Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Reuzen­schaaf­stro

op .

Schaaf­stro behoort tot de paar­den­staart­fam­i­lie. Veel mensen ken­nen een fam­i­lielid daar­van, dat heer­moes heet en dat overal in de Haar­lem­mer­meer groeit, waar zand over klei ligt. Dat is een typ­is­che sit­u­atie bij trot­toirs en in tuin­paden. Van­daar dat veel mensen er een grote hekel aan hebben. Deze paar­den­staarten wor­den vaak kat­ten­staarten genoemd, wat mij als bioloog ver­driet doet, want kat­ten­staarten zijn prachtig paars­bloeiende planten van de waterkant. Paar­den­staarten vor­men een zeer oude fam­i­lie die 250350 miljoen jaar gele­den ontstond en die in de tijd van dinosauriërs, toen er nog geen bloeiende planten en loof­bomen waren hun voor­naam­ste voed­sel vor­mde. Dat ze het tot nu toe hebben vol­ge­houden betekent dat ze een goed over­lev­ingssys­teem hebben. Bij heer­moes heb ik daarmee ken­nis gemaakt toen ik voor een kelder 4 m diep in de grond moest graven en 12 m onder het grond­wa­ter nog wor­tels tegenkwam. Ze hebben dus zo’n wor­tel reserve dat je ze nooit kunt weg wieden.

Bij­zon­der

Paar­den­staarten en dus ook schaaf­stro zijn aan zand gebon­den, omdat ze geen cel­lu­lose als ‘skelet’ maken, maar kleine kristal­let­jes van kwarts. Van schaaf­stro wordt vaak ver­meld dat het vroeger door z’n ruwe sten­gel als schu­ur­pa­pier werd gebruikt, maar dat is vol­gens mij niet terecht. Voor de komst van indus­trieel schu­ur­pa­pier ver­brandde men dit schaaf­stro en kreeg in de as zeer homo­gene kristal­let­jes, die gebruikt wer­den voor het poli­jsten van muziekin­stru­menten. Schaaf­stro en reuzen­schaaf­stro zijn zeer dec­o­ratieve paar­den­staarten die niet mis­staan in (droog) boeket­ten ( zie detail­inzet). Alle paar­den­staarten bestaan uit seg­menten die uit en weer in elkaar geschoven kun­nen wor­den.

Waar

Schaaf­stro houdt van vochtige zand­m­i­lieus zoals duin­valleien en Reuzen­schaaf­stro (foto) dat 23 m hoog kan wor­den, houdt van vochtige grond of het nu klei, zand of veen is. Op dit moment vormt het sporenkapsels, maar veg­e­tatieve voort­plant­ing via scheuren van wor­tel stokken gaat effectiever.

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 1 ] Ga naar 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 springstaartandersSpringstaarten21 feb 2015feb­ru­ari

U denkt vast wel eens: hoe lang gaat deze col­umn nog door? Het antwo­ord daarop zal meer van mijn eigen leeftijd afhangen hebben dan van het aan­tal onder­w­er­pen. In Ned­er­land zijn tot dusver zo’n 48.000 soorten planten en dieren (exclusief een­cel­li­gen, etc) beschreven en de meeste komen wel eens in de Haar­lem­mer­meer langs.

Sinds 2006 heb ik ongeveer 450 soorten daar­van gehad en met eens in de 14 dagen een col­umn, kan ik zeker nog 100 jaar voort. Ik heb zelfs nog geen kans gezien een voor­beeld van alle grote groepen organ­is­men te behan­de­len. Deze week daarom weer eens een hele nieuwe cat­e­gorie, waar­van meer dan 8000 soorten ont­dekt zijn, met hon­der­den in Ned­er­land. Het gaat om de springstaarten. Springstaarten behoren, net als insecten, tot de zespotigen.

Bij­zon­der

Springstaarten wor­den slechts enkele mm groot en ontle­nen hun Ned­er­landse naam aan een vork die onder hun buik ligt (zie foto).

In rust zit­ten de tanden van de vork vast achter een soort gren­deltje. Als de springstaart bij gevaar wil sprin­gen, zet hij kracht op de vork en laat dan het gren­deltje los. Daar­door slaat de vork met een klap op de onder­grond (of op het water) en wordt de springstaart cen­time­ters weg gelanceerd.
Een springstaart heeft nog een 2e geheim wapen. Het is een buisvormig mon­dor­gaan wat eindigt in twee buis­jes en uit­ges­tulpt wordt met behulp van de bloed­druk. De func­tie is een com­bi­natie van het opne­men van vocht en het vas­thechten aan de ondergrond.

De springstaart is zelf wat­er­af­s­to­tend, waar­door hij zon­der moeite haast wrijv­ingsloos over het waterop­per­vlak gli­jdt. Dreigt hij door de wind weg te wor­den geblazen, dan steekt hij deze collo­foor, die niet wat­er­af­s­to­tend is, door het waterop­per­vlak als een soort micro ankertje en lijkt daar­door aan het waterop­per­vlak te kleven.

Waar

Springstaarten leven meestal in de strooisel­laag of op het waterop­per­vlak en voe­den zich met rot­tend organ­isch mate­ri­aal en schim­mels. Ze kun­nen daar in enorme aan­tallen voorkomen: hon­der­den of duizen­den per m2 in de meeste Ned­er­landse tuinen.

 cymbidiumandersNMEkassen16 dec 2006decem­ber
 cymbidium

Als het herf­stig weer is, is er buiten aan planten relatief weinig te beleven, naast wat mossen, pad­destoe­len en een paar win­terbloeiende stru­iken. Dat geldt niet voor een weinig bek­ende plek naast De Heiman­shof: de NME kassen. NME staat voor Natuur– en Milieu Edu­catie. De kassen vor­men deel van het cen­trum waar per jaar zo’n 7000 schoolkinderen natu­ur­puzzel­tochten bezoeken. Naast de ont­vangstru­imte (met de NME mas­cotte: papa­gaai Jacob, die al 33 jaar oud is) bestaat het kassen­com­plex uit nog drie ruimtes. De eerste ruimte heeft een Mediter­raan kli­maat, de 2e een tro­pisch kli­maat en de 3e is als woestijn ingericht. Zowel in de tro­pis­che als de woesti­jnkas komen er een hele­boel soorten voor, die juist gaan bloeien in een koele peri­ode. Daarom zijn in deze peri­ode van het jaar een aan­tal prachtige (tro­pis­che) orchideeën te bewon­deren en staan ook een aan­tal cac­tussen en vet­planten in volle bloei. Van de orchideeën zijn het Venuss­choen­tje en de Cym­bid­ium (foto) ver­meldenswaard. Van de cac­tussen en vet­planten bloeien de olifantsoor, de lid­cac­tus, de thee­boom en de bek­ende huiskamer­plant Dik­blad of Jade­plant, die juist in de warme huiskamer(vrijwel) nooit tot bloeien komt. In de mediter­rane kas bloeit de Mirre bijna.

Bij­zon­der

Zowel orchideeën als vet­planten en cac­tussen zijn vaak armoede-​bloeiers. Zo mag de grond mag niet te rijk zijn en mogen ze niet te veel water hebben. De Cym­bid­i­ums gaan b.v de hele zomer naar buiten zon­der dat ze (extra) water kri­j­gen. Pas in de herfst gaan ze de kas in en kri­j­gen dan regel­matig water, waarop ze rea­geren door uit­bundig te gaan bloeien.

Waar

De NME kassen liggen tussen De Heiman­shof en het kan­toor van Buurt­be­heer van Rayon 2 en 3 aan de Wieger Bruin­laan 7.

 HeksenboterandersHek­sen­boter20 jun 2007juni
 Heksenboter

Bij rege­nachtig en warm weer zijn de omstandighe­den gun­stig voor een wel heel bij­zon­der soort organ­isme. Het is zo bij­zon­der omdat het nog een dier-​, noch een plant, noch een schim­mel noch een bac­terie is. De sli­jmzwammen, want daar hebben we het over, zijn een eigen ‘rijk’ in de indel­ing van de lev­ende organ­is­men. Het is onbek­end hoeveel soorten sli­jmzwammen er zijn. Wel is het zo dat de meeste soorten over de hele wereld voorkomen en dat de meeste in rot­tend hout, turf en onder­gronds leven. Slechts een paar soorten hebben een Ned­er­landse naam, zoals de hier­bij afge­beelde ‘hek­sen­boter’. Sli­jmzwammen ken­nen drie lev­enssta­dia. Uit sporen ontstaan micro­scopisch kleine een­cel­lige organ­is­men, die zich kruipend of zwem­mend voort­be­we­gen. Die voe­gen zich samen tot een rond­kruipende kolonie. Dit plas­mod­ium vormt als het droger wordt een vlies, waarop kussen– of knotsvormige sporen­lichamen zit­ten. Daarin wor­den de sporen gevormd, waarmee de sli­jmzwammen zich verspreiden.

Bij­zon­der

: Sli­jmzwammen hebben vaak prachtige kleuren. In vroeger tij­den wer­den ze om hun kleur verza­meld en gebruikt om er kleurstof­fen, vaak helder­rood (bloed­weizwam) of geel (hek­sen­boter) van te maken. Het plas­mod­ium maakt dat sli­jmzwammen ner­gens anders in het dieren– of planten­rijk passen. Het bestaat namelijk uit een enorme in elkaar gevloeide massa van cel­ma­te­ri­aal, zon­der er in de massa cel­wan­den bestaan. Het geheel ziet eruit een klod­der slijm en kan zich gedra­gen als een gigan­tis­che amoebe, maar wel met miljoe­nen celk­er­nen. Die zit­ten dus samen met elkaar bin­nen 1 reusachtige ‘cel’! Vee­lal huizen sli­jmzwammen in dode planten­resten, zoals ver­molmd hout of dode bladeren, maar daar leven ze niet van. Het plas­mod­ium omvloeit bac­ter­iën en schim­mels en voedt zich daarmee, ter­wijl het al kruipend een soort slakken­spoor achter­laat. Som­mige soorten kun­nen plas­modia vor­men van wel een vierkante meter groot, maar de meest zijn een paar mil­lime­ter. Als dat over je tuin­pad kruipt weet je niet wat er gebeurt!

Waar

: Sli­jmzwammen zijn hele­maal niet zeldzaam. Hoe meer je zoekt op ver­molmd hout, op half ver­gaan snoei­hout, dor blad en com­posthopen, hoe meer soorten sli­jmzwammen je vindt. Som­mige zoals de hek­sen­boter vind je het hele jaar door, andere ver­schi­j­nen in het voor­jaar of in de zomer, de meeste in de herfst als er veel bac­ter­iën en schim­mels zijn, die helpen de vele dode planten­resten op te ruimen

Terug­meldin­gen

: geen Voorkomen: warm vochtig weer Sta­tus: onbekend

 gallenlensgaldetailandersGallen10 sep 2007sep­tem­ber
 gallenlensgaldetail

 gallenlensgaldetail

Augus­tus is een goede tijd om eens op gallen te let­ten. Gallen zijn woek­erin­gen op planten (meestal bomen) die vee­lal veroorza­akt wor­den door gal­we­spen. Het doel is om hun lar­ven bescherming en voed­sel te bieden. 75 % van alle gallen komt voor op berken, pop­ulieren, wilgen, pruimen en vooral op eiken. In het Ned­er­landse gal­len­boek wor­den ruim 1400 soorten gallen bespro­ken. Gallen ontstaan omdat gal­we­spen en hun lar­ven hor­monale stof­fen uitschei­den, die de plant aanzetten tot die woek­er­ing. Bek­ende gallen zijn de lens­gal, aar­dap­pel­gal (op eiken­blad), de ananas­gal (eiken­blad­knop) de knop­per­gal (eikels), en de de knikker­gal (tak). Ook op de stam, de bloem en de wor­tel kun­nen gallen voorkomen. Een bek­ende gal op de roos is de mos­gal en een leuke gal op de iep die veel in de Haar­lem­mer­meer voorkomt is de knotsgal(blad). De reden waarom de eik zo pop­u­lair is, is hoogst waarschi­jn­lijk van­wege het feit dat de boom pas laat in het seizoen de bladeren ver­li­est en dus tot laat in het jaar een (voe­dende) sap­stroom heeft. De planten­gallen zijn met een los weef­sel gevuld, dat meestal door een ver­harde laag omgeven is. Het bin­nen­ste bestaat uit olie en eiwitrijke cellen die als voed­sel dienen voor de lar­ven. Als de larve dood gaat, houdt ook de groei van de gal op.

Bij­zon­der

: Gallen wer­den vroeger veel gebruikt voor het maken van looistof en inkt. Er leven veel parasi­eten van de gal­we­spen­lar­ven in de gal. Dat zijn dus hyper­parasi­eten: parasi­eten op parasi­eten. Het geeft wel aan dat een gal een geliefd plekje is om in op te groeien. Overi­gens bli­jft de gal­we­s­plarve wel in leven, want deze lev­ert immers het zo belan­grijke groei-​hormoon voor de gal, zolang hij leeft.

Waar

Een oplet­tende waar

 galeikenlensgalandersGallen10 sep 2007sep­tem­ber
 galeikenlensgal

 galeikenlensgal

Augus­tus is een goede tijd om eens op gallen te let­ten. Gallen zijn woek­erin­gen op planten (meestal bomen) die vee­lal veroorza­akt wor­den door gal­we­spen. Het doel is om hun lar­ven bescherming en voed­sel te bieden. 75 % van alle gallen komt voor op berken, pop­ulieren, wilgen, pruimen en vooral op eiken. In het Ned­er­landse gal­len­boek wor­den ruim 1400 soorten gallen bespro­ken. Gallen ontstaan omdat gal­we­spen en hun lar­ven hor­monale stof­fen uitschei­den, die de plant aanzetten tot die woek­er­ing. Bek­ende gallen zijn de lens­gal, aar­dap­pel­gal (op eiken­blad), de ananas­gal (eiken­blad­knop) de knop­per­gal (eikels), en de de knikker­gal (tak). Ook op de stam, de bloem en de wor­tel kun­nen gallen voorkomen. Een bek­ende gal op de roos is de mos­gal en een leuke gal op de iep die veel in de Haar­lem­mer­meer voorkomt is de knotsgal(blad).
De reden waarom de eik zo pop­u­lair is, is hoogst waarschi­jn­lijk van­wege het feit dat de boom pas laat in het seizoen de bladeren ver­li­est en dus tot laat in het jaar een (voe­dende) sap­stroom heeft.
De planten­gallen zijn met een los weef­sel gevuld, dat meestal door een ver­harde laag omgeven is. Het bin­nen­ste bestaat uit olie en eiwitrijke cellen die als voed­sel dienen voor de lar­ven. Als de larve dood gaat, houdt ook de groei van de gal op.

Bij­zon­der

: Gallen wer­den vroeger veel gebruikt voor het maken van looistof en inkt. Er leven veel parasi­eten van de gal­we­spen­lar­ven in de gal. Dat zijn dus hyper­parasi­eten: parasi­eten op parasi­eten. Het geeft wel aan dat een gal een geliefd plekje is om in op te groeien. Overi­gens bli­jft de gal­we­s­plarve wel in leven, want deze lev­ert immers het zo belan­grijke groei-​hormoon voor de gal, zolang hij leeft.

Waar

Een oplet­tende waarne­mer kan overal gallen vin­den. Voor een min­der geoe­fende waarne­mer is De Heiman­shof of het bomen­pad in het Haar­lem­mer­meerse bos een goede start. Alle genoemde gallen en nog vele meer kun­nen in de eiken, iepen en rozen wor­den aangetrof­fen.
Voorkomen: vooral in de zomer
Sta­tus: Geen spe­ciale bescherming bekend

 ramshoorngalandersRamshoorn­gal17 aug 2008augus­tus
 ramshoorngal

Augus­tus is een goede tijd om eens op gallen te let­ten. Gallen zijn woek­erin­gen op planten (meestal bomen) die vee­lal veroorza­akt wor­den door gal­we­spen. Ze ontstaan door­dat gal­we­spen en hun lar­ven hor­monale stof­fen uitschei­den, die de plant aanzetten tot die woek­er­ing. Gallen bieden gal­we­spen­lar­ven bescherming en voed­sel. Vooral op eiken komen ze vaak voor. In het Ned­er­landse gal­len­boek staan ruim 1400 soorten. Bek­ende gallen zijn de lens­gal, rode erwten­gal, galap­pel (eiken­blad), de ananas­gal (eiken­blad­knop), de knop­per­gal (eikels), de knikker­gal (eiken­tak). Een bek­ende gal op de roos is de mos­gal (tak) en op de iep de knots­gal (blad). Dat de natuur altijd in beweg­ing is, bleek vorige week toen we op een eiken­boom­pje in De Heiman­shof naast 4 bek­ende gal­soorten een onbek­ende soort ont­dek­ten, die ook niet in het grote gal­len­boek bleek te staan. Bij nader onder­zoek bleek het om de Ramshoorn­gal te gaan. Deze soort is in Ned­er­land pas voor het eerst aangetrof­fen in 2003.

Bij­zon­der

Planten­gallen zijn met een los weef­sel gevuld, dat meestal door een ver­harde laag omgeven is. Het bin­nen­ste bestaat uit olie en eiwitrijke cellen, dat als voed­sel dient voor de in één of meer kamers wonende lar­ven. Als de larve dood gaat, houdt ook de groei van de gal op. Gallen wer­den vroeger veel gebruikt voor het maken van looistof en inkt. Er leven ook veel parasi­eten van de gal­we­spen­lar­ven in de gal. Dat zijn dus hyper­parasi­eten: parasi­eten die op andere parasi­eten leven. Het geeft wel aan dat een gal een geliefd plekje is om in op te groeien.

Waar

Geloof het of niet, maar het voorkomen van de Ramshoorn­gal heeft alles met de een­word­ing van Europa te maken. Deze soort komt nl. uit Hon­gar­ije. Door het toegenomen vrachtver­keer sinds de toe­tred­ing van Hon­gar­ije, is deze soort hier verzeild ger­aakt (net als een ander organ­isme: de kas­tan­jem­i­neer­mot, die al onze paar­denkas­tan­jes bruin kleurt door alle blad­groen tussen de boven– en onderkant van het blad weg te eten). Hoewel de ramshoorn­gal op een gewone zomereik voorkomt, heeft deze soort in zijn lev­en­scy­clus een andere eik nodig: de moseik. Deze moseik staat ook in De Heiman­shof en dat verk­laart mede het voorkomen daar. Graag horen wij van andere vin­d­plaat­sen in de Haarlemmermeer.

 fenologieandersFenolo­gie9 apr 2010april
 fenologie

De bedoel­ing van mijn columns over de Haar­lem­mer­meerse Flora en Fauna is om u te atten­deren op de fascinerende din­gen die con­stant om ons heen gebeuren. Om daar ook oog voor te kri­j­gen is er geen betere manier dan om aan ´fenolo­gie´ te gaan doen. Fenolo­gie is de studie van de jaar­lijks terugk­erende natu­urver­schi­jnse­len. Bij vogels bestaat dat b.v. uit het bijhouden wan­neer de 1e exem­plaren van een soort (b.v. de boeren­zwaluw) terugk­eren uit het zuiden. Bij planten komt dat neer op het bijhouden wan­neer de 1e bloe­men van elke soort bloeien en bij insecten houd je bij wan­neer de 1e exem­plaren van een soort ver­schi­j­nen. Als je dat doet, krijg je meer gevoel voor de ver­baz­ing­wekkende dynamiek in de natuur. Bij mij begint de lente b.v pas als er weer in elke tuin een tjift­jaf zingt (dit jaar niet op 21 maart maar op de 17e). En daar­bij ver­baas ik mij elk jaar weer over het feit hoe een vogeltje van maar 46 gram de hele reis heen en terug van Spanje en Marokko over­leeft en in één nacht opeens weer alle tuinen van ons land bevolkt. Voor de jeugd­club van De Heiman­shof hebben wij for­mulieren gemaakt met lijsten van soorten die makke­lijk te vol­gen zijn: één boekje voor vogels, 1 voor planten en 1 voor insecten. Als je geboeid raakt door deze natu­urlijke dynamiek, en jaar in, jaar uit je gegevens bijhoudt, zoals som­mige Heimanshof-​vrijwilligers al tien­tallen jaren doen, krijg je ook meer inzicht in kli­maatsveran­derin­gen, het effect van zachte, droge, natte en koude seizoe­nen. Het belan­grijk­ste is dat je leert kijken en luis­teren naar je omgev­ing. De fenolo­gieboek­jes zijn te down­loaden van www​.deheiman​shof​.nl/​j​e​u​g​d​c​l​u​b​/​d​o​w​n​l​o​a​d​s.

 zwartreuzenkussen1andersZwart Reuzenkussen25 sep 2010sep­tem­ber
 zwartreuzenkussen1

 zwartreuzenkussen1

Door het natte en tegelijk­er­tijd warme weer is het buiten erg ´schim­melig´. Deze col­umn gaat niet over een pad­den­stoel maar over een organ­isme dat ook leeft op vochtige plaat­sen. De groep waar­toe deze soort beho­ord is echter geen schim­mel, geen bac­terie, geen plant en geen dier. Wat bli­jft er dan over? Het ont­brek­ende dieren­rijk is dat van de sli­jmzwammen. Ze heten wel zwammen, maar hebben er behalve een leefwi­jze in vochtige hout of humus niets mee gemeen. Schim­mels bestaan nl uit schim­mel­draden, waaruit de bek­ende pad­den­stoe­len groeien, ter­wijl een sli­jmzwam het groot­ste deel van het jaar leeft als een een­cel­lig organ­isme. Als een soort amoebe jaagt deze op bacteriën.

Bij­zon­der

Een unieke sli­jmzwameigen­schap uit zich bij de sporen­vorm­ing. Dan geven losse amoeben (chemis­che) sig­nalen door, waar­door ze alle­maal bij elkaar boven de grond kruipen. Zo´n ´kolonie´ van losse amoeben kan zich ver­plaat­sen. Wel niet zo snel met 0.12 cm/​uur, maar toch. De reden dat sli­jmzwammen ner­gens in het rijk van het leven bij passen, is dat de amoe­boide cellen dan onder­ling versmelten, maar dat de mil­jar­den celk­er­nen bin­nen de gigan­tis­che ´cel´, die plas­mod­ium genoemd wordt, zelf­s­tandig bli­jven. Dit plas­mod­ium is heel zacht en ´sli­jmerig´ en de grootst bek­ende cel­massa (pro­to­plasma) in het rijk van het leven. Na ver­loop van tijd ver­droogt de buitenkant. De celk­er­nen erbin­nen vor­men sporen en als alles droog is, barst het vlies open en ver­sprei­den de sporen zich met de wind. Het zwarte reuzenkussen is een van de soorten die de groot­ste sli­jmzwamplas­modia vormt. Vaak meer dan een halve m2. Apart aan de naam van zwart reuzenkussen is dat het plas­mod­ium helder wit is. Pas na het ver­dro­gen wordt de korst zwart (zie foto´s).

Waar

Op de Heiman­shof vormt zich deze herfst voor het 2e jaar een zwart reuzenkussen op een oude boom­sto­bbe. Vorig jaar bleef het plas­mod­ium wel een maand of 5 wit voor­dat het plas­mod­ium ver­droogde. Inmid­dels is dit pro­ces al weer een maand aan de gang.

 esbomenes27 dec 2014decem­ber

Het wordt veel aange­haald; dat de (Canadese) pop­ulier de ken­merk­ende boom van de Haar­lem­mer­meer is. Dat komt omdat deze boom overal aange­plant wordt.
Een min­stens zo algemene boom en een­tje die zich in tegen­stelling tot de pop­ulier mas­saal voort­plant (en zich dus hier kiplekker voelt) is de es. Bijna overal waar je staat kun je wel een (of veel) essen­bomen in je blikveld aantr­e­f­fen.
Een paar van de mooiste 100– jarige essen staan in het wan­del­bos Hoofd­dorp (33.5 m in omvang en ruim 40 m hoog), maar in alle wijken en ker­nen en bij oude boerder­i­jen en kerken zijn mooie exem­plaren te vin­den. De es maakt met de esdoorn zaden met vleugelt­jes.
Het essen­zaad (foto) heeft 1 vleugel en die van de esdoorn 2. Die vleugels ver­beteren ver­sprei­d­ing met de wind.

Bij­zon­der
Een es wordt ca 200 jaar oud, maar net als bij knotwilgen kan essen­hakhout (dat om de 10 jaar wordt afgezet) de leeftijd van een boom aanzien­lijk ver­len­gen. De oud­ste bomen van de Haar­lem­mer­meer zijn dan ook ruim 300 jaar oude essen­hakhoutop­standen op de Een­denkooi van Stok­man bij Vijfhuizen. Deze 10 jaar oude stam­men wor­den sinds mensen­heuge­nis gebruikt voor palen en als brand­hout.
Maar essen­hout heeft veel meer gebruiksmo­gelijkhe­den. Het is buigzaam, veerkrachtig en recht. Het werd daarom gebruikt voor bv speren, maar nog steeds voor ste­len van gereed­schap zoals hamers, bezems, schep­pen, etc.
In Europa komt 1 inheemse soort es voor. In Noord-​Amerika bestaan nog een tien­tal soorten. Een kweekver­sie van de smal­bladige es, die in de herfst dieprode bladeren kri­jgt, wordt wel als straat­boom aange­plant. Er staan bv een paar exem­plaren waar de Boslaan in Hoofd­dorp over­gaat in de Sweel­incksin­gel.
De es was altijd een geliefde boom omdat hij een makke­lijke en vri­jwel ziek­tevrije soort was. Met de iep en de paar­denkas­tanje hoort hij sinds kort bij soorten die door een plaag (schim­mel) bedreigd wor­den.

Waar
De es groeit graag op natte tot tamelijk vochtige, voed­sel­rijke grond in loof­bossen en is zeer algemeen.

 grijzewilgbomenGri­jze wilg28 jan 2017jan­u­ari

Ken­merk­end voor het land­schap in het west­elijk deel van Ned­er­land is de gri­jze wilg.

Het is een van de 80 soorten wilgen die in Ned­er­land voor komen. Een deel daar­van is stru­ikvormig en een deel boomvor­mend. De groot­ste soort van alle­maal is de gri­jze wilg. Na 60 jaar kan hij zo groot wor­den dat hij onder z’n eigen gewicht in elkaar stort. Het is maar weinig bomen in Ned­er­land ver­gund om ouder dan 100 jaar te worden.

Een wilg van 100 jaar oud kan wel 67 m sta­mom­vang hebben. Een van de mooiste gri­jze wilgen in de Haar­lem­mer­meer staat in Graan voor Visch op het veld bij het poli­tie bureau (foto achter­aan). Deze boom meet ruim 6 m omtrek en ver­toont nog geen spoor van ver­val. Vroeger was hout een van de belan­grijk­ste brand­stof­fen. De snelle groei (elk jaar 23 m) en het risico van instorten heeft mede geleid tot het gebruik om wilgen te knot­ten. Elke 5 jaar is er dan weer genoeg brand – en bouwhout beschikbaar.

Een geknotte wilg kan veel ouder ( 200 jaar) wor­den dan een die niet geknot wordt, omdat hij dan min­der last heeft van z’n ’overgewicht’. En dat ondanks het feit dat knotwilgen inrot­ten en hol wor­den. Dat hol wor­den is weer een zegen voor vele planten en dieren die daarin een toevlucht­so­ord vinden.

Bij­zon­der

De 80 soorten wilgen kruisen onder­ling makke­lijk. Dat heeft geleid tot een ver­war­rende mix van ken­merken. Maar de hoofd­soorten zijn altijd wel te herken­nen: treur wilgen hangen, katwilgen hebben hele lange smalle bladeren, geo­orde wilgen hebben 2 ‘oort­jes’ naast elk blad, water­wilgen zijn hor­i­zon­taal uit­groeiende stru­ik­wilgen met grote kat­jes en boswilgen hebben mooie kat­jes en groeien juist verticaal.

Waar

Wilgen staan overal. In De Heiman­shof wordt op 15 feb­ru­ari een bij­zon­dere snip­perdag geor­gan­iseerd waar­bij de 60 jaar oude wilgen van de stru­in­tuin getopt wor­den met een grote kraan omdat ze te zwaar wor­den. Het hout wordt ges­nip­perd voor de bos paden in de tuin. U wordt van harte uit gen­odigd om te komen kijken en met ons een snip­per dag te nemen.

 beukbomenBeuk25 apr 2016april

Col­umn Franke van der Laan

Eind april, begin mei is er een explosieve groei gaande in de natuur. In vier weken tijd veran­dert onze omgev­ing van grijs en grauw naar fris groen in duizend tin­ten. Een van de meest indruk­wekkende gedaan­tev­er­wis­selin­gen om te vol­gen, is die van de beuk. Meestal gebeurt dat in de eerste week van mei, maar door het zachte weer lijkt ook deze boom zich te laten ver­lei­den om eerder in blad te gaan. De beuk maakt namelijk lange win­ter­knop­pen die zich in lut­tele dagen lijken uit te rollen. En dan komt er niet alleen een blad uit, maar een hele twijg met een stuk of 6 bladeren. De beuk maakt zo’n dicht blader­dak dat er bijna geen andere planten onder kun­nen groeien.

 gewoneesdoornbomenGewone Esdoorn13 mrt 2016maart

gewone esdoornblad met inktvlekkenziekteOp de woens­dag voor 21 maart wordt in heel Ned­er­land de Nationale Boom­feestdag gehouden. Bij veel scholen en in parken wor­den dan cer­e­monieel bomen geplant om de waarde van bomen te onder­strepen. De waarde van bomen wordt niet alleen door hun aan­tal bepaald, maar eerder door hun kroon­vol­ume en ecol­o­gis­che relaties met andere soorten: een kroon van een gekapte boom van 10 x 10 x 10 meter, heeft dan een waarde van 1000, en dat wordt niet gecom­penseerd door een boom met een kroon van 1 x 1 x 3 meter met een waarde van 3! (zoals maar al te vaak gebeurt). Ook veel burg­ers die hun tuin liever bestraten omdat dat ‚makke­lijker’ is, doen zichzelf, de flora en fauna en de samen­lev­ing tekort (omdat al die bestrate opper­vlak­tes grote prob­le­men geven met opvang van regen­wa­ter). Daarom is De Heiman­shof al 9 jaar gele­den ges­tart met de boomweggeef-​traditie: uit de tuin en de gebieden onder beheer van MEER­groen verza­me­len we boom­p­jes die meer­waarde in tuinen en ter­reinen hebben. Dit jaar zijn er tussen 16 maart en 1 april 10.000 boom­p­jes van 60 soorten te vergeven. De enige tegen­presta­tie die ver­langd wordt voor het natu­urvrien­delijk inrichten van uw eigen ter­rein, is het lid wor­den of spon­soren van De Heimanshof.

Bij­zon­der

Een van de best uitza­aiende soorten in Ned­er­land is de Gewone Esdoorn. De esdoorn is een soort die 35m hoog en 500 jaar oud kan wor­den en opvalt door z’n vlam­mende herf­stk­leuren. Esdoorn­bladeren zijn ken­merk­end hand­vormig ingesne­den met groffe pun­ten (foto) en de zaden bestaan uit dubbel gevleugelde ‚helikoptert­jes’. Esdoorns kun­nen last hebben van een schim­mel die ronde zwarte vlekken op de bladeren geeft. De meeste van de weggeef-​esdoorns komen uit het Groe­nen­daalse bos, waar een paar moeder­bomen miljoe­nen zaailin­gen hebben gepro­duceerd, die niet in de smaak vallen van de Schotse Hoog­lan­ders die er grazen.

Waar

De Esdoorn komt oor­spronke­lijke uit Zuid-​Europa, maar voelt zich al sinds de Mid­deleeuwen in onze regio op elke bodem thuis, zolang die niet te nat is.