Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Reuzen­schaaf­stro

op .

Schaaf­stro behoort tot de paar­den­staart­fam­i­lie. Veel mensen ken­nen een fam­i­lielid daar­van, dat heer­moes heet en dat overal in de Haar­lem­mer­meer groeit, waar zand over klei ligt. Dat is een typ­is­che sit­u­atie bij trot­toirs en in tuin­paden. Van­daar dat veel mensen er een grote hekel aan hebben. Deze paar­den­staarten wor­den vaak kat­ten­staarten genoemd, wat mij als bioloog ver­driet doet, want kat­ten­staarten zijn prachtig paars­bloeiende planten van de waterkant. Paar­den­staarten vor­men een zeer oude fam­i­lie die 250350 miljoen jaar gele­den ontstond en die in de tijd van dinosauriërs, toen er nog geen bloeiende planten en loof­bomen waren hun voor­naam­ste voed­sel vor­mde. Dat ze het tot nu toe hebben vol­ge­houden betekent dat ze een goed over­lev­ingssys­teem hebben. Bij heer­moes heb ik daarmee ken­nis gemaakt toen ik voor een kelder 4 m diep in de grond moest graven en 12 m onder het grond­wa­ter nog wor­tels tegenkwam. Ze hebben dus zo’n wor­tel reserve dat je ze nooit kunt weg wieden.

Bij­zon­der

Paar­den­staarten en dus ook schaaf­stro zijn aan zand gebon­den, omdat ze geen cel­lu­lose als ‘skelet’ maken, maar kleine kristal­let­jes van kwarts. Van schaaf­stro wordt vaak ver­meld dat het vroeger door z’n ruwe sten­gel als schu­ur­pa­pier werd gebruikt, maar dat is vol­gens mij niet terecht. Voor de komst van indus­trieel schu­ur­pa­pier ver­brandde men dit schaaf­stro en kreeg in de as zeer homo­gene kristal­let­jes, die gebruikt wer­den voor het poli­jsten van muziekin­stru­menten. Schaaf­stro en reuzen­schaaf­stro zijn zeer dec­o­ratieve paar­den­staarten die niet mis­staan in (droog) boeket­ten ( zie detail­inzet). Alle paar­den­staarten bestaan uit seg­menten die uit en weer in elkaar geschoven kun­nen wor­den.

Waar

Schaaf­stro houdt van vochtige zand­m­i­lieus zoals duin­valleien en Reuzen­schaaf­stro (foto) dat 23 m hoog kan wor­den, houdt van vochtige grond of het nu klei, zand of veen is. Op dit moment vormt het sporenkapsels, maar veg­e­tatieve voort­plant­ing via scheuren van wor­tel stokken gaat effectiever.

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 1 ] Ga naar 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 viltinktzwam1pad­den­stoe­len(Grote) Viltink­tzwam (1)18 dec 2012decem­ber
 viltinktzwam1

Op de schors van een aan­tal dode wilgen­takken in De Heiman­shof namen we in de loop van de herfst plukken, van wat het meest leek op een bruin soort mos, waar. Iets dergelijks prikkelt altijd onze nieuws­gierigheid, want deze oran­je­bru­ine vitale kleur kenden we van geen enkele mossen­soort. De enige bru­ine mossen die in de lit­er­atuur beschreven wor­den, zijn ver­droogde mossen en deze soort zag er blak­end gezond uit. Daarmee werd het ver­schi­jnsel alleen maar interessanter.

Een zoek­tocht onder mossendeskundi­gen leverde de tip op over een pad­den­stoel. Wat wij als pad­den­stoel ken­nen, is het vruchtlichaam van de eigen­lijke organ­isme, dat bestaat uit een zwamvlok, het zoge­naamde mycelium. Deze draad­vormige schim­mel­netwerken bevin­den zich meestal in hout of in de grond, waar zij leven van het vert­eren van organ­isch mate­ri­aal . Er zijn mycelia in alle soorten en maten. Hele grote exem­plaren kun je soms herken­nen in de vorm van hek­senkrin­gen. Bin­nen de hek­senkring is het voed­sel ver­teerd en aan de rand van het organ­isme (en vaak waar er con­tact gemaakt wordt met andere ´schimmelindividuen´) wor­den de pad­den­stoe­len gevormd. Er zijn hek­senkrin­gen van tien­tallen, hon­der­den meters en zelfs kilo­me­ters doorsnede bekend.

Bij­zon­der

Zwamdraden zijn zeer gevoelig voor uit­dro­gen en daarom tref je ze zelden aan in de open lucht. Maar in som­mige gevallen is dat wel een noodzaak. En dat is spe­ci­aal het geval als het eten opraakt of wan­neer het mycelium het op een andere manier benauwd kri­jgt. Dan wordt er een zoge­naamd lucht­mycelium of Ozo­nium gevormd (zie op de foto het ozo­nium van de grote viltink­tzwam). Er bestaan een dri­etal soorten ink­tzwammen die dit oran­je­bru­ine lucht­mycelium vor­men. De meest waarschi­jn­lijke soort is de Grote viltink­tzwam. Deze is het meest alge­meen, maar pas als er pad­den­stoe­len gevormd wor­den kan de soort defin­i­tief bepaald wor­den. Vol­gende week meer.

 Grote_viltinktzwam3pad­den­stoe­len(Grote) Viltinkzwam (2)25 dec 2012decem­ber
 Grote_viltinktzwam3

Ver­volg van de col­umn van vorige week. Er zijn hon­der­den soorten ink­tzwammen wereld­wijd. Ze ontle­nen hun naam aan het feit dat een ‘rijpe’ ink­tzwam vervloeid tot een soort zwarte inkt. In deze vloeibare klev­erige inkt zit­ten de sporen, die aan poten van insecten (vooral vliegen) bli­jven kleven en zo ver­spreid wor­den. De grote viltink­tzwam is niet zo groot met een hoed van 24 cm en een steel van 38 cm. (zie foto)Veel kleiner dan de algemene gri­jze en geschubde ink­tzwammen, die vaak op voed­sel rijke gazons of com­posthopen staan. Vooral de geschubde ink­tzwam is een del­i­catesse. De Gri­jze ink­tzwam is ook eet­baar, maar alleen als je er min­stens 24 uur ervoor en erna geen alco­hol nut­tigt. In dat geval pro­duceert hij nl gif­stof­fen in je bloed. Of de Grote viltinkzwam eet­baar is, is mij niet bek­end. I.t.t. de gewone zwamdraden droogt het lucht­mycelium niet zo makke­lijk uit en heeft het een func­tie om te ontsnap­pen uit een plek waar het eten op is. Dat kan op 2 manieren: 1: door over een plek heen te groeien waar geen ver­teer­baar organ­isch mate­ri­aal voorkomt naar een plek waar de schim­mel wel weer kan gedi­jen 2: door met kleine pluk­jes af te breken en heel ergens anders heen te waaien. Lucht­mycelium komt ook bij schim­mel­soorten voor, maar niet als dit oran­je­bru­ine ‘vilt’: Schim­mels en bacteriën zijn voort­durend met elkaar in con­cur­ren­tie. Waar deze organ­is­men elkaar in de grond of in een petri schaal in lab­o­ra­to­ria tegen komen en ´elkaar niet uit kun­nen staan´ gaan de zwamdraden of dood of vor­men onder stressvolle con­di­ties ook vaak lucht­mycelium. Daar­bij wordt er tegelijk­er­tijd een soort chemis­che oor­log uit­ge­vochten. Een deel van de chemis­che bat­terij aan stof­fen bestaat uit antibi­ot­ica. Zo geven lucht­mycelia aan onder­zoek­ers aan waar inter­es­sante stof­fen gevon­den kun­nen worden.

Waar

Viltinkzwammen komen voor op dode takken, stronken en stam­men van loof­bomen (pop­ulier, els, esdoorn) op voed­sel­rijke bodem.

 aalscholvervogelsAalscholver10 feb 2008feb­ru­ari
 aalscholver

Jaar­lijks komen er meer aalscholvers naar de Haar­lem­mer­meer. Hun naam is mis­lei­dend, want pal­ing vormt maar een zeer klein deel van zijn menu, dat vooral uit brasem en voorn bestaat. Com­mer­cieel is de brasem niet inter­es­sant en aalscholvers vor­men dus niet of nauwelijks een con­cur­rent van de bin­nen­vis­serij. Wel weten ze in de win­ter feil­loos de plekken te vin­den waar vis­sen over­win­teren. Zo’n plek bezoeken ze tot alle vis­sen van de voor hun geschikte jaark­lassen op zijn. Hun dagrantsoen van 0.51 kg bestaat uit zo’n 510 vis­sen. De ongeveer 250 vogels die onze polder bezoeken eten dus zo’n 125250 kg vis per dag. Door de ver­meende con­cur­ren­tie om pal­ing is de aalscholver erg ver­volgd, waar­door er rond 1960 min­der dan 1000 paar over waren. Door bescherming, maar ook door toe­name van hun prooi­dieren (fos­faat), heeft de stand zich weten te her­stellen tot zo’n 20.000 broed­paren verdeeld over 25 kolonies.

Bij­zon­der

Aalscholvers broe­den in kolonies, meestal in moeras­bossen met elzen. Door de uitwerpse­len van de aalscholvers, die rijk zijn aan salpeterzuur, ster­ven de bomen waarin de nesten wor­den gemaakt. Anders dan de meeste andere water­vo­gels, bevat hun veren­kleed slechts zeer weinig vet. Daar­door is het niet water­dicht en wordt een duik­ende aalscholver dri­jf­nat. De vogels dro­gen zich door met ken­merk­end half gespreide vleugels op een paal of in een boom te gaan zitten.

Waar

Aalscholvers komen wereld­wijd voor. Onze vogels trekken alleen in heel koude win­ters weg naar Frankrijk en Spanje tot in Tune­sië. In nor­male win­ters wor­den onze vogels aange­vuld met dieren uit vooral Den­e­marken. Waar vossen leven, broedt de aalscholver in bomen. Op eilan­den, zoals Vlieland, wordt ook op de grond gebroed. Het belan­grijk­ste broedge­bied is rond het IJs­selmeer. De groot­ste kolonie is in de Oost­vaarder­splassen (8400 paar). Op het IJselmeer wordt meestal in grote groepen samen gejaagd. Daar­buiten, zoals in de Haar­lem­mer­meer, wordt vooral soli­tair gevist.

 aardakerbloemplantenAar­daker9 jul 2006juli
 aardakerbloem

Op dit moment bloeit de Aar­daker met opval­lende trossen van licht­paarse bloe­men. De plant klimt omhoog tussen andere planten met behulp van ranken. De Aar­daker is een van de tien bescher­mde vlin­derbloemige planten in Ned­er­land. Deze dankbare bloeier groeit in akker­ran­den en in weg­ber­men op kleigrond. Het is een soort die op schrale grond groeit tussen de akkerkruiden bij graan­velden. De plant heeft meerdere lokale namen, die alle­maal ver­band houden met het feit dat de plant eet­bare knol­let­jes pro­duceert: aardeikel, aard­muis, muizen met staart­jes, varken­snoot, aard­noot, aard­kas­tanje, grond­boon, koffieboon, zeug­boon en grondpeer.

Bij­zon­der

Vroeger werd de soort com­mer­cieel ver­bouwd, onder andere in de provin­cie Zee­land en op de Zuid-​hollandse eilan­den. De eet­bare knol­let­jes zijn pas na 34 jaar vol­groeid en zijn dan net zo groot als hazel­noten. De plant wortelt tot 70 cm in de aarde. De knol­let­jes bevat­ten vooral suik­ers en zetmeel en ook eiwit­ten en vet­ten. Ze wer­den als aar­dap­pels gekookt of net als tamme kas­tan­jes gepoft. Vaak dien­den ze ook als koffies­ur­ro­gaat of als varkensvoer. Ze kon­den ook tot plan­taardige olie ver­w­erkt wor­den. Ook werd in de zestiende eeuw uit de bloe­men par­fum gewon­nen. Als peul­vrucht­en­soort draagt deze plant bij aan de bodemver­be­ter­ing (stik­stof), vergelijk­baar met de lupine en luzerne.

Waar

Uit de Haar­lem­mer­meer zijn een paar vin­d­plaat­sen bek­end, langs de Boslaan en de Vrije Bus­baan in Over­bos in Hoofd­dorp en één vin­d­plaats in Vijfhuizen. Graag horen wij van andere groeiplaatsen.

 aarddistelplantenAard­dis­tel24 aug 2008augus­tus
 aarddistel

Dis­tels hebben geen goed imago. Hun stekels en het feit dat er dis­tels zijn, die zich met hun pluizige zaden makke­lijk ver­sprei­den, heeft ze vooral bij boeren en groen­be­heerders gehaat gemaakt. Vooral de akkerdis­tel en in min­dere mate de speerdis­tel zijn ver­ant­wo­ordelijk voor deze rep­u­tatie. Dit zijn pio­nier­planten die zich snel en over grote afs­tanden kun­nen ver­sprei­den en op braak­land en in akkers explosief in aan­tal kun­nen toen­e­men. De akkerdis­tel is daar­naast een hart­nekkige vaste plant die wor­tel­stokken vormt, waaruit nieuwe planten kun­nen groeien. Naast deze algemene dis­tels komen er in Ned­er­land nog 18 andere dis­telachti­gen voor, waaron­der een aan­tal bij­zon­der mooie soorten en vele soorten die heel kieskeurig zijn en om die reden bijna uit­gestor­ven. ©n van die soorten is de aard­dis­tel. Net als veel andere dis­tels is de aard­dis­tel een twee­jarige plant. Het eerste jaar vormt hij een bladrozet en pas in het 2e jaar bloeit hij. De aard­dis­tel onder­scheidt zich van de andere dis­tels, die hun bloe­men meestal 13 m hoog dra­gen, door het feit dat zijn bloe­men erg laag bli­jven. Hij bloeit in juli tot sep­tem­ber. De aard­dis­tel komt vooral voor in kalkrijke wei­lan­den en is zo ern­stig bedreigd, dat hij zowel in Ned­er­land en Bel­gië op de rode lijst staat.

Bij­zon­der

De ecol­o­gis­che rol van dis­tels is groot. Hun bloe­men zijn een belan­grijke nec­tar­bron voor vlin­ders en andere insecten en veel vogels eten het zaad. Het put­tertje of dis­telvinkje heeft er zijn naam aan te danken. Een dis­tel die het tot voed­ings­ge­was heeft geschopt, is de kar­doen. Dit is de noordelijke vari­ant van de artisjok, die vroeger (en schoor­voe­tend opnieuw als streek­groente) ook in de Haar­lem­mer­meer werd geteeld voor de blad­ner­ven (eet­baar als bleekselderij).

Waar

In De Heiman­shof kun­nen we 13 van de 20 Ned­er­landse dis­telachti­gen laten zien in een ‘dis­tel­rondlei­d­ing’. Naast de algemene soorten zoals akker– en speerdis­tel tre­f­fen we er aan: de grote klis (bosrand), de donzige klis (zeldzaam) en de mari­adis­tel op arme zand­grond, de driedis­tel (op het duin), de moes­dis­tel (bedreigd) en de kale jonker aan oev­ers en in moerassen, de al genoemde aard­dis­tel, de ten­gere dis­tel (zeldzaam) op win­ter­graanakkers, de kruld­is­tel (akkers en ruigten), de knikkende dis­tel (riv­ierdijken) en de kar­doen (akkers). Van deze soorten komen de akker– de krul– en de speerdis­tel alge­meen in de Haar­lem­mer­meer voor.

 agaatvlindervlin­dersAgaatvlin­der10 sep 2011sep­tem­ber
 agaatvlinder

 agaatvlinder

De herfst lijkt al in volle gang en met al die regen verwacht je nauwelijks meer insecten te zien. Maar er zijn soorten die zich ook in kil weer en zelfs in de win­ter goed kun­nen hand­haven en actief bli­jven. Een van die soorten is de agaatvlin­der. Dat is een nachtvlin­der die ook overdag actief is. De vlin­der is het gehele jaar waar te nemen, maar er zijn twee pieken in de vlieg­pe­ri­ode: april tot juni en augus­tus tot okto­ber. Ook de rups is het gehele jaar aan te tre­f­fen. De rups is een echte alle­seter, die voorkomt in een groene vorm en een bru­ine vorm. Hij wordt ca. 4 cm lang en 6 mm dik Waard­planten van de rups zijn vooral brand­ne­tel, dovene­tel, zur­ing. Maar ook op ooievaars­bek, winde, fram­boos en wilg komt de rups voor. Overdag rust de agaatvlin­der onbeschut op muren en paalt­jes of in de veg­e­tatie. Daar­bij vertrouwd hij op zijn prachtige schutk­leur (zie foto), waar­door hij er uit ziet als een ver­dord blaadje.

Bij­zon­der

Zowel de vlin­der, pop en rups kun­nen in Ned­er­land de win­ter over­leven. Veel rupsen, pop­pen en vol­wassen insecten komen in de win­ter en tij­dens natte peri­o­den om door ver­drink­ing of ver­schim­mel­ing. Door­dat de rups van de agaatvlin­der in de win­ter actief bli­jft, is de soort min­der gevoelig voor biotopen die „s win­ters onder water staan. Dat draagt met zijn niet kieskeurige voed­selvoorkeur eraan bij dat deze vlin­der zo alge­meen is. Tij­dens milde win­ter­da­gen gaat de rups door met foer­ageren. De ver­pop­ping vindt gewoon­lijk plaats in een cocon in de grond; soms in een voeg in een muur.

Waar

De agaatvlin­der is een vrij algemene soort, die in Ned­er­land op aller­lei grond­soorten voorkomt. Vooral in meer vochtige gebieden, maar ook in de ste­den (onder andere in tuinen en parken). De vlin­ders ver­to­nen zowel zwerf– als trekge­drag. De agaatvlin­der trekt jaar­lijks in wis­se­lende aan­tallen in het voor­jaar vanuit het Mid­del­landse Zeege­bied naar het noor­den. Een deel van de vlin­ders trekt in de herfst weer terug naar het zuiden.

 akkerandoornplantenAkkeran­doorn2 okt 2009okto­ber
 akkerandoorn

 akkerandoorn

Deze col­umn is bedoel om bij­zon­dere natu­urver­schi­jnse­len in onze polder ´op de kaart te zetten´. En dat ont­dekken gaat natu­urlijk het beste als er vele ogen meek­ijken. De afgelopen tijd was een vrucht­bare tijd. Er kwa­men vele meldin­gen van 312 lep­elaars die zich ophielden langs de spoor­baan, het 3e ijsvo­gelnest van dit jaar op De Heiman­shof leverde vorige week 1 jong op, wat het totaal op 7 bracht en de poldere­coloog meldde een nieuwe rode lijst­soort voor onze polder: de akkeran­doorn. Deze soort hoort bij de lip­bloemi­gen. Van deze fam­i­lie zijn de witte, paarse en gele dovene­tel veel bek­ender. In De Heiman­shof zijn wel 10 soorten andoorns en (dove)netels te vin­den, maar niet de akkeran­doorn. De akkeran­doorn komt laat tot ontwik­kel­ing. De soort bloeit van juli tot de eerste vorst en heeft maar weinig con­cur­ren­tiekracht. Zelden vind je de soort in grote aan­tallen bijeen.

Bij­zon­der

In Ned­er­land is de akkeran­doorn overal vrij zeldzaam en zeker in het westen. Daarom staat de akkeran­doorn op de Rode lijst als vrij zeldzaam en zeer sterk afgenomen. Akkeran­doorn behoort tot de hakvruchten: planten­soorten die van oud­sher voork­wa­men op akkers die met stalmest wer­den bemest en die hand­matig wer­den geschof­feld of gehakt, om het onkruid onder de duim te houden. Voor­beelden zijn: esdoorn­ganzevoet, ingesne­den dovene­tel, en veel soorten met „akker– „als voor­voegsel. Deze soorten kun­nen slecht tegen chemis­che onkruidbe­stri­jd­ing en bemest­ing met kun­stmest. Daar­door zijn zij door de mod­erne land­bouw hele­maal ver­dreven naar volk­s­tu­in­t­jes, nut­s­tu­in­t­jes, school­tu­in­t­jes e.d. Het zijn dus echte cul­tu­ur­vol­gers, maar dan wel de „oude” klein­schalige cul­tuur, waar we extra zuinig mee moeten omspringen.

Waar

Akkeran­doorns komen voor op voed­sel­rijke grond in moes­tu­inen, akker­land en bermen. De soort komt van nature voor in West-​Europa, West-​Azië en Noordwest-​Afrika. In de Haar­lem­mer­polder is de soort vorige week waargenomen in indus­tri­eter­rein De Pres­i­dent en dat is de 1e keer.

 albinospreeuwbijnavogelsAlbinisme bij spreeuwen18 mei 2007mei
 albinospreeuwbijna

 albinospreeuwbijna

Meestal bespreken we hier bij­zon­dere dieren of planten. Deze keer gaat het over een gewone spreeuw. Maar ook over algemene dieren zijn vaak bij­zon­dere din­gen te vertellen. Mid­den in Over­bos (Hoofd­dorp) is namelijk een bijna witte spreeuw opge­do­ken. Nu bestaan er bij­zon­dere spreeuwen­soorten zoals de roze spreeuw en er bestaan van alle soorten ook (zeldzame) albino vor­men. Deze dieren kun­nen door een genetisch defect geen mela­nine (kleurstof) aan­maken in hun veren. Meestal over­leven deze albino dieren niet lang, omdat ze zich moeil­ijk kun­nen ver­stop­pen of omdat hun ogen door gebrek aan kleurstof niet goed tegen de zon kun­nen, en vaak gaan ontsteken.

Bij­zon­der

De spreeuw in dit geval in echter geen albino, omdat hij geen rode ogen heeft. Verder is de defin­i­tie van albino dat hij een volledig gebrek aan pig­ment moet hebben. Een beetje albino kan dus niet.
Dit beest is ken­nelijk bij het aan­maken van de veren niet in staat geweest om vol­doende pig­ment aan te maken. Dit zou aan zijn voed­sel of spi­jsver­t­er­ingssys­teem kun­nen liggen maar meer waarschi­jn­lijk heeft hij een niet goed werk­end hor­moon­sys­teem.
Een echte albino spreeuw is de 2e foto hiernaast.

Waar

De spreeuw is een van de alge­meen­ste vogels van Ned­er­land. Ondanks het feit dat hij het hele jaar door te zien is, is het een trekvo­gel. De spreeuwen die wij hier ′s zomers zien, zit­ten ′s win­ters zuidelijker en onze win­ter­spreeuwen bevin­den zich ′s zomers noordelijker. Hun veren­kleed is glanzend zwart met, vooral in het zon­netje, een weer­schijn van bron­s­groen (kop en achter­hoofd) en ver­schil­lende vari­aties purper. In de win­ter is het kleed duidelijker gespikkeld dan in de zomer. Jonge spreeuwen zijn gri­js­bruin met een lichte keel. Aan het eind van de zomer ruilen ze dit veren­pak om voor dat van de volwassenen.

 albinosalamanderkleine dierenAlbino Sala­man­der25 dec 2010decem­ber
 albinosalamander

 albinosalamander

De jeugdnatu­ur­club van De Heiman­shof heeft een weke­lijks groen­te­tu­in­pro­gramma (ook in de win­ter) en een maan­delijks natu­ur­pro­gramma. Bij de activiteiten zijn er altijd kinderen, die cre­atief afd­walen, zowel let­ter­lijk als figu­urlijk. En vaak lev­ert dat onverwachte ver­rassin­gen op aan bij­zon­dere planten en dieren die ze uit de gek­ste hoeken en gaten te voorschijn tov­eren. Afgelopen zater­dag was door de dikke sneeuwlaag ons werk­ter­rein naar de kassen op de tuin ver­plaatst om vogelnestenkas­ten en insecten­ho­tels te bouwen. En natu­urlijk gaan er dan kinderen zwer­ven op zoek naar een rond­vliegend win­terkoninkje, de wan­de­lende takken kolonie etc. De ver­rass­ing van de dag was, dat er een albino kleine water­sala­man­der­larve ont­dekt werd. De larve was wit, met fel­rode kieuwen, maar zon­der rode ogen.

Bij­zon­der

Nor­maliter zijn de sala­man­ders in decem­ber in win­ter­slaap. De ver­war­mde kas­si­t­u­atie is waarschi­jn­lijk de verk­lar­ing voor de ´wakkere´ aan­wezigheid. Dat de sala­man­der nog in het lar­vale sta­dium was, is ook opmerke­lijk. De ontwik­kel­ings­duur van de lar­ven hangt sterk af van het voed­se­laan­bod en de tem­per­atuur. In warme voed­sel­rijke plas­jes kan de larve al na 68 weken volledig ontwikkelt zijn. Onder min­der gun­stige omstandighe­den, over­win­tert de larve en wordt pas het vol­gende voor­jaar vol­wassen. Daarna duurt het nog 2 tot 3 jaar voor hij vol­wassen is en zich kan voort­planten. Er zijn ook gevallen bek­end, waar­bij vol­wassen dieren ken­merken van lar­ven behouden zoals uitwendige kieuwen. De oorzaak hier­van is jodi­umge­brek, waar­door onvol­doende schild­klier­hor­moon kan wor­den gevormd. In de prak­tijk komt dit wel voor in zure ven­nen op voed­se­larme gron­den. In onze kas met veen­grond spe­len beide omstandighe­den mogelijk een rol.

Waar

De kleine water­sala­man­der is een van de meeste algemene amfi­bieën­soorten in ons land. Het is ook goed aan het leven op het droge aangepast. Buiten het lar­vale sta­dium komt de sala­man­der alleen voor par­ing en ei-​afzetting in het water.

 alvervis­senAlver22 jan 2011jan­u­ari
 alver

 alver

De dooi na 6 weken ijs met sneeuw erop, heeft vis­sen indrin­gend in beeld gebracht. In het achterkanaal van de Geniedijk bij het oude Buurtje dreven maar liefst 60 enorme vis­sen: 1 snoek en een pal­ing van 80 cm; 10 karpers van 520 kg en brasems van 25 kg. Mogelijk is de hele vol­wassen vis­pop­u­latie door zuurstofge­brek onder het ijs omgekomen. Als dat overal gebeurt is..! Opval­lend was dat er geen kleine vis­sen bij zaten, alsof die niet zo diep zwem­men, waar nog wel zuurstof overbleef. Maar kleine vis­sen kam­pen weer met andere prob­le­men. Een van die kleine vis­sen is de alver die 1020 jaar gele­den in scholen van soms duizen­den exem­plaren voork­wam in onze polder. En dat zie je tegen­wo­ordig niet meer. Een beroepsvisser wijt dit aan de toe­name van de aalscholver in de polder, die alle vis van 1020 cm lengte weg­vangt. Hij vreest dat de alver en ook bescher­mde kleine soorten zoals bit­ter­voorn en vetje bin­nen afzien­bare tijd uit zullen ster­ven. Ik zie als voor­naam­ste reden dat alle water­we­gen op door­voer van water wor­den beheerd zodat er geen water­planten en schuilplaat­sen overblijven.

Bij­zon­der

De alver is een zijdel­ings afge­plat, zil­ver­achtig visje. Ze kun­nen 25 cm wor­den, maar zijn meestal kleiner dan 15 cm. In direct zon­licht vallen par­el­mo­er­achtige kleuren op van de gua­ninekristallen in de schubben. Er was een commerciële vis­serij voor de win­ning van deze kristallen, om er kun­st­par­els van te maken. De alver is een vis die in scholen aan het opper­vlak van het water leeft, voor de uit­gang van gemalen, maar ook wel in stil­staand water. Een alver voedt zich vooral met plank­ton en met insecten, maar ook met lar­ven en wor­men. Vroeger kwam de alver zeer alge­meen voor, tegen­wo­ordig steeds min­der door vervuil­ing, de aalscholver en het oeverbeheer.

Waar

Alvers komen voor van West Europa tot aan de Wolga. De vis is vrij alge­meen in Ned­er­land, met een voorkeur voor grotere wateren of riv­ieren. In heldere beek­jes en sloot­jes wil de alver plaat­selijk nog wel eens tal­rijk voorkomen

 amberboom2bomenAmber­boom25 dec 2011decem­ber
 amberboom2

 amberboom2

Deze week weer aan­dacht voor bij­zon­dere bomen in de Haar­lem­mer­meer i.v.m. de routes van mon­u­men­tale en bij­zon­der bomen, die we willen gaan maken. Deze routes moeten deels te voet (per woonkern), deels op de fiets en deels met de auto te bezoeken zijn. Wij vra­gen u mon­u­men­tale of andere bij­zon­dere bomen, die voor zo„n route in aan­merk­ing komen, door te geven met hun bij­zon­der­he­den. Deze week de amber­boom als inspir­erend voor­beeld. De naam amber­boom komt van de gomhars (amber) die door insni­jd­ing uit de bast gewon­nen wordt. De amber­boom kan wel 45 m hoog wor­den, maar wordt in Ned­er­land meestal niet hoger dan 10 tot 20 m. De jonge bast is rood­bruin, later wordt deze gri­js­bruin en diep gegroefd.

Bij­zon­der

Bij oud­ere bomen wor­den op de takken en twi­j­gen grote gril­lige kurk­li­jsten gevormd (zie foto) . Het blad heeft bij­zon­der diepe rode, gele en oranje herfstkleuren(zie inzet in de foto). Zijn bladeren geven bij wrijven een aan­ge­name zoete geur af. De amber­boom wordt bij ons vooral geplant om zijn prachtige herf­stk­leuren. De amber­hars die uit de boom gewon­nen wordt, wordt door de par­fumin­dus­trie gebruikt. In de Verenigde Staten gebruikt men deze amber­hars ook voor kauw­gom (sweet gum) en voor het aro­ma­tis­eren van snoep, dranken en tabak. In het verleden was de hars ook een bestand­deel van schoen­crème. In de volks­ge­neeskunde is de hars een onderdeel van pro­ducten tegen verk­oud­heid en huidziek­tes. Het rood­bru­ine hout wordt gebruikt voor fineer en meubels.

Waar

De amber­boom is een loof­boom die van oor­sprong voorkomt in het oosten van Noord-​Amerika. In Europa wordt de amber­boom als sier­boom aange­plant. Ook in de Haar­lem­mer­meer staat deze boom af en toe in tuinen en in het open­baar groen. Een fraai exem­plaar staat net buiten De Heiman­shof aan de Wieger Bruin­laan op de hoek met de hock­eyvelden. Ook in het bomen­pad in het Haar­lem­mer­meerse Bos is de boom aan te treffen.

 anemonen1bosanemoongrootplantenAnemo­nen (1)9 jan 2011jan­u­ari
 anemonen1bosanemoongroot

Het kan nie­mand meer ont­gaan zijn dat het voor­jaar in volle hevigheid is los­ge­barsten. In De Heiman­shof hebben we dat voor­jaars­gevoel al vanaf het smelten van de sneeuw rond kerst. De tuin is nl zo ingericht dat er vanaf half decem­ber con­tinue bloeiende planten aan­wezig zijn. De meeste planten bloeien 34 weken en alle bloe­icy­cli lopen van half decem­ber tm eind novem­ber vloeiend in elkaar over. Ons voor­jaar wordt bepaald door de bloei van vooral de stin­sen­planten. Dat zijn meest bol– of wor­tel­stokvor­mende planten die vanuit hun reservevoor­raad in die bol ´voor de zon uit´ kun­nen groeien. Dit soort gewassen tref je vooral in boson­der­groei aan, waar het essen­tieel is, om voor half mei de lev­en­scy­clus van groeien, bloeien en zaad zetten rond te hebben. Dan sluit de bladerkroon van de bomen zich en wordt het te donker voor groei. De eerste cyclus van het jaar is voor de sneeuwk­lok­jes. Daar hebben we een 10– tal soorten van in de tuin. Een van mijn (vele) favori­ete planten­soorten, die op dit moment volop bloeien, zijn de anemo­nen. Ze behoren tot de boterbloe­men­fam­i­lie. Van de 120 wereld­wijd voorkomende anemo­nen­soorten komen er 4 voor in het wild in Ned­er­land: de witte bosanemoon, de gele anemoon, de blauwe anemoon en de ook blauwe oost­erse anemoon. En allen staan natu­urlijk in De Heiman­shof volop te bloeien. Overi­gens zijn er van deze wilde soorten tal­loze kweekvariëteiten in omloop. Het mooie en aansprek­ende anemo­nen is, dat ze dichte plakkaten van fijn ingesne­den bladeren vor­men, die tussen maart en mei bekroond wor­den door een bloe­mendek (zie foto van bosanemoon). De bloe­men gaan alleen open in de zon. De planten groeien vanuit wor­tel­stokken (bosanemoon en gele anemoon) of bol­let­jes (blauwe anemoon) en komen daarom ver­rassend snel uit de grond en tot bloei. Na de bloei trekken de planten zich weer vrij snel terug in hun onder­grondse delen. Een anemoon ontwikkelt zich dus zelden of nooit tot een plaag­plant. Vol­gende week het vervolg.