Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Kool­rupss­luip­wesp: Apan­te­les glom­er­ata

op .

Een van de wet­ten van de natuur dicteert dat er overal even­wichtssys­te­men zijn. Een opval­lend mech­a­nisme daar­bij is het even­wicht tussen prooi­dieren en jagers. Overal in de natuur houden die elkaar in een eeuwige strijd om te over­leven in even­wicht: leeuwen eten zebra’s en gnoes, vossen eten muizen, roofvo­gels eten zangvo­gelt­jes etc. Die wet gaat ook in de insecten­wereld en een voor­name speler daar­bij is de sluip­wesp. Er zijn in Ned­er­land zo’n 48.000 soorten planten en dieren beschreven (excl bac­ter­iën). De helft daar­van zijn insecten. En de helft daar­van, zo’n 12000 soorten bestaat uit wespen en dan meestal sluip­we­spen. Voor zo’n beetje elke soort insect bestaat er dus een gespe­cialiseerde soort sluip­wesp. De angst voor wespen bij veel mensen is dus niet zo erg gegrond, want van sluip­we­spen hebben we alleen maar plezier. Als die er niet waren dan was de hele wereld zwart van de vliegen, muggen, blad­luizen en wat niet al. De meest sluip­we­spen zijn erg klein .Je ziet ze niet of nauwelijks.

Bij­zon­der
Maar er is een soort die heel goed zicht­baar te maken is, mid­dels een exper­i­ment, dat het best uit te voeren is als er een groen­te­tuin met kool­planten beschik­baar is. Op die kool­planten komen namelijk die kool­wit­jes af. En die heten niet voor niet KOOL­witje. Ze leggen namelijk eieren op kool­planten waaruit zeer nij­vere rupsen komen, die een kool­plant in een paar dagen tijd tot de nerf kaal kun­nen vreten. Doo­d­spuiten advis­eren we nooit. Dat mid­del is erger dan de kwaal. Vooral met kinderen is het leuk en leerzaam om deze rupsen te zoeken en ze in en bak, met daarover vit­rage, te doen. Ik heb dat wel eens gedaan met 500 rupsen. Natu­urlijk moeten deze rupsen dan met kool­bladeren gevo­erd wor­den, maar die inspan­ning is wel de moeite waard: na een dag op wat gaan de rupsen ver­pop­pen (foto onder). De sluip­we­spen zelf (3 mm) komen uit op de inzet (foto boven).Hoeveel van de 500 rupsen zou een kool­witje wor­den? En hoeveel ‘veran­deren’ er in sluip­we­sp­jes?

Waar
De soort komt bijna overal voor in de wereld behalve in Antarc­tica en de Amerika’s

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 10 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 rosse_woelmuiskleine dierenRosse woel­muis7 jul 2013juli
 rosse_woelmuis

Er bestaan een 20-​tal muizen­soorten in Ned­er­land, die alle­maal een ver­bor­gen leven lei­den omdat ze zwaar bejaagd wor­den door roofdieren en de mens. Het meest komen we de huis­muis tegen. Het is een van de ‘ware’ muizen soorten, d.w.z. hij heeft net als de mensen knobbelkiezen,is een alle­seter en heeft grote afs­taande oren, een lange staart, net als de bru­ine en de zwarte rat, de bosmuis en de dwergmuis. Veel algemener zijn de woel­muizen. Dat merk je pas als je braak­ballen uit­pluist van uilen. De veld­muis is daar­van het meest alge­meen. In een ha weg­berm kun­nen er wel 1000 leven. Woel­muizen zijn net als koeien vegetariërs, die maalkiezen hebben om gras en zaad­jes fijn te malen en korte platte oren en korte staarten. Waar de veld­muis in wei­den en akkers leeft, leeft de rosse woel­muis in dicht begroeide bosjes. Hij heet zo omdat hij een rossige gloed in zijn vacht heeft (zie foto). Afhanke­lijk van het seizoen en het voed­se­laan­bod leven er 5100 dieren/​ha. De rosse woel­muis wordt gemid­deld 3 maan­den, max­i­maal 18 maan­den en tot 40 maan­den in gevangenschap.

Bij­zon­der

Rosse woel­muizen eten zachte zaden, vruchten, bladeren, kruiden en boom­schors (tot op 5 m. hoogte), aange­vuld met pad­den­stoe­len, mossen, wor­tels, knop­pen en gras, en ook insecten, wor­men en slakken. In noordelijke streken leggen ze voed­selvoor­raden aan. Ze houden geen win­ter­slaap. De rosse woel­muis maakt gebruik van routes door het kre­upel­hout, ondiepe onder­grondse gan­gen en vol­doende dichte onder­groei. Hij graaft min­der dan andere woel­muizen maar legt toch gan­gen aan.

Waar

In grote delen van Europa komen rosse woel­muizen voor, behalve in het uiter­ste zuiden. Ze leven vooral in loof­wouden en stru­ikge­was, maar ook in gebieden met hoge grassen en kruiden en in een park­land­schap. Deze soort was tot op heden niet uit de Haar­lem­mer­meer bek­end, maar werd afgelopen week in De Heiman­shof aangetrof­fen. In Ned­er­land zijn ze aan te tre­f­fen op hogere gron­den, in stru­ikge­was, bos en plaat­sen met veel vegetatie.

 ratelaarplantenRate­laar30 jun 2013juni
 ratelaar

De natuur staat volop in bloei: Daarom was het afgelopen week­end ′open week­end′ van De Heiman­shof en een ′werk– en geni­etdag′ in de Houtwijk­erveld­wijk­tuin. Ook de akkerkruiden zoals als klaprozen, koren­bloe­men, bolderiken, kamille, reuk­loze kamille en vele andere soorten die we afgelopen win­ter weer hebben bijgeza­aid rond de IJtocht in Over­bos en Flo­riande zijn zeer de moeite waard om de komende week even langs te fiet­sen. In deze bloe­men­zones viel de gestage toe­name van een geel bloeiende soort op: De grote rate­laar. Deze plant heet zo omdat zijn rijpe zaden een ram­me­lend geluid maken in hun kelk­bladen. Er zijn 3 soorten rate­laars in de polder. De grote rate­laar is het meest alge­meen. De harige en de kleine rate­laar komen op een paar plekken voor.

Bij­zon­der

Rate­laars zijn half­parasi­eten. D.w.z. ze kun­nen groeien op zon­licht, maar hebben ook een geheim wapen. Hun wor­tels drin­gen het wor­tel­s­telsel van andere planten en m.n. grassen bin­nen en die zuigen die leeg. Om die reden wordt de dichtheid van grassen om plekken met veel rate­laar een stuk min­der dicht en bij veel ecol­o­gisch beherende ter­rein eigenaren is de rate­laar daarom een bij­zon­der gewen­ste ’indringer’.

Waar

Rate­laars houden van niet al te voed­sel­rijke grond, die bij voorkeur ook een beetje vochtig moet zijn. Deze con­di­ties komen vaak overeen met plekken waar ook rietorchissen en moeraswe­spenorchissen voorkomen. Rate­laars doen het goed in de Haar­lem­mer­meer en ze hand­haven zich ook lang. Door de Heiman­shof uit­geza­aide planten hand­haven zich al 20 jaar bij het Kai Munk col­lege aan de Geniedijk. Langs de IJtocht aan de Over­bos kant op een laaggele­gen zone onder de Hoogspan­nings­mas­ten is de soort explosief toegenomen. Ook in de Fruit­tuinen, bij kinder­boerderij de Boeren­zwaluw en in de Orchideeënweide van het Groene Carré zuid staat de soort. Deze geel­bloeiende soort is een aan­winst voor de polder die het waard is elders ook ver­spreid te wor­den. Infor­matie hierover kan bij De Heiman­shof inge­won­nen worden.

 glanshaverplantenGlan­shaver22 jun 2013juni
 glanshaver

Vorige week was de lang­ste dag en daarmee was het begin van de zomer een mete­o­rol­o­gisch feit. Met alle koude weken van dit voor­jaar is het ecol­o­gisch nog niet zo ver. Ook het voor­jaar begon dit jaar niet op 21 maart maar pas rond 10 april. Dat was namelijk het moment dat de hon­derd duizen­den Tjift­jaf­jes die in Zuid– Europa en Noord-​Afrika over­win­terd had­den, zich weer in elke tuin meld­den. Voor mij is dat het echte begin van de lente (dat in veel jaren wel samen­valt met 21 maart) net zoals het rijp en geel wor­den van de glan­shaver voor mij het echte begin van de zomer is.

Bij­zon­der

Glan­shaver is een hoog tot zeer hoog gras dat van rijke klei en leem­bodems houdt. Wellicht is het leuk om eens op te let­ten als u over de N201 (rondweg Hoofd­dorp) rijdt van de A4 naar het zieken­huis. De bermen van de A4 tot de brandweer zijn van het ’rijke’ type. In die bermen domineren dicht op elkaar staande 11.5 m hoge grassen zoals glan­shaver en kropaar, ter­wijl van de brandweer tot het zieken­huis de grond arm en zandig is. Daar zijn de grassen max­i­maal een halve meter hoog en staan ver uit elkaar met daar­tussen fel groene vlin­derbloemi­gen zoals rolklaver, die hun eigen ‘kun­stmest’ aan­maken. In de komende weken voltooit glan­shaver (vroeger heette deze soort Frans raaigras) zijn lev­en­scy­clus. Op dit moment bloeit de soort en bin­nen 23 weken wordt zaad gevormd en wordt deze soort geel. Met zijn 11.5 m steekt deze soort boven alle kruiden en andere gewassen uit en dom­i­neert als zij geel wordt het visuele beeld. Let u maar eens op. Jam­mer genoeg wor­den vele bermen mas­saal gemaaid, zodat u dit ver­schi­jnsel niet kunt waarne­men. maar er bli­jven altijd genoeg bermen over voor de oplet­tende waarne­mer. En in De Heiman­shof kunt u het altijd komen ervaren (hoewel we ook daar deze hoge grassen in veel biotopen met de hand verwijderen)

Waar

Glan­shaver is een alge­meen gras van rijke en matig voed­sel­rijke bodems in heel Europa, Noord-​Afrika en Noord-​Amerika.

 klaproos2.plantenKlaproos (2) 16 jun 2013juni
 klaproos2.

Er bestaat geen onkruid: Elke plant heeft wel een voed­ingswaarde, een med­i­c­i­nale waarde of een essentiële rol in een ecosys­teem. Alle klaproos­soorten bevat­ten bv een melk­sap met een opwekkende of rust­gevende werk­ing, al naar gelang de dosis. Als dit sap inge­droogd is en verza­meld wordt, heet dit opium. Alleen de ene soort en variëteit bevat er veel meer van dan een andere. In Ned­er­land ver­bouwen we naast de wilde klaproos de slaap­bol, die niet hon­der­den maar duizen­den zaad­jes per bloem pro­duceert (foto). En klaproos zaad­jes zijn niets anders dan maan­zaad. Een andere variëteit van dezelfde slaap­bol­soort die in Afghanistan wordt gebruikt, pro­duceert veel sap waar daar opium van wordt gewon­nen. Ook van de slaap­bol en de wilde klaproos kan dit gewon­nen wor­den (inzet). Alleen kost het nog 1001000 keer zoveel moeite als het in Afghanistan al kost. Maar het is wel leuk om met kinderen in hun groen­te­tuin het principe uit te legen en ze het intens bit­tere sap te laten proeven. Dan zijn ze meteen genezen van mogelijk onge­zonde intenties.

Alle klaprozen hebben een inge­nieus zaadsys­teem. De zaad­dozen hebben deurt­jes die pas open gaan als de zaad­jes rijp zijn. En verder is elk zaadje voorzien van een suik­erko­r­reltje: Om dat ‘mieren­broodje’ slepen insecten vele meters met die zaadjes.

Waar

Klaprozen zijn pio­nier­soorten van tijdelijk kale gron­den. Zowel op rijke als op arme gron­den komen ze voor. Indien niet door kun­st­matig ploe­gen en/​of frezen de kale akkerom­standighe­den elk jaar opnieuw wor­den gecreëerd is in het tweede seizoen al 80% van de exem­plaren weg en na 2 jaar vri­jwel alles. En dat doen we daarom elk jaar in onze akkerkruiden wei­den in Over­bos, Flo­riande, Houtwijk­erveld en De Heiman­shof. De komende weken loont het de moeite om daar eens langs te fiet­sen en te wan­de­len, naast de klaprozen bloeien er nog 1020 andere soorten uit­bundig: eigen aan hun pio­niers­bestaan. De slaap­bol is een gek­weekte klaproos die ook op akkers in de Haar­lem­mer­meer wordt verbouwd.

 klaproos1plantenKlaproos (1)9 jun 2013juni
 klaproos1

Als deze col­umn ver­schi­jnt zijn overal de klaprozen mas­saal in bloei gegaan.

Bijv. in de 6 ha bloe­men wei­des in Over­bos, Flo­riande, Haar­lem­mer­meerse Bos, Houtwijk­erveld en het Groene Carré, die sinds 2009 door de Heiman­shof /​Stichting MEER­Groen i.s.m. de gemeente en Recre­ati­eschap Spaarn­woude ingeza­aid zijn. En natu­urlijk ook in De Heiman­shof zelf.

Er komen wereld­wijd ca 60 soorten voor, waar­van een vijf­tal in Ned­er­land. De grote klaproos is het meest bek­end is (foto). Daar­naast bestaan er ook de kleine, de ruige, de bleke en de bas­taard klaproos en de slaapbol.

In de natuur kun­nen planten en dieren alleen voortbestaan als ze onder bepaalde con­di­ties sterker zijn dan alle andere. Bij planten is een van de strategieën daar­bij of je een ‘sprinter’ of een ‘stayer’ bent.

Een stayer is een plant die langzaam maar ons­tu­it­baar groeit en iedereen er uit­drukt. Kweek­gras of het beruchte zeven­blad zijn bij uit­stek soorten met een stayeraanpak.

De klaproos is bij uit­stek een voor­beeld van de sprint­ers. De plant groeit uit een minus­cuul zaadje, vooral op (door de mens) kaal gemaakte plekken waar de con­cur­ren­tie van andere soorten is wegge­ploegd of –gefreesd. Een klaproos kan op vrucht­bare grond 1 x 1 x 1 m groot wor­den en kri­jgt daar­bij hon­der­den bloe­men die alle­maal hon­der­den zaden maken. Deze zaden kun­nen tien­tallen jaren in de grond bli­jven (omdat ze veel olie bevat­ten) om bij geschikte omstandighe­den weer in groei te exploderen.

De klaproos is mijn favori­ete voor­beeld om aan te tonen dat er geen onkruid bestaat in de natuur. Onkruid is nl. een den­i­gr­erende term vanuit menselijk nuts­denken. En elke plant die bestaat heeft net zo goed zijn plek onder de zon ver­di­end als wij mensen zelf. Dat neemt niet weg dat we in een groen­te­tu­in­tje van 1.5 bij 4 m niet 10.000 klaprozen willen. Een­tje is leuk en vrolijk en de andere 9999 zijn daarom ongewenst. Maar op een andere plek kun­nen zij wel degelijk een rol vervullen en daarom zijn zij geen onkruid. Vol­gende week verder.

 tripmadamplantenTrip­madam1 jun 2013juni
 tripmadam

Achter de intrigerende naam trip­madam schuilt een vet­plant uit het ges­lacht van de sedums of vetkruiden. Dit ges­lacht kent nog meer illus­tere leden, zoals de hemel­sleu­tel, wit vetkruid, huis­look en muurpeper. De naam trip­madam is een ver­bas­ter­ing van de Franse naam Trique­madame. Deze naam en ook de Lati­jnse naam ‘reflexum’ ref­er­eren aan het feit dat het nog niet bloeiende plan­tje een ken­merk­ende knik in het topgedeelte heeft(hoofdfoto) . Zodra trip­madam bloeit met heldergele bloe­men richt deze knikkende top zich op (inzet). Ik kwam dit plan­tje tegen op de sedum daken die in de ‘antro­posofisch’ gebouwde wijk in Toolen­burg veel voorkomen (bv Rosa Spiers straat).

Bij­zon­der

Trip­madam is een laag liggend vet­plan­tje, waar­van de opgerichte bloeis­ten­gels 3540 cm hoog kun­nen wor­den. Het is in het wild uiterst zeldzaam in Ned­er­land, omdat het een voorkeur heeft voor voed­se­larme kalkrijke stenige ter­reinen. En in ons mod­derige delta land zijn die dun geza­aid. Net als andere Sedums, zoals muurpeper, is Trip­madam eet­baar zolang het niet bloeit en dat is het groot­ste deel van het jaar, want het is een vorst­bestendige altijd groene plant die het hele jaar door­groeit. Bloeien doet het alleen tij­dens de (hele) zomer. Het wordt in salades ver­w­erkt en heeft net als muurpeper een peper­achtige smaak.

Waar

De Duitse naam rotsmuurpeper geeft aan dat trip­madam houdt van stenige voed­se­larme groeiplakken (inzet foto). Bij rijkere grond kan deze soort niet con­cur­reren tegen hoger opgaande grassen en kruiden. Ook op schrale zand­gron­den kan het een mooie grondbe­dekker zijn. Zoals reeds aangegeven wordt de soort toegepast op groene daken en in rot­s­tu­inen. Ook op De Heiman­shof kan trip­madam het hele jaar door aangetrof­fen wor­den in muurveg­e­taties en op natu­ur­muren. Het ver­sprei­d­ings­ge­bied loopt van Zuid-​Noorwegen en Ier­land tot in Rus­land en in Zuid-​Europa tot het zuiden van Italië en Griekenland.

 oeverlopervogelsOev­er­loper25 mei 2013mei
 oeverloper

Vorige week hebben we de kluut bespro­ken. Dit is een van de grotere soorten stelt­lop­ers. Deze week liep ik een aan­tal keren tegen een oev­er­loper op. Dat is een van de kleinere soorten. De oev­er­loper heet niet voor niets zo. Hij fourageert langs de oev­ers van sloten , meren en plassen. Ik zag een aan­tal langs het kanaal achter het Groene Carré en voor het eerst een achter mijn huis langs de Geniedijk in Hoofddorp.

Veel oner­varen voge­laars ver­bazen zich erover hoe een ervaren voge­laar op grote afs­tand zo tre­fzeker soorten kan herken­nen. De oev­er­loper is een soort waar­bij dat op grote afs­tand kan. Ten eerste maakt hij een zeer karak­ter­istiek ‘tjiewiewie’ geluid en verder vliegt hij altijd op een zeer ken­merk­ende manier weg: namelijk laag over het water in bocht­jes langs de oever met karak­ter­istiek laagge­houden tril­lende vleugels. Er is geen andere vogel die dit zo doet. Als je hem ergens foer­agerend aantreft, doet hij dat ook heel karak­ter­istiek, met een per­ma­nent nerveus wip­pend achterlijf.

Bij­zon­der

De oev­er­loper zoekt zijn voed­sel aan de rand van kleine mod­der­poe­len, water­plassen en meren waar hij kleine insecten uit de bodem haalt. Hij vangt soms kleine insecten uit de lucht. De oev­er­loper nestelt op de grond in de buurt van zoet­wa­ter. Als er een dreig­ing is, klim­men de jon­gen op de rug zodat ze in vei­ligheid gebracht kun­nen wor­den door­dat de moeder ze naar een andere plek vliegt.

Waar

De oev­er­loper zoekt zijn broed­seizoen altijd langs beken, riv­ieren en meren, meestal met rot­sachtige oev­ers. Op trek is hij op veel plekken aan te tre­f­fen. De oev­er­loper broedt vooral in Scan­di­navië en Oost-​Europa en slechts bij hoge uit­zon­der­ing in Ned­er­land. Op weg naar het over­win­terge­bied rond het Mid­del­landse zee gebied trekken veel vogels door Ned­er­land, een klein aan­tal vogels bli­jft in Ned­er­land over­win­teren. In de Haar­lem­mer­meer is de soort regel­matig aan te tre­f­fen langs sloten en vaarten met ondiepe oev­ers zoals langs het Groene Carré Zuid.

 kluutvogelsKluut19 mei 2013mei
 kluut

Stelt­lop­ers zijn vogels met relatief lange poten en lange snavels die als voorkeurs leefge­bied (vochtige) wei­lan­den, slikken en wad­den hebben. Er zijn tien­tallen soorten stelt­lop­ers. Een aan­tal soorten zijn ook in onze polder regel­matig te zien, zoals de kievit en de scholek­ster. Onze Haar­lem­mer­meerse klei is voor de meeste soorten echter meestal te hard om er hun voed­sel te kun­nen vin­den. Toch trekken er veel soorten door met name in het voor­jaar en nazomer. En in bepaalde spe­ciale ter­reinen bli­jven ze nog wel eens hangen en broe­den. Zo ligt er vlak bij de A4 op het Groene Carré Zuid een ondiepe plas, waar vogels met lange poten net kun­nen waden. Op die plek zit­ten elk jaar groepen kluten, die op de eiland­jes waar mogelijk ook broeden.

Bij­zon­der

De kluut is in een aan­tal opzichten een bij­zon­dere ver­schi­jn­ing. Zijn smet­teloos zwart met witte veren kleed is bij­zon­der fraai, en con­trasteert mooi met bijna blauwe poten en zijn snavel heeft een bij­zon­der vorm (zie foto). Met deze omhoog gebo­gen snavel foer­ageren ze het liefst in water met een fijne sli­blaag, waar ze met deze snavel op een kiertje open, doorheen maaien. Zodra er een gar­naaltje of iets dergelijks naar bin­nen zwemt, klapt de kluut haar snavel direct dicht. De kluut jaagt zowel op zicht als op gevoel.

Waar

In Ned­er­land is de kluut tij­dens het broed­seizoen voor­namelijk langs de wad­denge­bieden zoals het Lauw­ersmeer aan­wezig. De soort over­win­tert langs de kust van de Mid­del­landse Zee en de Atlantis­che kust van Frankrijk en Por­tu­gal en een deel in de West­er­schelde. Buiten broed­seizoen tref je ze ook aan bij ondiepe open water­plekken met mod­derige bodems in het bin­nen­land. De kluut broedt in kolonies, meestal op zan­derige vlak­tes, moeras­sige wei­lan­den, opspuit­ter­reinen, etc., meestal bij water (ook brak en zout). De groot­ste kans om kluten te zien in de Haar­lem­mer­meer is bij de ondiepe poe­len van het Groene Carré (de ‘bul­ten’ in het akker­land tussen de A4 en het Haar­lem­mer­meerse Bos langs de rondweg Hoofddorp).

 iepenzaadbomenIepen­zaad12 mei 2013mei
 iepenzaad

Deze week vraag ik niet uw aan­dacht voor een soort, maar voor een ver­schi­jnsel. Half tot eind mei zijn we alle­maal in voor­jaarstem­ming en dan dwar­re­len er opeens krui­wa­gers vol aan ‘dode’ bladeren van de bomen. Veel mensen schrikken daar­van. Indien je goed kijkt en weet wat er speelt, hoeft dat niet. In vele gevallen is dit ‘bru­ine’ blad namelijk van de zaden van iepen (zie foto) . Alle soorten iepen (veldiep, Hol­landse iep, gladde iep, bergiep, goudiep, etc) ken­nen dit ver­schi­jnsel. Iepen bloeien namelijk al in maart met vrij onop­val­lende rode bloemet­jes. In de loop van april en mei lijkt de iep dan in blad te komen, maar dit zijn de groene vlies­jes die om de zaden zit­ten. Deze vlies­jes geven de zaden ‘vleugels’ zodat ze verder mee waaien met de wind. De iep heeft dus nog geen blad, maar zit wel vol met zaden. Zo omstreeks half mei rijpen de zaden af, wor­den bruin en vallen af. In een goed jaar kun­nen de zaden zo mas­saal gepro­duceerd wor­den dat de hele straat vol waait met grote hopen. Pas dan gaat de iep blad maken.

Bij­zon­der

Het ken­merk van alle iepen­bladeren is, dat ze een scheve blad­voet hebben en een geza­agde rand die eindigt in een punt. Een scheve blad­voet betekent dat links en rechts van het steeltje het blad niet op dezelfde plek begint. En verder hebben alle iepen een karak­ter­istieke ‘vis­graat’ manier om zowel hun bladeren en hun jonge takken te plaat­sen. D.w.z. zowel de takken als de bladeren staan in het­zelfde vlak strak in een regel­matig patroon.

Waar

Vroeger groei­den iepen in dichte bossen in Europa op vrucht­bare grond. Die bossen zijn er niet meer omdat die grond ingenomen is door land­bouw. De iep is een majestueuze boom met hele gun­stige eigen­schap­pen voor een stedelijk omgev­ing. Zijn takken breken niet bij storm (auto­lak!), zijn wor­tels zijn opper­vlakkig en wrikken geen rioolpi­jpen open. Daarom vin­den we heel veel iepen in ste­den. Jam­mer dat sinds 1919 tot 3x toe een iepen­ziekte plaag 90 % van de iepen heeft uitgeroeid.

 kievitsbloemplantenKievits­bloem5 mei 2013mei
 kievitsbloem

De kievits­bloem is een in het wild in Ned­er­land zeer zeldzaam voorkomend bol­ge­was. De bloem komt voor met paars geblokte of witte bloem­blaad­jes. De planten doen er 48 jaar over om in bloei te komen. De zaden zijn relatief groot en ver­sprei­den zich dri­jvend op het water. De plant heet voor z′n ver­sprei­d­ing van de zaden volledig afhanke­lijk te zijn van over­stro­min­gen en een hoge water­stand in de win­ter. Echter in en om De Heiman­shof ver­schi­j­nen kievits­bloe­men vaak spon­taan op aller­lei plekken in bos en bosran­den. Miss­chien slepen mieren ook met zaad. De kievits­bloem kwam veel voor in voed­se­larme blauw­graslan­den in het Groene Hart en werd daar ook wel veen­tulp genoemd. De naam kievits­bloem komt van de overeenkomst van de paarse bloem vari­ant met de kleur van kievit­seieren. Men kwam de kievits­bloe­men in het wei­land tegen als men naar kievit­seieren zocht.

Bij­zon­der

De kievits­bloem werd als bloemge­was al vroeg gewaardeerd. Rond 18201830 wer­den er zoveel ‘veen­tulpen’ geplukt dat mensen zich gin­gen realis­eren dat deze gewaardeerde wilde plant wel eens zou kun­nen uit­ster­ven. De allereer­ste natu­ur­wet die in Ned­er­land werd uit­gevaardigd ging dan ook over de bescherming van de kievits­bloem. Nog steeds is deze plant bedreigd. Nu niet meer zozeer van­wege over­matige pluk, maar van­wege over­matige mest toe­di­en­ing. De kievits­bloem richt i.t.t. de meeste bloe­men zijn bloem hoofdje niet naar de zon, maar hangt als een klokje naar bene­den, Voor zijn bes­tu­iv­ing is deze soort vooral afhanke­lijk van grote hom­mel­soorten zoals de aard­hom­mel (Zie foto).

Waar

De belan­grijk­ste groeiplaats van de wilde kievits­bloem is langs de oev­ers van de Vecht en het Zwarte Water in Zwolle. Van oud­sher kwam de kievits­bloem voor in gebieden met klei-​op-​veen en dan vooral de gebieden die ′s win­ters onder water ston­den. De plant kan slecht tegen aan­passin­gen aan het grond­wa­ter­peil en is op de meeste plaat­sen al voor de Tweede Werel­door­log uit­gestor­ven. In De Heiman­shof staat een bloeiende populatie.

 regenworm4kleine dierenRegen­worm (4)28 apr 2013april
 regenworm4

 regenworm4

Regen­wor­men danken hun naam aan het feit dat ze vooral te zien zijn als het regent en alleen dan over het bode­mop­per­vlak kruipen. Ze kun­nen een regen­bui waarne­men door de trillin­gen in de bodem, die veroorza­akt wor­den door de val­lende regendruppels.

Een ander bek­end mis­ver­stand over regen­wor­men is, dat ze proberen te ontsnap­pen aan de regen omdat ze kun­nen ver­drinken als hun hol­letje vol­loopt. De regen­worm leeft vaak in waterige omstandighe­den zoals onder de grond­wa­ter­spiegel. Ze nemen zuurstof op door hun dunne huid, wat ook onder water werkt. Aangezien regen­wa­ter rijk is aan zuurstof, hebben regen­wor­men niet veel te vrezen van een bui. Als echter zuursto­farm grond­wa­ter omhoog komt, kan een regen­worm ver­drinken en zal naar de opper­vlakte kruipen.

Ze komen wel boven­gronds tij­dens een bui omdat ze regen ver­war­ren met de trillin­gen van een vijand, zoals een gravende mol of om te paren. Deze trillin­gen kun­nen wor­den nage­bootst door een stok in de grond te steken en deze te laten trillen. De regen­wor­men zullen dan mas­saal naar boven kruipen, ongeacht de weersomstandigheden.

Waar

Regen­wor­men komen voor in Noord-​Amerika , Eurazië en het Midden-​Oosten. Wereld­wijd zijn er ongeveer 670 soorten regen­wor­men bek­end die in lengte variëren van enkele cen­time­ters tot decimeters.

In Ned­er­land komen 22 soorten voor. Regen­wor­men leven niet alle­maal onder­gronds, veel soorten zijn diep­gravers die lange ver­ti­cale gan­gen maken zoals de veel voorkomende dauw­pier of gewone regen­worm die 9 tot 30 cm lang wordt en de rode worm die tot 15 cm lang wordt.

Er zijn er ook die in de strooisel­laag leven zoals de mest­pier die 6 tot 13 cm lang wordt en door zijn rode kleur en soms oranje dwars­ban­den wel tijger­worm wordt genoemd. Ook veel voorkomend is een gri­js­blauwe soort die geen Ned­er­landse naam heeft. De mest– of tijger­worm en de blauwe regen­worm staan op de foto.

 regenworm3kleine dierenRegen­worm (3)22 apr 2013april
 regenworm3

De regen­worm heeft een verdikking aan de voorz­i­jde van het lichaam, die vaak lichter van kleur is ten opzichte van de rest van het lijf. Deze band wordt het zadel genoemd. Vaak wordt gedacht dat het verdikte zadel de ges­lacht­sor­ga­nen of eieren bevat maar dit is niet juist.

Het zadel is een groep van sli­jm­pro­duc­erende cellen. Het slijm dat wordt afgeschei­den dient als ′reageer­buis′ waarin de eit­jes en het sperma samenkomen en droogt later in tot een cocon dat de eieren beschermd tegen uitdroging.

Onder vochtige omstandighe­den kruipen de dieren naar boven en komen uit hun gang op zoek naar een part­ner. Omdat ze gevoelig zijn voor uit­droging, gebeurt dit meestal in de schemer­ing of na een regenbui.

Regen­wor­men bevruchten elkaar niet tij­dens de par­ing maar wis­se­len alleen zaad­cellen uit. Als eieren vol­doende zijn ontwikkeld, vindt de uitein­delijk de bevrucht­ing plaats. Hier­bij wordt een sli­jm­laag rond het zadel gevormd, dat als een gordel om de worm zit. In het slijm zit­ten voed­ingsstof­fen voor de zich ontwikke­lende embryo′s. Zodra de sli­jm­band is gevormd, ‘wurmt’ de worm deze band naar voren tot over de vrouwelijke ges­lach­topen­ing. Daar wor­den de eieren afgezet in het slijm. Nadat de sli­jmkoker van (nog onbevruchte) eieren is voorzien wordt deze verder afge­stroopt tot de blaas­jes waar het sperma bewaard wordt. Met het bewaarde sperma uit zak­jes wor­den de eieren bevrucht. Dan stroopt de worm de sli­jmkoker volledig van het lichaam en ver­droogt deze tot een harde cocon ter grootte van een erwt met een ken­merk­ende cit­roen­vorm (Zie foto).

Hoewel de cocon meerdere lev­ens­vat­bare eieren bevat, kruipt uit de meeste cocons maar één jonge worm. De gewone regen­worm kruipt na 15 maan­den uit de cocon, afhanke­lijk van de omstandighe­den. 0.51.5 jaar later is de worm ges­lacht­srijp. De lev­ens­duur van de gewone regen­worm in het wild is enkele jaren, maar weinig exem­plaren leven lang genoeg om de max­i­male lengte van 30 cen­time­ter te bereiken. Ze kun­nen 6 jaar oud worden.