Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Reuzen­schaaf­stro

op .

Schaaf­stro behoort tot de paar­den­staart­fam­i­lie. Veel mensen ken­nen een fam­i­lielid daar­van, dat heer­moes heet en dat overal in de Haar­lem­mer­meer groeit, waar zand over klei ligt. Dat is een typ­is­che sit­u­atie bij trot­toirs en in tuin­paden. Van­daar dat veel mensen er een grote hekel aan hebben. Deze paar­den­staarten wor­den vaak kat­ten­staarten genoemd, wat mij als bioloog ver­driet doet, want kat­ten­staarten zijn prachtig paars­bloeiende planten van de waterkant. Paar­den­staarten vor­men een zeer oude fam­i­lie die 250350 miljoen jaar gele­den ontstond en die in de tijd van dinosauriërs, toen er nog geen bloeiende planten en loof­bomen waren hun voor­naam­ste voed­sel vor­mde. Dat ze het tot nu toe hebben vol­ge­houden betekent dat ze een goed over­lev­ingssys­teem hebben. Bij heer­moes heb ik daarmee ken­nis gemaakt toen ik voor een kelder 4 m diep in de grond moest graven en 12 m onder het grond­wa­ter nog wor­tels tegenkwam. Ze hebben dus zo’n wor­tel reserve dat je ze nooit kunt weg wieden.

Bij­zon­der

Paar­den­staarten en dus ook schaaf­stro zijn aan zand gebon­den, omdat ze geen cel­lu­lose als ‘skelet’ maken, maar kleine kristal­let­jes van kwarts. Van schaaf­stro wordt vaak ver­meld dat het vroeger door z’n ruwe sten­gel als schu­ur­pa­pier werd gebruikt, maar dat is vol­gens mij niet terecht. Voor de komst van indus­trieel schu­ur­pa­pier ver­brandde men dit schaaf­stro en kreeg in de as zeer homo­gene kristal­let­jes, die gebruikt wer­den voor het poli­jsten van muziekin­stru­menten. Schaaf­stro en reuzen­schaaf­stro zijn zeer dec­o­ratieve paar­den­staarten die niet mis­staan in (droog) boeket­ten ( zie detail­inzet). Alle paar­den­staarten bestaan uit seg­menten die uit en weer in elkaar geschoven kun­nen wor­den.

Waar

Schaaf­stro houdt van vochtige zand­m­i­lieus zoals duin­valleien en Reuzen­schaaf­stro (foto) dat 23 m hoog kan wor­den, houdt van vochtige grond of het nu klei, zand of veen is. Op dit moment vormt het sporenkapsels, maar veg­e­tatieve voort­plant­ing via scheuren van wor­tel stokken gaat effectiever.

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 1 ] Ga naar 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 cedergrondbekerzwampad­den­stoe­lenCed­er­grond­bek­erzwam20 apr 2006april
 cedergrondbekerzwam

Iedereen ziet wel eens een dier of plant die hij niet thuis kan bren­gen. Lang niet altijd is dat iets bij­zon­ders, maar toch komen ook in de Haar­lem­mer­meer veel echt bij­zon­dere planten en dieren voor. Als je nieuws­gierig bent naar wat het is, zoals mevrouw Steen­brink aan de Kruisweg in Hoofd­dorp, die vreemde knollen in haar tuin vond onder een blauwe ceder, kan het een lange zoek­tocht wor­den. Buren noch ken­nis­sen, radio noch inter­net lever­den haar een antwo­ord op. Uitein­delijk kwam ze bij De Heiman­shof terecht, die een aanzien­lijke ervar­ing heeft op het gebied van veld­bi­olo­gie en een uit­ge­breide determinatie-​bibliotheek voor inheemse soorten.
Echter ook in die bib­lio­theek werd niets gevon­den. Uitein­delijk bracht de Ned­er­landse Mycol­o­gis­che Verenig­ing (pad­destoe­len­v­erenig­ing) uitkomst. Het bleek een Ced­er­grond­bek­erzwam, die eigen­lijk uit Zuid-​Europa komt en waarschi­jn­lijk door de kli­maatop­warm­ing steeds verder naar het noor­den voorkomt. Voor meer infor­matie en een foto, zie de algemene infor­matie onder­staand. De Heiman­shof houdt zich aan­bev­olen voor vra­gen over onbek­ende planten en dieren die in de Haar­lem­mer­meer gezien worden.

Achter­grond­in­for­matie over de Ced­er­grond­bek­erzwam:
Op de grond rond de stam van Ced­ers kan vol­gens de pad­destoe­len­deskundige Hans Adema, de Ced­er­grond­bek­erzwam (zie afbeeld­ing), Geo­pora sum­ne­r­i­ana, wor­den gevon­den. Dat is een vrij grote cirkel­ronde bek­erzwam, die meestal half inge­graven (geo­pora, =aardgaatje) in de grond zit. Van buiten is zij donker ree­bruin, van bin­nen gri­js­beige.
Meestal ver­schi­jnt zij eind jan­u­ari en bli­jft zij aan­wezig tot eind april. Het is dus een echte win­ter– en voor­jaarssoort.
Het is niet hele­maal zeker of het een soort is dat van de afgevallen naalden leeft ( = sapro­trofe soort), of dat het een soort is dat heel sterk aan de wor­tels van de Ceder is gebon­den ( = myc­or­rhiza­sym­biont).
In de Lei­dse Hor­tus heeft zij het tot 2 maal ver­planten van de Ceder over­leefd, het­geen een vinger­wi­jz­ing is in de richt­ing van myc­or­rhiza­sym­biont. Deze zwam was tot voor kort (5 jaar) een extreem zeldzame soort, maar is in korte tijd heel gewoon gewor­den. Zij heeft eve­nals de Ceder een zuidelijke herkomst. Net als veel andere natu­urver­schi­jnse­len wijst dit op een sti­jging van de gemid­delde tem­per­atuur gedurende de laat­ste jaren.
Zij kan bij elke Ced­er­soort groeien.

 groenespechtvogelsGroene Specht21 mei 2006mei
 groenespecht

De groene specht is een spec­tac­u­lair dier met een heel bij­zon­dere lev­enswi­jze. Hij houdt het liefst van een parkachtig land­schap met grote bomen. 30 jaar gele­den waren er nog zo’n 7000 broed­paren in Ned­er­land. Dat aan­tal is afgenomen tot ongeveer 4000.
Bij­zon­der aan de groene specht is allereerst zijn kleuren­pracht. De fel­groene vogel met zijn rode kop en gele stuit zou in een tro­pisch bos niet mis­staan.
Ook zijn voed­sel is bij­zon­der. Het is het enige dier in Ned­er­land dat (gro­ten­deels) leeft van mieren. Die zoekt hij net als ander voed­sel op de grond, waar­bij hij ver­woed in het rond kan hakken.
Een derde bij­zon­dere karak­ter­istiek is zijn roep. Die bestaat uit een schal­lende lach, die wel een kilo­me­ter ver te horen is. In maart tot eind april kan het man­netje deze roep wel om de 10 minuten laten horen. Maar ook in de rest van het jaar is de vogel niet stil.
Ondanks de opval­lende kleuren weet de groene specht zich goed ver­bor­gen te houden. Zijn groene kleur is een goede schutk­leur. Het is vooral zijn roep die zijn aan­wezigheid verraadt.

Waar

In de Haar­lem­mer­meer zijn ons ten­min­ste 2 broed­paren bek­end. Jaren­lang broedt er al een paartje bij de Geniedijk in het cen­trum van Hoofd­dorp en de laat­ste tijd lijkt er een tweede paar in de buurt van de Heiman­shof bijgekomen te zijn.

Meldin­gen: Dat deze spec­tac­u­laire vogel, die lan­delijk onder druk staat zich in de Haar­lem­mer­meer thuis voelt is een goed teken. Een ont­moet­ing met een dergelijk dier kan een onver­getelijke ervar­ing zijn en daarom atten­deren wij u er graag op. Daar­naast wor­den wij graag op de hoogte gehouden van het voorkomen van de groene specht in andere delen van de Haarlemmermeer.

 zwanebloemplantenZwanebloem25 mei 2006mei
 zwanebloem

De Zwanebloem is een moeras­plant die zich thuis voelt in sloten en plassen die aan het ver­lan­den zijn, d.w.z. er moet er flinke laag blub­ber in staan. Hoe ons­make­lijk zijn onder­grond is, zo sier­lijk is zijn bloei­wi­jze, met een krans van roze bloe­men van ongelijke lengte op een lange steel . De plant staat nu, eind mei op het punt om in bloei te komen. De zwanebloem is een bij­zon­dere plant, die in zijn een­tje een ges­lacht en een fam­i­lie vormt. Verder is hij enigszins ver­want aan pijlkruid en water­weeg­bree, planten die ook aan oev­ers en in ver­lan­dende sloten voorkomen.
Als de plant ergens voorkomt, staat hij meestal in een grote groep, waar­van er echter maar een paar bloeien.
De plant heeft veel last van het feit dat wij Ned­er­lan­ders de sloten voor de afwa­ter­ing regel­matig uit­bag­geren. De zwanebloem is o.a. daarom een bescher­mde soort onder tabel 1 van de Flora en Fauna wet. Dat wil zeggen dat er voor beheer (=bag­geren) geen aparte ontheff­ing nodig is, zolang de soort maar niet bedreigd wordt in zijn voorkomen. Voor alle andere activiteiten (= plukken of uit­steken) is wel een ver­gun­ning nodig.

Waar

: Er zijn een aan­tal groeiplaat­sen van de zwanebloem bek­end in de Haar­lem­mer­meer, b.v. in de wijk Kalo­rama in Hoofd­dorp, in de bebouwde kom van Rijsen­hout en Vijfhuizen en in de sloten tussen Rijsen­hout en Burg­erveen. Meldin­gen: Het is waarschi­jn­lijk dat de Zwa­nen­bloem op meer plaat­sen voorkomt. Graag wor­den we door oplet­tende lez­ers op de hoogte gehouden van stand­plaat­sen van deze bij­zon­dere soort.

 HoornaarinsectenHoor­naar2 jun 2006juni
 Hoornaar

De hoor­naar is de groot­ste sociale wesp. Een hoor­naarkoningin kan wel 3,5 cm wor­den! Tot de sociale wespen behoren ook de bek­ende en vaak lastige gewone wespen. Je herkent een hoor­naar vooral aan de omvang en het rood aan kop en poten. Alle andere wespen zijn daar geel met zwart. Ondanks zijn grootte is de hoor­naar veel min­der agressief dan de andere wespen­soorten en laat ons met onze zoete drankjes met rust. Hij steekt daar­door min­der snel. De beruchte rep­u­tatie die deze soort heeft is geheel ten onrechte. Alleen bij het bewaken van zijn nest wil de hoor­naar wel eens steken. Omdat zijn gifk­lier groter is dan die van de gewone wesp, kan dat gemeen zeer doen. Zijn verdedig­ingsneig­ing treedt pas op als een mens of dier bin­nen een straal van 5 m van het nest komt en als er snel en dus bedreigend bewogen wordt.

Bij­zon­der

: De hoor­naar jaagt op insecten. Dit kun­nen ook grote insecten als libellen zijn. De lar­ven wor­den gevoed met dier­lijk mate­ri­aal. Als actieve jager op insecten, is de hoor­naar een bij­zon­der nut­tig dier. De lar­ven op hun beurt pro­duc­eren voor de werk­sters een zoetige vloeistof, die door de werk­sters wordt opge­zo­gen. De werk­sters wor­den dus gezoogd door de lar­ven. Dat is de omge­keerde sit­u­atie als bij zoogdieren!

Waar

De hoor­naar kwam vroeger ook veel in Ned­er­land voor, maar is in de jaren vijftig/​zestig bijna hele­maal verd­we­nen. Land­bouwgif­fen als DDT zullen een erg grote rol hebben gespeeld. Sinds de jaren ′90 neemt het aan­tal hoor­naarsnesten echter weer sterk toe, vooral op de zand­gron­den in het zuiden en oosten en in de duinen. Dat er in mei werd er een exem­plaar in De Heiman­shof aangetrof­fen werd, was dus opval­lend. Graag wor­den wij op de hoogte gebracht van andere waarne­min­gen in de Haarlemmermeer.

 lepelaarvogelsLep­elaars7 jun 2006juni
 lepelaar

Sinds Hemel­vaarts­dag komen dagelijks 13 lep­elaars waarschi­jn­lijk vanuit de kolonie in het Naar­der­meer in de Haar­lem­mer­meer fourageren. Ze houden zich op in de ondiepe gedeeltes van ecol­o­gis­che oev­ers in de buurt van de Toolen­burgse plas. Waarschi­jn­lijk zijn dit oud­ers, die voed­sel zoeken voor zichzelf en hun jon­gen die nu uit het ei gekomen zijn.
In de loop van de avond vertrekken ze weer. Ze doen dat door langzaam circe­lend met opsti­j­gende lucht (ther­miek) hoogte te win­nen. Als ze vol­doende hoogte hebben zweven ze bijna zon­der hun vleugels te bewe­gen hele­maal naar het Naar­der­meer (3035 km ver). Dit omhoog cirke­len gebeurt pal boven de bebouwde kom van Hoofddorp.

Bij­zon­der

Lep­elaars hebben een onmisken­bare bouw: sneeuwwit met een opval­lende lep­elvormige snavel. Hier­mee zoeken ze stekel­baarzen, jonge vis­sen, gar­nalen en andere kleine water­dieren. Het feit dat Lep­elaars de Haar­lem­mer­meer bezoeken mag als een suc­ces wor­den beschouwd van het beleid van de gemeente en ander instanties om op ver­schil­lende plaat­sen ecol­o­gis­che oev­ers aan te leggen.

Waar

Vroeger was de lep­elaar een tal­rijke broed­vo­gel in Ned­er­land. Al voor 1900 verd­we­nen de laat­ste kolonies van meer dan duizend broed­paren. Het dieptepunt was in 1969: 150 paar. Rond 1990 werd echter weer de 500-​parengrens gehaald. Nu zijn er dank zij aller­lei maa­trege­len weer meer dan 1300 paren. Lep­elaars broe­den op slechts enkele plaat­sen in Europa. Ned­er­land is na Den­e­marken en Duit­s­land de meest noordelijke broed­plaats. Behalve in het Naar­der­meer zijn er kolonies op de Wad­denei­lan­den en in de Oost­vaarder­splassen. Ze over­win­teren vooral aan de West-​Afrikaanse kust en op natte plaat­sen in de Sahara.

Terug­meldin­gen

In 2007 wer­den in augus­tus, na afloop van het broed­seizoen weer ver­schei­dene lep­elaars fouragerend in de Haar­lem­mer­meer aangetrof­fen.

Sta­tus: Rode lijst soort

 orchisbijenorchisplantenOrchideeen18 jun 2006juni
 orchisbijenorchis

 orchisbijenorchis

Hoewel je bij de gemeente Haar­lem­mer­meer eerder denkt aan land­bouw en aan VINEX en kan­toren­parken, is er op vele plekken bij­zon­dere natuur te vin­den. Een van de meest bij­zon­dere ontwik­kelin­gen op natu­urge­bied van de afgelopen 10 jaar is het mas­sale voorkomen van ver­schil­lende soorten orchideeën. In Hoof­doorp komen in totaal 10 ver­schil­lende soorten orchideeën voor.
De meest tal­rijke orchidee is de Rietorchis. Deze vind je vooral langs slootkan­ten van niet te steile oev­ers. De Rietorchis staat nu volop in bloei.
Ook de Vleeskleurige orchis staat op deze plekken, is veel min­der alge­meen en is inmid­dels uit­ge­bloeid.
De Moeraswe­spenorchis komt voor op nog nat­tere plekken, en bloeit eind juni/​begin juli.
De Brede wespenorchis staat op drogere plekken in plantsoe­nen, gazons en parken. Deze soort bloeit eind juli/​begin augus­tus.
De Grote Keverorchis pref­er­eert vochtiger stand­plaat­sen en komt veel voor in het Hoofd­dorpse wan­del­bos bij de Kinder­boerderij. Het gaat om een van de groot­ste stand­plaat­sen in Ned­er­land! Deze soort bloeit in mei en is dus inmid­dels uit­ge­bloeid.
De meest bij­zon­dere orchidee die in de Haar­lem­mer­meer voorkomt is de Bijenorchis. Deze soort pref­er­eert drogere stand­plaat­sen met kalkrijke grond en laag gras. Ook deze soort bloeit nu volop. Van deze soort is de Haar­lem­mer­meer waarschi­jn­lijk zelfs de groot­ste vin­d­plaats in Nederland.

Bij­zon­der

: Orchideeën zijn op ver­schil­lende manieren bij­zon­dere planten. Allereerst hun zaad. Dat is zo fijn dat het stofzaad wordt genoemd. Dat zaad kan met de wind over de hele aarde ver­spreid wor­den. Dit is een ver­sprei­d­ingstac­tiek van de plant. Door dit vele fijne zaad komt er altijd wel een deel op gun­stige plekken terecht. Verder kan het zaad kan alleen kiemen onder bij­zon­dere omstandighe­den: onmid­del­lijk bij het ontkiemen dient zo’n zaadje con­tact te maken met een bepaalde schim­mel. Die is voor elke soort orchidee anders, maar heeft altijd de func­tie dat hij voed­sel toelev­ert. Als de orchidee groot is lev­ert deze weer voed­sel aan de schim­mel. Dat heet sym­biose. Omdat alle orchideen afhanke­lijk zijn van schim­mels kun­nen ze niet uit­gesto­ken of overge­plant worden.Dan gaat namelijk de schim­mel altijd dood en daarmee dus ook de orchidee.
Ook bij­zon­der aan de orchidee zijn zijn bloe­men die bij een aan­tal soorten op een vrouwelijk insect lijken. Man­net­jesin­secten wor­den zo tot paren ver­leid. Bij het paren kri­jgt hij stu­ifmeel op zijn kop, dat bij een vol­gend bezoek weer opgepikt wordt door een andere bloem.

Waar

De meeste orchideeën in Hoofd­dorp staan in Beuken­horst en langs de Van Heuven Goed­hart­laan met verbindende kanalen en oev­ers. In Hoofd­dorp is al aardig bek­end waar en welke soorten voorkomen, maar niet van andere woonker­nen in de gemeente Haar­lem­mer­meer. Graag kri­j­gen we meldin­gen van andere vin­d­plaat­sen uit de rest van de Haar­lem­mer­meer. Elke meld­ing is welkom!

Extra: Op zater­dag 24 juni 2006 om 9:00 uur start er vanuit de atletiekv­erenig­ing in Hoofd­dorp (direct achter de Heiman­shof) een orchideeënex­cur­sie. Deze duurt ongeveer twee uur.

 havikvogelsHavik25 jun 2006juni
 havik

Afgelopen week werd de dier­e­nam­bu­lance gebeld voor een roofvo­gel, die zich dood had gevlo­gen tegen een raam in de Hoek. Het bleek een havikman­netje van ongeveer drie jaar oud. Hij liet een wijfje en 2 jon­gen achter, waar­van er inmid­dels een is overleden, d.w.z. opgepeuzeld door zijn sterkere broer of zus. Dit ope­ten van nestgenoten is bij roofvo­gels een slimme over­lev­ingsstrate­gie om in nood­si­t­u­aties te kun­nen over­leven. Het andere jong heeft grote kans om te over­leven met alleen de moeder als ouder. Net als veel andere roofvo­gels prof­i­teert de havik van het feit dat er met min­der giftige stof­fen gespoten wordt. In de jaren 5060 was de stand in heel Ned­er­land slechts 500600 paar. Sinds 1980 beweegt het aan­tal paren zich tussen de 1700 en 2000. De havik is een roofvo­gel die vooral jaagt op vogels, b.v. hout­duiven, stads­duiven, kraaien en eksters. De grote aan­tallen van deze min­der gewen­ste vogels maakt het waarschi­jn­lijk dat de stand van de havik nog wel verder zal toen­e­men.
De havik is een stand­vo­gel van bosge­bieden of gebieden waar bosjes afgewis­seld wor­den met velden. Door zijn korte ronde vleugels en lange staart is hij zeer wend­baar en kan hij tussen bomen door jagen. Het doden van de prooi gebeurt met de klauwen. Het nest wordt hoog in bomen gemaakt en kan soms 1 meter in doorsnede zijn.

Bij­zon­der

Het tegen een raam vliegen is bij haviken (en ook bij sper­w­ers, zijn kleine broertje) doo­d­soorzaak num­mer 1. Alle dode of zieke roofvo­gels uit de Haar­lem­mer­meer terecht bij het voge­lasiel in Haar­lem. Een aan­tal jaren gele­den werd daar ook een havik bin­nenge­bracht, die dwars door een ruit was gevlo­gen en in een klaslokaal van een school gewond bleef rond­vliegen. Deze havik kon na behan­del­ing een aan­tal weken later weer uit­gezet worden.

Waar

Tot de zeventiger jaren kwam de havik vri­jwel uit­slui­tend in Oost– en Zuid Ned­er­land voor. Door het ver­van­gen van graan­velden door maïsvelden ging de hout­duiv­en­stand zodanig achteruit dat de haviken gin­gen zwer­ven. Halver­wege jaren negentig wer­den de eerste broedgevallen in Spaarn­woude en het Ams­ter­damse Bos gemeld. Van­daaruit werd het noordelijk deel van de Haar­lem­mer­meer als eerste bevolkt door waarschi­jn­lijk instroom van jonge vogels. Het nest van de omgekomen havik is een van de 4 nesten die bek­end is uit de Haar­lem­mer­meer. Het eerste broedgeval in de polder dateert van 2002. Sinds­dien komt er bijna elk jaar een nest bij. Het aan­tal jon­gen per nest varieert van 1 tot max­i­maal 4.Het meren­deel van de jon­gen vliegt suc­cesvol uit. Broedgevallen van roofvo­gels en uilen kun­nen wor­den gemeld bij de Werk­groep Roofvo­gels en Uilen Haar­lem­mer­meer (bjbol@​hetnet.​nl).

 aardakerbloemplantenAar­daker9 jul 2006juli
 aardakerbloem

Op dit moment bloeit de Aar­daker met opval­lende trossen van licht­paarse bloe­men. De plant klimt omhoog tussen andere planten met behulp van ranken. De Aar­daker is een van de tien bescher­mde vlin­derbloemige planten in Ned­er­land. Deze dankbare bloeier groeit in akker­ran­den en in weg­ber­men op kleigrond. Het is een soort die op schrale grond groeit tussen de akkerkruiden bij graan­velden. De plant heeft meerdere lokale namen, die alle­maal ver­band houden met het feit dat de plant eet­bare knol­let­jes pro­duceert: aardeikel, aard­muis, muizen met staart­jes, varken­snoot, aard­noot, aard­kas­tanje, grond­boon, koffieboon, zeug­boon en grondpeer.

Bij­zon­der

Vroeger werd de soort com­mer­cieel ver­bouwd, onder andere in de provin­cie Zee­land en op de Zuid-​hollandse eilan­den. De eet­bare knol­let­jes zijn pas na 34 jaar vol­groeid en zijn dan net zo groot als hazel­noten. De plant wortelt tot 70 cm in de aarde. De knol­let­jes bevat­ten vooral suik­ers en zetmeel en ook eiwit­ten en vet­ten. Ze wer­den als aar­dap­pels gekookt of net als tamme kas­tan­jes gepoft. Vaak dien­den ze ook als koffies­ur­ro­gaat of als varkensvoer. Ze kon­den ook tot plan­taardige olie ver­w­erkt wor­den. Ook werd in de zestiende eeuw uit de bloe­men par­fum gewon­nen. Als peul­vrucht­en­soort draagt deze plant bij aan de bodemver­be­ter­ing (stik­stof), vergelijk­baar met de lupine en luzerne.

Waar

Uit de Haar­lem­mer­meer zijn een paar vin­d­plaat­sen bek­end, langs de Boslaan en de Vrije Bus­baan in Over­bos in Hoofd­dorp en één vin­d­plaats in Vijfhuizen. Graag horen wij van andere groeiplaatsen.

 zoetwatersponskleine dierenZoet­wa­ter­spons13 jul 2006juli
 zoetwaterspons

 zoetwaterspons

Van de 5000 ver­schil­lende soorten sponzen komen er maar een vijf­tal in zoet­wa­ter voor.
Sponzen zijn kolonievor­mende organ­is­men. Sponzen hebben geen duidelijke vorm. Meestal vor­men zij kussen­vormige of vlakke korsten die vol zit­ten met poriën en kanaalt­jes. Fraaie vinger– of geweivormige exem­plaren ontstaan alleen bij gun­stige omstandighe­den in de zomer. Die omstandighe­den zijn helder stromend en zuurstofrijk water. De vingers kun­nen wel een meter lang wor­den, maar zijn meestal maar 1020 cm. Ze groeien vaak ver­sc­holen onder een over­hangende rand op een vaste onder­grond van hout of steen en zijn meestal vaal geel– of groe­nachtig van kleur. In som­mige gevallen kun­nen de kolonies enige vierkante meters groot zijn. Sponzen geven vaak onder­dak aan vele andere organ­is­men. Zo kun­nen algen ook bin­nen de lichaamweef­sels van de spons leven en geven deze hun groe­nachtige kleur.
In de win­ter ster­ven grote stukken af, die in het voor­jaar weer aangroeien.

Bij­zon­der

: Sponzenkolonies ontle­nen hun ste­vigheid aan een flex­i­bel wan­dei­wit (spongine), dat vol zit met kiezelzu­ur­naald­jes. Hier­door zijn lev­ende kolonies breek­baar en enigszins hard. Deze skelet­naald­jes wor­den bij bad­kamer­sponzen chemisch opgelost om ze zacht te maken voor gebruik.
Lev­ende zoet­wa­ter­sponzen hebben een sterke jodi­u­machtige geur.
Sponzen zijn een zeer prim­i­tieve lev­ensvorm. Ze bestaan uit kolonies van een aan­tal soorten cellen, die elk een andere func­tie hebben en samen een soort organ­isme vor­men. Deze cel­typen zijn echter niet zoals bij hogere dier­soorten in orga­nen geor­gan­iseerd. Ze zit­ten alle­maal apart in het labyrin­tachtige skelet opges­loten. Verder hebben ze geen zenuw­s­telsel of bloed­vaten­sys­teem. Ze eten en ade­men door water met daarin zuurstof en plank­ton aan te zuigen en te fil­teren. De ben­odigde water­stroom wordt door zweep­cellen op gang gehouden.

Waar

De afge­beelde fraaie geweispons werd op het sluisje van Fort Rijsen­hout aangetrof­fen. Graag verne­men we andere locaties waar zoet­wa­ter­sponzen groeien in de Haarlemmermeer.

 jacobskruiskruiden rupsenplantenJacob­skruiskruid en Jacobsvlinder15 jul 2006juli
 jacobskruiskruiden rupsen

 jacobskruiskruiden rupsen

Op dit moment is het Jacob­skruiskruid in bloei. Jacob­skruiskruid kan overal op dijken en in bermen aangetrof­fen wor­den. De plant is berucht bij houd­ers van grote graz­ers zoals paar­den en koeien. Zowel Jacob­skruid­kruid als alle andere 13 soorten kruiskruiden in Ned­er­land bevat­ten namelijk giftige pyrolizidine alka­loï­den. Dat zijn stof­fen die zich ophopen in de lever en bij grote hoeveel­he­den (1020 % van het gewicht van het dier over zijn hele leven) tot de dood kun­nen lei­den. Echter de lev­ende plant smaakt door deze stof der­mate afschuwelijk dat geen dier het in zijn hoofd zal halen om er meer dan één hap van te nemen. Alleen als Jacob­skruiskruid in hooi terechtkomt, kun­nen de dieren geen onder­scheid meer maken. Het is dus zaak om geen hooi te maken van bermen waarin veel kruiskruiden groeien.

Bij­zon­der

: Een dier dat juist baat heeft bij de giftigheid van de plant is de Jacob­svlin­der. Dat is een prachtig rood met blauw gek­leurd nachtvlin­dertje dat ook overdag actief is. De geel met zwart gestreepte zebrarupsen, die uit zijn eieren komen zijn namelijk resistent tegen het gif. Ze hopen het gif zelfs op en zijn daar­door voor vogels en andere rovers lev­ens­gevaar­lijk. Na het ver­pop­pen is de rups het gif kwijt. De vlin­der is te zien van half mei tot en met begin augus­tus. Zoals zoveel giftige planten werd het Jacob­skruiskruid ook als geneesmid­del gebruikt b.v. bij reuma en ooginfecties.

Waar

: Het Jacob­skruiskruid komt op vele plekken voor in de Haar­lem­mer­meer. De Jacob­svlin­der ken­nen wij alleen van De Heiman­shof. Graag horen wij van andere plekken waar de rupsen of de vlin­der ges­ig­naleerd wordt.

 neushoornkeverinsectenNeushoornkever16 jul 2006juli
 neushoornkever

De neushoornkever is in Ned­er­land met het vliegend hert één van de groot­ste inheemse soorten en kan iets langer dan 4 cen­time­ter wor­den. De kever komt voor in loof­bossen maar is zelden alge­meen. Waar hij wel mas­saal kan voorkomen is in hopen met rot­tend hout. De kev­ers zijn in ver­houd­ing tot andere Ned­er­landse soorten al bij 15 graden traag. Dit zou kun­nen verk­laren waarom ze in Ned­er­land over het alge­meen zo zeldzaam zijn en alleen soms tal­rijk voorkomen in broei­hopen.
De kever zelf leeft maar enkele weken en eet niet meer. De lar­ven echter kun­nen wel twee tot drie jaar in rot­tend hout leven van diverse loof­boom­soorten. De lengte van het lar­ves­ta­dium hangt af van het voed­se­laan­bod maar vooral van de tem­per­atuur. Lar­ven die in houthopen leven waarin com­pos­ter­ing plaats vindt (broei), leven in veel hogere tem­per­a­turen en kun­nen zich al bin­nen enkele maan­den volledig ontwikke­len.
De larve wordt 7 tot 12 cen­time­ter lang en kent drie sta­dia voor­dat ver­pop­ping plaatsvindt.

Bij­zon­der

: De kever is te herken­nen aan het grote bru­in­rode, glanzende lichaam, alleen man­net­jes hebben de neushoorn-​achtige punt vooraan de kop. Deze dient om elkaar om te duwen in gevechten om de vrouwt­jes, en niet om te steken. De neushoornkever behoort tot een groep tro­pis­che soorten, die voor insecten in bio­massa de groot­ste insecten ter wereld her­ber­gen, onder andere De her­culeskever (onder­fam­i­lie Dynas­ti­nae). De neushoornkever is de enige Europese verte­gen­wo­ordi­ger van deze groep. Hij heeft in de loop der eeuwen zijn habi­tat en lev­enswi­jze meerdere malen moeten veran­deren en blijkt daaraan opmerke­lijk goed aangepast. Oor­spronke­lijk moet de larve (178 1b g) in ver­molmd hout hebben geleefd. Later bij het verd­wi­j­nen van grote hoeveel­he­den oer­bos moet de ontwik­kel­ing ver­plaatst hebben naar onder andere leerlooierij-​afvalhopen en in zaag­meel van houtza­ger­i­jen. Tegen­wo­ordig wordt hij vee­lal bij en in com­posthopen gevon­den en neemt zelfs weer wat in aan­tal toe.
De larve kan de bij rot­ting­sprocessen, ontstane warmte goed voor haar meer­jarige ontwik­kel­ing gebruiken. Afhanke­lijk van de omstandighe­den kan de enger­ling na 35 jaar een lengte van 12 cm. bereiken. Voor de ver­pop­ping maakt zij met behulp van uitwerpse­len een pop­kamer die doet denken aan een kip­penei. Bij gebrek aan voed­sel komen er honger­vor­men voor: bij de man­net­jes resul­teert dat bijvoor­beeld in de afname van de grootte van de hoorn ten opzichte van de lichaams­g­rootte. Kleine man­net­jes zijn dan van uiter­lijk nog nauwelijks van vrouwt­jes te onder­schei­den. De vol­wassen kev­ers nemen geen of weinig voed­sel meer tot zich. In warme nachten ver­to­nen ze zwer­mge­drag en vliegen dan rond en wor­den vaak aangetrokken door licht­bron­nen als straat­lantaarns. Als zij tegen een lamp aan­vliegen en op een glad opper­vlak op hun rug vallen hebben zij grote moeite zich weer om te draaien en op hun poten terecht te komen.

Waar

: Een ster­vend vrouwtje van de neushoornkever werd begin juli in de nieuw­bouwwijk Flo­riande aangetrof­fen. Mogelijk is zij afkom­stig uit hout­snip­pers die voor tuinaan­leg zijn aangevo­erd. Graag horen wij van andere waarnemingen.

 KerkuilvogelsKerkuil17 jul 2006juli
 Kerkuil

 Kerkuil

De kerkuil leeft vaak in de menselijke omgev­ing, maar weinig mensen kri­j­gen hem te zien. Broed­plaat­sen zijn boeren­schuren, kerk­torens en soms holle bomen. Het voed­sel bestaat vooral uit veld­muizen en spitsmuizen. Het aan­tal veld­muizen ver­toont een drie­jarige cyclus, die de kerkuil met enige ver­trag­ing volgt. Jonge kerkuilen kun­nen flinke zwerftochten maken, maar een­maal geves­tigde vogels verbli­jven meestal in het­zelfde leefge­bied. De kerkuil houdt niet van koude win­ters; zijn veren­kleed houdt slecht warmte vast. In de vijftiger jaren broed­den er jaar­lijks 1500 tot 3000 paar in vooral het mid­den en oosten des lands. Verkavelin­gen, inten­siever graslandge­bruik, muizenbe­stri­jd­ing, e.d. maak­ten het leven van kerkuilen niet makke­lijk. Daar­door waren er na de strenge win­ter van 1963 en vooral die van 1979 nog maar 100 paar over. Sinds­dien gaat het weer beter. In de 90′er jaren waren er weer 7001200 paar en na de warme en muizen­rijke top­jaren 2004 en 2005 werd het aan­tal paren geschat op 2800. Deze uilen broe­den vooral in nestkas­ten en hebben zich ged­won­gen door de veran­derin­gen op het plat­te­land geves­tigd in hele andere gebieden zoals bossen, Flevoland en in steden.

Bij­zon­der

: De kerkuil vangt muizen op het oog, maar vooral op het gehoor. Het karak­ter­istieke hartvormige ‘gezicht’ van de uil dient om licht en geluid te focussen. Een kerkuil kan wel 10 jaar oud wor­den, maar gemid­deld wordt hij maar 2 jaar. Dat komt omdat de meeste jon­gen vroeg ster­ven.
Som­mige uilen­man­net­jes bedi­enen tegelijk­er­tijd meerdere vrouwt­jes. Een beroemde uil uit de Haar­lem­mer­meer had op enig moment 3 vrouwt­jes met broed­sels tegelijkertijd.

Waar

: In de vijftiger jaren verd­ween de Kerkuil uit de Haar­lem­mer­meer. De laat­ste meld­ing was uit 1956. In de negentiger jaren kwam de soort weer terug. Vooral door het werk van de roofvo­gel– en kerkuilen­werk­groep en de wel­wil­lende medew­erk­ing van veel agrar­iërs nam de stand toe van 1 paar in 1991 tot 910 paar in 2005. 2006 lijkt weer een slecht jaar. Tot op heden zijn er niet meer dan 23 broe­dende paart­jes gecon­sta­teerd. We houden ons dus aan­bev­olen voor meldingen.