograferen voor zijn vri­jlat­ing, werd hij onrustig en liet daar­door zijn ware aard zien: 2 prachtige oogvlekken op zijn ondervleugels: het was dus een pau­woog­pi­jl­staart! Dit ver­haal illus­treert dat het bij nachtvlin­ders niet zo makke­lijk is om de soort te bepalen. Gelukkig hebben we de hulp van een paar experts, zowel bij de vangst­tech­nieken als bij de deter­mi­natie van de soorten.

Bij­zon­der

De Pau­woog­pi­jl­staart heeft in Ned­er­land meestal van april tot eind augus­tus één gen­er­atie. De vlin­der heeft i.t.t. andere vlin­ders geen roltong en kan dus geen voed­sel opne­men. Alle reserves wor­den opge­bouwd in het rupssta­dium. De vlin­ders vliegen in de avond­schemer­ing, en laten zich overdag niet of nauwelijks tot opvliegen bewe­gen en zijn dus goed te bek­ijken. De voor­naam­ste waard­planten van de pau­woog­pi­jl­staart zijn wilg, pop­ulier, slee­doorn, fruit­bomen en vogelkers.

Waar

De pau­woog­pi­jl­staart komt voor in de buurt van riv­ierbed­din­gen, moerassen en vochtig grasland waar waard­planten als de wilg in ruime mate voorkomen. Het zijn vaak lokale pop­u­laties waar­van het nages­lacht zich niet van de betr­e­f­fende plek ver­plaatst. De vlin­der is wijd­ver­spreid in Europa en Klein-​Azië. De pau­woog­pi­jl­staart is de afgelopen 20 jaar niet in de Haar­lem­mer­meer en rond Ams­ter­dam gemeld.

 koninginnepagevlin­dersKoningin­nepage28 mei 2011mei
 koninginnepage

 koninginnepage

9 mei was een bij­zon­dere dag voor de natuur in De Haar­lem­mer­meer. Behalve de draai­hals van vorige week, wer­den er zoveel bij­zon­dere soorten gemeld, dat ik er nog weken mee vooruit kan. Van­daag de Koningin­nepage. Een van de groot­ste en mooiste vlin­ders van ons land, en de Koningin­nepage die in de buurt van de Heiman­shof werd waargenomen, was de eerst in heel West-​Nederland van dit jaar. De Koningin­nepage plant zich voor­namelijk voort in droge of vochtige graslan­den, maar in ook in moes­tu­inen. De wijf­jes zetten de eit­jes af op jonge bladeren van ver­schil­lende schermbloemi­gen zoals gecul­tiveerde en wilde peen, engel­wor­tel, pasti­naak, venkel, melkeppe en kleine bev­er­nel. De vlin­der vliegt in 2 gen­er­aties per jaar: de 1e vliegt van eind april tot eind juni (met een piek in mei) en de 2e van eind juni tot eind augustus.

Bij­zon­der

Pas uit­ges­lopen rupsen lijken op vogeluitwerpse­len en eten van de bovenkant van de bladeren. Vanaf het vierde rupsen­sta­dium kri­jgt de rups haar typ­is­che kleuren (groen met zwarte ban­den en oranje stip­pen). Als de rupsen ver­sto­ord wor­den, tonen ze een oranje klier die zowel met de oranje kleur als met de geur preda­toren probeert af te schrikken. De man­net­jes komen meestal voor de wijf­jes uit de pop­pen. Een typ­isch gedrag van de koningin­nepage is hill-​topping (heuvel­top­pen), waar­bij man­net­jes het hoog­ste punt in de omgev­ing opzoeken om daar wijf­jes te ont­moeten voor de par­ing. Op zon­nige dagen kun­nen op een dergelijk hoog punt tien­tallen vlin­ders gezien wor­den die naar de top van een heuvel vliegen.

Waar

Het areaal van de Koningin­nepage strekt zich uit van Noord-​Scandinavië tot Noord-​Afrika en van West-​Frankrijk tot Japan. De soort is vooral te vin­den in bloem­rijke graslan­den in heuvelachtige streken zoals de Arden­nen en in Lim­burg. Aangezien de Koningin­nepage een goede vlieger is, wordt ze ook buiten deze gebieden regel­matig waargenomen, maar is het elders in Ned­er­land het een vrij zeldzame soort.

 witvlakvlinder2vrouwvlin­dersWitvlakvlin­der 2 vrouwtje21 jun 2011juni
 witvlakvlinder2vrouw

Deel 2 van 3: Bij som­mige soorten vlin­ders vindt ver­sprei­d­ing plaats in het rupssta­dium en is de vol­wassen vlin­der alleen ver­ant­wo­ordelijk voor het maken van nages­lacht. Bij de witvlakvlin­der is deze strate­gie zeer ver doorgevo­erd. Vol­wassen witvlakvlin­ders kun­nen geen voed­sel opne­men omdat zij geen bruik­bare roltong meer hebben. Ze teren op de vetre­serves die in het rupssta­dium zijn opge­bouwd. De vrouwt­jes zijn ook nog eens vleugel­loos en hebben een der­mate dik lichaam — vol met eit­jes – dat ze zich nauwelijks kun­nen ver­plaat­sen (zie foto) . Het ver­sprei­den van de eit­jes door de vrouwt­jes is hier­door onmo­gelijk. De plek waar de eit­jes afgezet wor­den, moet niet alleen vol­doende bescherming bieden aan de eit­jes, maar later ook voed­sel en bescherming aan de jonge pas uit­gekomen rup­sjes. De meeste vlin­dervrouwt­jes zijn erg kieskeurig als het gaat om geschikte ei-​afzet locaties. Er zijn ook soorten die het min­der nauw nemen en de eit­jes bijvoor­beeld gewoon tij­dens de vlucht uit­strooien boven de veg­e­tatie. Vrouwt­jes van de witvlakvlin­der zetten meestal alle eit­jes af op de cocon waar ze uit­gekomen zijn en begin­nen daar al vrij snel na de par­ing mee. Wat direct opvalt bij deze eit­jes is dat ze groot zijn voor een vlin­der en ook dat er veel eit­jes wor­den afgezet. Grote eit­jes bevat­ten meer reservevoed­sel en daar­door kan het uit­gekomen rup­sje enige dagen zon­der voed­sel over­leven. Nadeel van grote eit­jes is natu­urlijk dat er min­der eit­jes in het lichaam van het vrouwtje passen. Ook neemt het vliegver­mo­gen sterk af naar­mate er meer (zware) eit­jes in het lichaam wor­den meege­dra­gen. Bij de som­mige vlin­ders zijn vrouwt­jes zo zwaar dat zij de eerste lad­ing eit­jes meestal klakkeloos afzetten (om gewicht te ver­liezen) en daarna pas vliegend op zoek gaan naar echt geschikte locaties om de overige eit­jes af te zetten. Dergelijke strate­gieën zie je vooral terug bij kortlevende vlin­der­soorten die niet over een werk­ende roltong beschikken.

 wtvlakvlinder1rupsvlin­dersWitvlakvlin­der 1 rups25 jun 2011juni
 wtvlakvlinder1rups

Uit Nieuw-​Vennep kwam de meld­ing van de zeer fraaie op de foto afge­beelde rups. Van­wege het exo­tis­che uiter­lijk en het feit dat deze op een paprika­plant was aangetrof­fen dacht ik in eerste instantie aan een buiten­landse soort. Tot mijn niet geringe ver­rass­ing kon prof. Ernst, die mij al eerder bij lastige insecten­vra­gen geholpen heeft, de rups thuis­bren­gen als een Ned­er­landse nachtvlin­der: de witvlakvlin­der. Deze vlin­der is niet zeldzaam, maar uit de Haar­lem­m­mer­meer is hij niet eerder ger­ap­por­teerd. Mijn zoek­tocht naar wetenswaardighe­den leverde genoeg mate­ri­aal op voor 3 columns. De vlin­ders vliegen van mei tot ver in okto­ber. Nor­maliter vindt de over­win­ter­ing plaats in het ei-​stadium, maar soms ook in het popstadium.

Bij­zon­der

Veel mensen denken bij vlin­ders zelden aan de rups, maar je kunt de vlin­der ook zien als de manier van de rups om zich voort te planten. De rupsen van de witvlakvlin­der zijn in staat om zich over vele hon­der­den meters te ver­sprei­den. Ze maken hier­bij gebruik van de wind. Pas uit­gekomen rup­sjes hebben al lange haren en begin­nen direct na het uitkomen met het spin­nen van lange draden. De rup­sjes laten zich aan deze draden, als een soort pluis­jes, meevo­eren door de wind en ver­sprei­den zich op die manier. Bij de witvlakvlin­der is het opval­lend dat de eit­jes niet alle­maal tegelijk­er­tijd uitkomen; som­mige eit­jes komen al enkele weken na de bevrucht­ing uit, andere pas vele weken later. Dit is een voor­beeld van risi­cosprei­d­ing. De rupsen van de fam­i­lie van de donsvlin­ders, waar­toe ook de witvlakvlin­der behoort, hebben alle­maal op seg­ment 6 en 7 van het achter­lijf aan de rugz­i­jde een klier. De func­tie van deze klier is onbek­end. Het zou met afweer tegen pre­datie te maken kun­nen hebben. Ook wordt gedacht dat de klieren een stof pro­duc­eren die voor ver­hard­ing van de haren zorgt, wat weer gun­stig zou zijn voor de wind­ver­sprei­d­ing. Het is in ieder geval opmerke­lijk dat de klieren uit­ges­tulpt wor­den bij aan­rak­ing. Vol­gende week deel 2

 witvlakvlinder3manvlin­dersWitvlakvlin­der 3 mannetje14 jul 2011juli
 witvlakvlinder3man

Direct nadat een vrouwtje uit de pop komt, begint zij met het ver­sprei­den van fer­omo­nen (sek­slok­stof­fen). Deze wor­den door de man­net­jes met hun sterk geveerde voel­s­pri­eten opge­merkt (zie foto). Door tegen de wind in te vliegen en zo een steeds hogere con­cen­tratie van de fer­omo­nen te meten, zijn de man­net­jes in staat om de vrouwt­jes al van grote afs­tand te vin­den. Meestal paart een wijfje al bin­nen een kwartier nadat zij ont­popt is. Door­dat witvlakvlin­ders kort leven is het van belang om alle eit­jes zo snel mogelijk af te zetten. Bij soorten die wel voed­sel kun­nen opne­men zijn de eit­jes vaak nog niet volledig ontwikkeld als het wijfje uitkomt. Deze strate­gie zie je vooral terug bij soorten die afhanke­lijk zijn van één voed­selplant (en van deze soort dus ver­schil­lende exem­plaren moeten zoeken). Iedere strate­gie heeft zijn voor– en nade­len. Een van de voorde­len van de lev­ensstrate­gie van de witvlakvlin­der is dat er veel grote eit­jes met veel reservevoed­sel afgezet kun­nen wor­den in korte tijd. Wan­neer de omstandighe­den ongun­stig zijn, kan de rups toch over­leven door­dat het ei veel reservevoed­sel bevat. Omdat de eit­jes in een korte peri­ode afgezet wor­den, is de kans dat ze sneu­ve­len, door­dat bijvoor­beeld het vrouwtje opgegeten wordt, relatief klein. Nade­len zijn dat de eit­jes niet op een geschikte plek afgezet wor­den en dat de eit­jes niet ver­spreid wor­den, maar alle­maal op dezelfde plek terechtkomen. De lev­enswi­jze van de rupsen is afgestemd op deze manier van ei-​afzetten. De rups is niet kieskeurig, ver­spreid zich met de wind en eet van veel loof­bomen en stru­iken, waaron­der berk, haze­laar en wilg. Hier­door is de kans op het vin­den van geschikt voed­sel erg groot.

Waar

De witvlakvlin­der kotm voor van van Noord-​Spanje, via heel West– en Midden-​Europa tot in Oost-​Azië. In het zuiden in Italië en op de Balkan; Naar het noor­den tot IJs­land en Scan­di­navië, ook boven de pool­cirkel. In Canada en Chili is hij met mensen meegereisd.