Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Lentek­lokje

op .

Hoewel het nog win­ter zou moeten zijn, is het in de natuur al volop voor­jaar. De vroege sneeuwk­lok is zelfs al uit­ge­bloeid en is bezig zaad te maken, de gewone sneeuwk­lokken bloeien mas­saal, net als de en afgelopen week zijn ook de wilde en de groot­bloemige krokussen mas­saal in bloei gegaan. Al deze soorten zijn wel bek­end en maken het een lust voor het oog om naar buiten te gaan. Maar er zijn nog veel meer soorten die nu in bloei komen en die de moeite van het ont­dekken waard zijn. Een daar­van is een van mijn favori­eten: het lentek­lokje. Hoewel de soort offi­cieel ver­want is aan de nar­cis, doet hij een aan een grote sneeuwk­lok denken. Z’n bladeren zijn niet blauw­groen zoals bij de meeste sneeuwk­lok­jes, maar donker­groen en z’n bloem is niet zo samenge­drukt lang­w­er­pig maar staat breed uit (foto). Ook het lentek­lokje is een stin­sen­plant die uit een bol­letje groeit waar­door hij op reserve stof­fen kan teren en min­der van de warmte van de zon afhanke­lijk is om te groeien.

Bij­zon­der
Het lentek­lokje heeft 1 ver­wante soort: het zomerk­lokje wat in mei bloeit en graag heel vochtig staat. Het is bijna een moeras­plant. Het lentek­lokje wordt 2030 cm hoog en heeft 1 bloem per bloeis­ten­gel, max­i­maal 2 en het zomerk­lokje kan wel 60 cm hoog wor­den en heeft ver­schil­lende bloe­men per bloeis­ten­gel. Hoewel het lentek­lokje heet, bloeit deze soort in de win­ter in feb­ru­ari. Z’n bloem is fraai en bestaat uit 6 bloem­bladen, waar­van er 3 eigen­lijk kelk­bladen zijn, maar die zijn niet van de kroon­bladen te onder­schei­den. En elke bloem­blad heeft een maan­vormige groene vlek.

Waar
Het lentek­lokje groeit in de strooisel­laag van bossen en het liefst op voed­sel­rijke en iet­wat vochtige plekken. Oor­spronke­lijk kwam het ook in Ned­er­land als wilde soort voor, maar dat is al lang verleden tijd. Maar als stin­sen­plant in land­goed­eren en in natu­ur­tu­inen is hij hier en daar wel te vin­den. In de Heiman­shof bloeit hij op dit moment mas­saal.
In Mid­den Europa komt de soort nog wel in het wild voor.

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 1 ] Ga naar 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 springstaartandersSpringstaarten21 feb 2015feb­ru­ari

U denkt vast wel eens: hoe lang gaat deze col­umn nog door? Het antwo­ord daarop zal meer van mijn eigen leeftijd afhangen hebben dan van het aan­tal onder­w­er­pen. In Ned­er­land zijn tot dusver zo’n 48.000 soorten planten en dieren (exclusief een­cel­li­gen, etc) beschreven en de meeste komen wel eens in de Haar­lem­mer­meer langs.

Sinds 2006 heb ik ongeveer 450 soorten daar­van gehad en met eens in de 14 dagen een col­umn, kan ik zeker nog 100 jaar voort. Ik heb zelfs nog geen kans gezien een voor­beeld van alle grote groepen organ­is­men te behan­de­len. Deze week daarom weer eens een hele nieuwe cat­e­gorie, waar­van meer dan 8000 soorten ont­dekt zijn, met hon­der­den in Ned­er­land. Het gaat om de springstaarten. Springstaarten behoren, net als insecten, tot de zespotigen.

Bij­zon­der

Springstaarten wor­den slechts enkele mm groot en ontle­nen hun Ned­er­landse naam aan een vork die onder hun buik ligt (zie foto).

In rust zit­ten de tanden van de vork vast achter een soort gren­deltje. Als de springstaart bij gevaar wil sprin­gen, zet hij kracht op de vork en laat dan het gren­deltje los. Daar­door slaat de vork met een klap op de onder­grond (of op het water) en wordt de springstaart cen­time­ters weg gelanceerd.
Een springstaart heeft nog een 2e geheim wapen. Het is een buisvormig mon­dor­gaan wat eindigt in twee buis­jes en uit­ges­tulpt wordt met behulp van de bloed­druk. De func­tie is een com­bi­natie van het opne­men van vocht en het vas­thechten aan de ondergrond.

De springstaart is zelf wat­er­af­s­to­tend, waar­door hij zon­der moeite haast wrijv­ingsloos over het waterop­per­vlak gli­jdt. Dreigt hij door de wind weg te wor­den geblazen, dan steekt hij deze collo­foor, die niet wat­er­af­s­to­tend is, door het waterop­per­vlak als een soort micro ankertje en lijkt daar­door aan het waterop­per­vlak te kleven.

Waar

Springstaarten leven meestal in de strooisel­laag of op het waterop­per­vlak en voe­den zich met rot­tend organ­isch mate­ri­aal en schim­mels. Ze kun­nen daar in enorme aan­tallen voorkomen: hon­der­den of duizen­den per m2 in de meeste Ned­er­landse tuinen.

 cymbidiumandersNMEkassen16 dec 2006decem­ber
 cymbidium

Als het herf­stig weer is, is er buiten aan planten relatief weinig te beleven, naast wat mossen, pad­destoe­len en een paar win­terbloeiende stru­iken. Dat geldt niet voor een weinig bek­ende plek naast De Heiman­shof: de NME kassen. NME staat voor Natuur– en Milieu Edu­catie. De kassen vor­men deel van het cen­trum waar per jaar zo’n 7000 schoolkinderen natu­ur­puzzel­tochten bezoeken. Naast de ont­vangstru­imte (met de NME mas­cotte: papa­gaai Jacob, die al 33 jaar oud is) bestaat het kassen­com­plex uit nog drie ruimtes. De eerste ruimte heeft een Mediter­raan kli­maat, de 2e een tro­pisch kli­maat en de 3e is als woestijn ingericht. Zowel in de tro­pis­che als de woesti­jnkas komen er een hele­boel soorten voor, die juist gaan bloeien in een koele peri­ode. Daarom zijn in deze peri­ode van het jaar een aan­tal prachtige (tro­pis­che) orchideeën te bewon­deren en staan ook een aan­tal cac­tussen en vet­planten in volle bloei. Van de orchideeën zijn het Venuss­choen­tje en de Cym­bid­ium (foto) ver­meldenswaard. Van de cac­tussen en vet­planten bloeien de olifantsoor, de lid­cac­tus, de thee­boom en de bek­ende huiskamer­plant Dik­blad of Jade­plant, die juist in de warme huiskamer(vrijwel) nooit tot bloeien komt. In de mediter­rane kas bloeit de Mirre bijna.

Bij­zon­der

Zowel orchideeën als vet­planten en cac­tussen zijn vaak armoede-​bloeiers. Zo mag de grond mag niet te rijk zijn en mogen ze niet te veel water hebben. De Cym­bid­i­ums gaan b.v de hele zomer naar buiten zon­der dat ze (extra) water kri­j­gen. Pas in de herfst gaan ze de kas in en kri­j­gen dan regel­matig water, waarop ze rea­geren door uit­bundig te gaan bloeien.

Waar

De NME kassen liggen tussen De Heiman­shof en het kan­toor van Buurt­be­heer van Rayon 2 en 3 aan de Wieger Bruin­laan 7.

 HeksenboterandersHek­sen­boter20 jun 2007juni
 Heksenboter

Bij rege­nachtig en warm weer zijn de omstandighe­den gun­stig voor een wel heel bij­zon­der soort organ­isme. Het is zo bij­zon­der omdat het nog een dier-​, noch een plant, noch een schim­mel noch een bac­terie is. De sli­jmzwammen, want daar hebben we het over, zijn een eigen ‘rijk’ in de indel­ing van de lev­ende organ­is­men. Het is onbek­end hoeveel soorten sli­jmzwammen er zijn. Wel is het zo dat de meeste soorten over de hele wereld voorkomen en dat de meeste in rot­tend hout, turf en onder­gronds leven. Slechts een paar soorten hebben een Ned­er­landse naam, zoals de hier­bij afge­beelde ‘hek­sen­boter’. Sli­jmzwammen ken­nen drie lev­enssta­dia. Uit sporen ontstaan micro­scopisch kleine een­cel­lige organ­is­men, die zich kruipend of zwem­mend voort­be­we­gen. Die voe­gen zich samen tot een rond­kruipende kolonie. Dit plas­mod­ium vormt als het droger wordt een vlies, waarop kussen– of knotsvormige sporen­lichamen zit­ten. Daarin wor­den de sporen gevormd, waarmee de sli­jmzwammen zich verspreiden.

Bij­zon­der

: Sli­jmzwammen hebben vaak prachtige kleuren. In vroeger tij­den wer­den ze om hun kleur verza­meld en gebruikt om er kleurstof­fen, vaak helder­rood (bloed­weizwam) of geel (hek­sen­boter) van te maken. Het plas­mod­ium maakt dat sli­jmzwammen ner­gens anders in het dieren– of planten­rijk passen. Het bestaat namelijk uit een enorme in elkaar gevloeide massa van cel­ma­te­ri­aal, zon­der er in de massa cel­wan­den bestaan. Het geheel ziet eruit een klod­der slijm en kan zich gedra­gen als een gigan­tis­che amoebe, maar wel met miljoe­nen celk­er­nen. Die zit­ten dus samen met elkaar bin­nen 1 reusachtige ‘cel’! Vee­lal huizen sli­jmzwammen in dode planten­resten, zoals ver­molmd hout of dode bladeren, maar daar leven ze niet van. Het plas­mod­ium omvloeit bac­ter­iën en schim­mels en voedt zich daarmee, ter­wijl het al kruipend een soort slakken­spoor achter­laat. Som­mige soorten kun­nen plas­modia vor­men van wel een vierkante meter groot, maar de meest zijn een paar mil­lime­ter. Als dat over je tuin­pad kruipt weet je niet wat er gebeurt!

Waar

: Sli­jmzwammen zijn hele­maal niet zeldzaam. Hoe meer je zoekt op ver­molmd hout, op half ver­gaan snoei­hout, dor blad en com­posthopen, hoe meer soorten sli­jmzwammen je vindt. Som­mige zoals de hek­sen­boter vind je het hele jaar door, andere ver­schi­j­nen in het voor­jaar of in de zomer, de meeste in de herfst als er veel bac­ter­iën en schim­mels zijn, die helpen de vele dode planten­resten op te ruimen

Terug­meldin­gen

: geen Voorkomen: warm vochtig weer Sta­tus: onbekend

 gallenlensgaldetailandersGallen10 sep 2007sep­tem­ber
 gallenlensgaldetail

 gallenlensgaldetail

Augus­tus is een goede tijd om eens op gallen te let­ten. Gallen zijn woek­erin­gen op planten (meestal bomen) die vee­lal veroorza­akt wor­den door gal­we­spen. Het doel is om hun lar­ven bescherming en voed­sel te bieden. 75 % van alle gallen komt voor op berken, pop­ulieren, wilgen, pruimen en vooral op eiken. In het Ned­er­landse gal­len­boek wor­den ruim 1400 soorten gallen bespro­ken. Gallen ontstaan omdat gal­we­spen en hun lar­ven hor­monale stof­fen uitschei­den, die de plant aanzetten tot die woek­er­ing. Bek­ende gallen zijn de lens­gal, aar­dap­pel­gal (op eiken­blad), de ananas­gal (eiken­blad­knop) de knop­per­gal (eikels), en de de knikker­gal (tak). Ook op de stam, de bloem en de wor­tel kun­nen gallen voorkomen. Een bek­ende gal op de roos is de mos­gal en een leuke gal op de iep die veel in de Haar­lem­mer­meer voorkomt is de knotsgal(blad). De reden waarom de eik zo pop­u­lair is, is hoogst waarschi­jn­lijk van­wege het feit dat de boom pas laat in het seizoen de bladeren ver­li­est en dus tot laat in het jaar een (voe­dende) sap­stroom heeft. De planten­gallen zijn met een los weef­sel gevuld, dat meestal door een ver­harde laag omgeven is. Het bin­nen­ste bestaat uit olie en eiwitrijke cellen die als voed­sel dienen voor de lar­ven. Als de larve dood gaat, houdt ook de groei van de gal op.

Bij­zon­der

: Gallen wer­den vroeger veel gebruikt voor het maken van looistof en inkt. Er leven veel parasi­eten van de gal­we­spen­lar­ven in de gal. Dat zijn dus hyper­parasi­eten: parasi­eten op parasi­eten. Het geeft wel aan dat een gal een geliefd plekje is om in op te groeien. Overi­gens bli­jft de gal­we­s­plarve wel in leven, want deze lev­ert immers het zo belan­grijke groei-​hormoon voor de gal, zolang hij leeft.

Waar

Een oplet­tende waar

 galeikenlensgalandersGallen10 sep 2007sep­tem­ber
 galeikenlensgal

 galeikenlensgal

Augus­tus is een goede tijd om eens op gallen te let­ten. Gallen zijn woek­erin­gen op planten (meestal bomen) die vee­lal veroorza­akt wor­den door gal­we­spen. Het doel is om hun lar­ven bescherming en voed­sel te bieden. 75 % van alle gallen komt voor op berken, pop­ulieren, wilgen, pruimen en vooral op eiken. In het Ned­er­landse gal­len­boek wor­den ruim 1400 soorten gallen bespro­ken. Gallen ontstaan omdat gal­we­spen en hun lar­ven hor­monale stof­fen uitschei­den, die de plant aanzetten tot die woek­er­ing. Bek­ende gallen zijn de lens­gal, aar­dap­pel­gal (op eiken­blad), de ananas­gal (eiken­blad­knop) de knop­per­gal (eikels), en de de knikker­gal (tak). Ook op de stam, de bloem en de wor­tel kun­nen gallen voorkomen. Een bek­ende gal op de roos is de mos­gal en een leuke gal op de iep die veel in de Haar­lem­mer­meer voorkomt is de knotsgal(blad).
De reden waarom de eik zo pop­u­lair is, is hoogst waarschi­jn­lijk van­wege het feit dat de boom pas laat in het seizoen de bladeren ver­li­est en dus tot laat in het jaar een (voe­dende) sap­stroom heeft.
De planten­gallen zijn met een los weef­sel gevuld, dat meestal door een ver­harde laag omgeven is. Het bin­nen­ste bestaat uit olie en eiwitrijke cellen die als voed­sel dienen voor de lar­ven. Als de larve dood gaat, houdt ook de groei van de gal op.

Bij­zon­der

: Gallen wer­den vroeger veel gebruikt voor het maken van looistof en inkt. Er leven veel parasi­eten van de gal­we­spen­lar­ven in de gal. Dat zijn dus hyper­parasi­eten: parasi­eten op parasi­eten. Het geeft wel aan dat een gal een geliefd plekje is om in op te groeien. Overi­gens bli­jft de gal­we­s­plarve wel in leven, want deze lev­ert immers het zo belan­grijke groei-​hormoon voor de gal, zolang hij leeft.

Waar

Een oplet­tende waarne­mer kan overal gallen vin­den. Voor een min­der geoe­fende waarne­mer is De Heiman­shof of het bomen­pad in het Haar­lem­mer­meerse bos een goede start. Alle genoemde gallen en nog vele meer kun­nen in de eiken, iepen en rozen wor­den aangetrof­fen.
Voorkomen: vooral in de zomer
Sta­tus: Geen spe­ciale bescherming bekend

 ramshoorngalandersRamshoorn­gal17 aug 2008augus­tus
 ramshoorngal

Augus­tus is een goede tijd om eens op gallen te let­ten. Gallen zijn woek­erin­gen op planten (meestal bomen) die vee­lal veroorza­akt wor­den door gal­we­spen. Ze ontstaan door­dat gal­we­spen en hun lar­ven hor­monale stof­fen uitschei­den, die de plant aanzetten tot die woek­er­ing. Gallen bieden gal­we­spen­lar­ven bescherming en voed­sel. Vooral op eiken komen ze vaak voor. In het Ned­er­landse gal­len­boek staan ruim 1400 soorten. Bek­ende gallen zijn de lens­gal, rode erwten­gal, galap­pel (eiken­blad), de ananas­gal (eiken­blad­knop), de knop­per­gal (eikels), de knikker­gal (eiken­tak). Een bek­ende gal op de roos is de mos­gal (tak) en op de iep de knots­gal (blad). Dat de natuur altijd in beweg­ing is, bleek vorige week toen we op een eiken­boom­pje in De Heiman­shof naast 4 bek­ende gal­soorten een onbek­ende soort ont­dek­ten, die ook niet in het grote gal­len­boek bleek te staan. Bij nader onder­zoek bleek het om de Ramshoorn­gal te gaan. Deze soort is in Ned­er­land pas voor het eerst aangetrof­fen in 2003.

Bij­zon­der

Planten­gallen zijn met een los weef­sel gevuld, dat meestal door een ver­harde laag omgeven is. Het bin­nen­ste bestaat uit olie en eiwitrijke cellen, dat als voed­sel dient voor de in één of meer kamers wonende lar­ven. Als de larve dood gaat, houdt ook de groei van de gal op. Gallen wer­den vroeger veel gebruikt voor het maken van looistof en inkt. Er leven ook veel parasi­eten van de gal­we­spen­lar­ven in de gal. Dat zijn dus hyper­parasi­eten: parasi­eten die op andere parasi­eten leven. Het geeft wel aan dat een gal een geliefd plekje is om in op te groeien.

Waar

Geloof het of niet, maar het voorkomen van de Ramshoorn­gal heeft alles met de een­word­ing van Europa te maken. Deze soort komt nl. uit Hon­gar­ije. Door het toegenomen vrachtver­keer sinds de toe­tred­ing van Hon­gar­ije, is deze soort hier verzeild ger­aakt (net als een ander organ­isme: de kas­tan­jem­i­neer­mot, die al onze paar­denkas­tan­jes bruin kleurt door alle blad­groen tussen de boven– en onderkant van het blad weg te eten). Hoewel de ramshoorn­gal op een gewone zomereik voorkomt, heeft deze soort in zijn lev­en­scy­clus een andere eik nodig: de moseik. Deze moseik staat ook in De Heiman­shof en dat verk­laart mede het voorkomen daar. Graag horen wij van andere vin­d­plaat­sen in de Haarlemmermeer.

 fenologieandersFenolo­gie9 apr 2010april
 fenologie

De bedoel­ing van mijn columns over de Haar­lem­mer­meerse Flora en Fauna is om u te atten­deren op de fascinerende din­gen die con­stant om ons heen gebeuren. Om daar ook oog voor te kri­j­gen is er geen betere manier dan om aan ´fenolo­gie´ te gaan doen. Fenolo­gie is de studie van de jaar­lijks terugk­erende natu­urver­schi­jnse­len. Bij vogels bestaat dat b.v. uit het bijhouden wan­neer de 1e exem­plaren van een soort (b.v. de boeren­zwaluw) terugk­eren uit het zuiden. Bij planten komt dat neer op het bijhouden wan­neer de 1e bloe­men van elke soort bloeien en bij insecten houd je bij wan­neer de 1e exem­plaren van een soort ver­schi­j­nen. Als je dat doet, krijg je meer gevoel voor de ver­baz­ing­wekkende dynamiek in de natuur. Bij mij begint de lente b.v pas als er weer in elke tuin een tjift­jaf zingt (dit jaar niet op 21 maart maar op de 17e). En daar­bij ver­baas ik mij elk jaar weer over het feit hoe een vogeltje van maar 46 gram de hele reis heen en terug van Spanje en Marokko over­leeft en in één nacht opeens weer alle tuinen van ons land bevolkt. Voor de jeugd­club van De Heiman­shof hebben wij for­mulieren gemaakt met lijsten van soorten die makke­lijk te vol­gen zijn: één boekje voor vogels, 1 voor planten en 1 voor insecten. Als je geboeid raakt door deze natu­urlijke dynamiek, en jaar in, jaar uit je gegevens bijhoudt, zoals som­mige Heimanshof-​vrijwilligers al tien­tallen jaren doen, krijg je ook meer inzicht in kli­maatsveran­derin­gen, het effect van zachte, droge, natte en koude seizoe­nen. Het belan­grijk­ste is dat je leert kijken en luis­teren naar je omgev­ing. De fenolo­gieboek­jes zijn te down­loaden van www​.deheiman​shof​.nl/​j​e​u​g​d​c​l​u​b​/​d​o​w​n​l​o​a​d​s.

 zwartreuzenkussen1andersZwart Reuzenkussen25 sep 2010sep­tem­ber
 zwartreuzenkussen1

 zwartreuzenkussen1

Door het natte en tegelijk­er­tijd warme weer is het buiten erg ´schim­melig´. Deze col­umn gaat niet over een pad­den­stoel maar over een organ­isme dat ook leeft op vochtige plaat­sen. De groep waar­toe deze soort beho­ord is echter geen schim­mel, geen bac­terie, geen plant en geen dier. Wat bli­jft er dan over? Het ont­brek­ende dieren­rijk is dat van de sli­jmzwammen. Ze heten wel zwammen, maar hebben er behalve een leefwi­jze in vochtige hout of humus niets mee gemeen. Schim­mels bestaan nl uit schim­mel­draden, waaruit de bek­ende pad­den­stoe­len groeien, ter­wijl een sli­jmzwam het groot­ste deel van het jaar leeft als een een­cel­lig organ­isme. Als een soort amoebe jaagt deze op bacteriën.

Bij­zon­der

Een unieke sli­jmzwameigen­schap uit zich bij de sporen­vorm­ing. Dan geven losse amoeben (chemis­che) sig­nalen door, waar­door ze alle­maal bij elkaar boven de grond kruipen. Zo´n ´kolonie´ van losse amoeben kan zich ver­plaat­sen. Wel niet zo snel met 0.12 cm/​uur, maar toch. De reden dat sli­jmzwammen ner­gens in het rijk van het leven bij passen, is dat de amoe­boide cellen dan onder­ling versmelten, maar dat de mil­jar­den celk­er­nen bin­nen de gigan­tis­che ´cel´, die plas­mod­ium genoemd wordt, zelf­s­tandig bli­jven. Dit plas­mod­ium is heel zacht en ´sli­jmerig´ en de grootst bek­ende cel­massa (pro­to­plasma) in het rijk van het leven. Na ver­loop van tijd ver­droogt de buitenkant. De celk­er­nen erbin­nen vor­men sporen en als alles droog is, barst het vlies open en ver­sprei­den de sporen zich met de wind. Het zwarte reuzenkussen is een van de soorten die de groot­ste sli­jmzwamplas­modia vormt. Vaak meer dan een halve m2. Apart aan de naam van zwart reuzenkussen is dat het plas­mod­ium helder wit is. Pas na het ver­dro­gen wordt de korst zwart (zie foto´s).

Waar

Op de Heiman­shof vormt zich deze herfst voor het 2e jaar een zwart reuzenkussen op een oude boom­sto­bbe. Vorig jaar bleef het plas­mod­ium wel een maand of 5 wit voor­dat het plas­mod­ium ver­droogde. Inmid­dels is dit pro­ces al weer een maand aan de gang.

 beukbomenBeuk25 apr 2016april

Col­umn Franke van der Laan

Eind april, begin mei is er een explosieve groei gaande in de natuur. In vier weken tijd veran­dert onze omgev­ing van grijs en grauw naar fris groen in duizend tin­ten. Een van de meest indruk­wekkende gedaan­tev­er­wis­selin­gen om te vol­gen, is die van de beuk. Meestal gebeurt dat in de eerste week van mei, maar door het zachte weer lijkt ook deze boom zich te laten ver­lei­den om eerder in blad te gaan. De beuk maakt namelijk lange win­ter­knop­pen die zich in lut­tele dagen lijken uit te rollen. En dan komt er niet alleen een blad uit, maar een hele twijg met een stuk of 6 bladeren. De beuk maakt zo’n dicht blader­dak dat er bijna geen andere planten onder kun­nen groeien.

 esbomenes27 dec 2014decem­ber

Het wordt veel aange­haald; dat de (Canadese) pop­ulier de ken­merk­ende boom van de Haar­lem­mer­meer is. Dat komt omdat deze boom overal aange­plant wordt.
Een min­stens zo algemene boom en een­tje die zich in tegen­stelling tot de pop­ulier mas­saal voort­plant (en zich dus hier kiplekker voelt) is de es. Bijna overal waar je staat kun je wel een (of veel) essen­bomen in je blikveld aantr­e­f­fen.
Een paar van de mooiste 100– jarige essen staan in het wan­del­bos Hoofd­dorp (33.5 m in omvang en ruim 40 m hoog), maar in alle wijken en ker­nen en bij oude boerder­i­jen en kerken zijn mooie exem­plaren te vin­den. De es maakt met de esdoorn zaden met vleugelt­jes.
Het essen­zaad (foto) heeft 1 vleugel en die van de esdoorn 2. Die vleugels ver­beteren ver­sprei­d­ing met de wind.

Bij­zon­der
Een es wordt ca 200 jaar oud, maar net als bij knotwilgen kan essen­hakhout (dat om de 10 jaar wordt afgezet) de leeftijd van een boom aanzien­lijk ver­len­gen. De oud­ste bomen van de Haar­lem­mer­meer zijn dan ook ruim 300 jaar oude essen­hakhoutop­standen op de Een­denkooi van Stok­man bij Vijfhuizen. Deze 10 jaar oude stam­men wor­den sinds mensen­heuge­nis gebruikt voor palen en als brand­hout.
Maar essen­hout heeft veel meer gebruiksmo­gelijkhe­den. Het is buigzaam, veerkrachtig en recht. Het werd daarom gebruikt voor bv speren, maar nog steeds voor ste­len van gereed­schap zoals hamers, bezems, schep­pen, etc.
In Europa komt 1 inheemse soort es voor. In Noord-​Amerika bestaan nog een tien­tal soorten. Een kweekver­sie van de smal­bladige es, die in de herfst dieprode bladeren kri­jgt, wordt wel als straat­boom aange­plant. Er staan bv een paar exem­plaren waar de Boslaan in Hoofd­dorp over­gaat in de Sweel­incksin­gel.
De es was altijd een geliefde boom omdat hij een makke­lijke en vri­jwel ziek­tevrije soort was. Met de iep en de paar­denkas­tanje hoort hij sinds kort bij soorten die door een plaag (schim­mel) bedreigd wor­den.

Waar
De es groeit graag op natte tot tamelijk vochtige, voed­sel­rijke grond in loof­bossen en is zeer algemeen.

 grijzewilgbomenGri­jze wilg28 jan 2017jan­u­ari

Ken­merk­end voor het land­schap in het west­elijk deel van Ned­er­land is de gri­jze wilg.

Het is een van de 80 soorten wilgen die in Ned­er­land voor komen. Een deel daar­van is stru­ikvormig en een deel boomvor­mend. De groot­ste soort van alle­maal is de gri­jze wilg. Na 60 jaar kan hij zo groot wor­den dat hij onder z’n eigen gewicht in elkaar stort. Het is maar weinig bomen in Ned­er­land ver­gund om ouder dan 100 jaar te worden.

Een wilg van 100 jaar oud kan wel 67 m sta­mom­vang hebben. Een van de mooiste gri­jze wilgen in de Haar­lem­mer­meer staat in Graan voor Visch op het veld bij het poli­tie bureau (foto achter­aan). Deze boom meet ruim 6 m omtrek en ver­toont nog geen spoor van ver­val. Vroeger was hout een van de belan­grijk­ste brand­stof­fen. De snelle groei (elk jaar 23 m) en het risico van instorten heeft mede geleid tot het gebruik om wilgen te knot­ten. Elke 5 jaar is er dan weer genoeg brand – en bouwhout beschikbaar.

Een geknotte wilg kan veel ouder ( 200 jaar) wor­den dan een die niet geknot wordt, omdat hij dan min­der last heeft van z’n ’overgewicht’. En dat ondanks het feit dat knotwilgen inrot­ten en hol wor­den. Dat hol wor­den is weer een zegen voor vele planten en dieren die daarin een toevlucht­so­ord vinden.

Bij­zon­der

De 80 soorten wilgen kruisen onder­ling makke­lijk. Dat heeft geleid tot een ver­war­rende mix van ken­merken. Maar de hoofd­soorten zijn altijd wel te herken­nen: treur wilgen hangen, katwilgen hebben hele lange smalle bladeren, geo­orde wilgen hebben 2 ‘oort­jes’ naast elk blad, water­wilgen zijn hor­i­zon­taal uit­groeiende stru­ik­wilgen met grote kat­jes en boswilgen hebben mooie kat­jes en groeien juist verticaal.

Waar

Wilgen staan overal. In De Heiman­shof wordt op 15 feb­ru­ari een bij­zon­dere snip­perdag geor­gan­iseerd waar­bij de 60 jaar oude wilgen van de stru­in­tuin getopt wor­den met een grote kraan omdat ze te zwaar wor­den. Het hout wordt ges­nip­perd voor de bos paden in de tuin. U wordt van harte uit gen­odigd om te komen kijken en met ons een snip­per dag te nemen.

 gewoneesdoornbomenGewone Esdoorn13 mrt 2016maart

gewone esdoornblad met inktvlekkenziekteOp de woens­dag voor 21 maart wordt in heel Ned­er­land de Nationale Boom­feestdag gehouden. Bij veel scholen en in parken wor­den dan cer­e­monieel bomen geplant om de waarde van bomen te onder­strepen. De waarde van bomen wordt niet alleen door hun aan­tal bepaald, maar eerder door hun kroon­vol­ume en ecol­o­gis­che relaties met andere soorten: een kroon van een gekapte boom van 10 x 10 x 10 meter, heeft dan een waarde van 1000, en dat wordt niet gecom­penseerd door een boom met een kroon van 1 x 1 x 3 meter met een waarde van 3! (zoals maar al te vaak gebeurt). Ook veel burg­ers die hun tuin liever bestraten omdat dat ‚makke­lijker’ is, doen zichzelf, de flora en fauna en de samen­lev­ing tekort (omdat al die bestrate opper­vlak­tes grote prob­le­men geven met opvang van regen­wa­ter). Daarom is De Heiman­shof al 9 jaar gele­den ges­tart met de boomweggeef-​traditie: uit de tuin en de gebieden onder beheer van MEER­groen verza­me­len we boom­p­jes die meer­waarde in tuinen en ter­reinen hebben. Dit jaar zijn er tussen 16 maart en 1 april 10.000 boom­p­jes van 60 soorten te vergeven. De enige tegen­presta­tie die ver­langd wordt voor het natu­urvrien­delijk inrichten van uw eigen ter­rein, is het lid wor­den of spon­soren van De Heimanshof.

Bij­zon­der

Een van de best uitza­aiende soorten in Ned­er­land is de Gewone Esdoorn. De esdoorn is een soort die 35m hoog en 500 jaar oud kan wor­den en opvalt door z’n vlam­mende herf­stk­leuren. Esdoorn­bladeren zijn ken­merk­end hand­vormig ingesne­den met groffe pun­ten (foto) en de zaden bestaan uit dubbel gevleugelde ‚helikoptert­jes’. Esdoorns kun­nen last hebben van een schim­mel die ronde zwarte vlekken op de bladeren geeft. De meeste van de weggeef-​esdoorns komen uit het Groe­nen­daalse bos, waar een paar moeder­bomen miljoe­nen zaailin­gen hebben gepro­duceerd, die niet in de smaak vallen van de Schotse Hoog­lan­ders die er grazen.

Waar

De Esdoorn komt oor­spronke­lijke uit Zuid-​Europa, maar voelt zich al sinds de Mid­deleeuwen in onze regio op elke bodem thuis, zolang die niet te nat is.