Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Kool­rupss­luip­wesp: Apan­te­les glom­er­ata

op .

Een van de wet­ten van de natuur dicteert dat er overal even­wichtssys­te­men zijn. Een opval­lend mech­a­nisme daar­bij is het even­wicht tussen prooi­dieren en jagers. Overal in de natuur houden die elkaar in een eeuwige strijd om te over­leven in even­wicht: leeuwen eten zebra’s en gnoes, vossen eten muizen, roofvo­gels eten zangvo­gelt­jes etc. Die wet gaat ook in de insecten­wereld en een voor­name speler daar­bij is de sluip­wesp. Er zijn in Ned­er­land zo’n 48.000 soorten planten en dieren beschreven (excl bac­ter­iën). De helft daar­van zijn insecten. En de helft daar­van, zo’n 12000 soorten bestaat uit wespen en dan meestal sluip­we­spen. Voor zo’n beetje elke soort insect bestaat er dus een gespe­cialiseerde soort sluip­wesp. De angst voor wespen bij veel mensen is dus niet zo erg gegrond, want van sluip­we­spen hebben we alleen maar plezier. Als die er niet waren dan was de hele wereld zwart van de vliegen, muggen, blad­luizen en wat niet al. De meest sluip­we­spen zijn erg klein .Je ziet ze niet of nauwelijks.

Bij­zon­der
Maar er is een soort die heel goed zicht­baar te maken is, mid­dels een exper­i­ment, dat het best uit te voeren is als er een groen­te­tuin met kool­planten beschik­baar is. Op die kool­planten komen namelijk die kool­wit­jes af. En die heten niet voor niet KOOL­witje. Ze leggen namelijk eieren op kool­planten waaruit zeer nij­vere rupsen komen, die een kool­plant in een paar dagen tijd tot de nerf kaal kun­nen vreten. Doo­d­spuiten advis­eren we nooit. Dat mid­del is erger dan de kwaal. Vooral met kinderen is het leuk en leerzaam om deze rupsen te zoeken en ze in en bak, met daarover vit­rage, te doen. Ik heb dat wel eens gedaan met 500 rupsen. Natu­urlijk moeten deze rupsen dan met kool­bladeren gevo­erd wor­den, maar die inspan­ning is wel de moeite waard: na een dag op wat gaan de rupsen ver­pop­pen (foto onder). De sluip­we­spen zelf (3 mm) komen uit op de inzet (foto boven).Hoeveel van de 500 rupsen zou een kool­witje wor­den? En hoeveel ‘veran­deren’ er in sluip­we­sp­jes?

Waar
De soort komt bijna overal voor in de wereld behalve in Antarc­tica en de Amerika’s

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 2 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 watercipresfoto2_thumbbomenWater­cipres30 jan 2018jan­u­ari

Op veel plekken in het straat­beeld staan naald­bomen, waar­van in de herfst, nadat ze prachtig rood gek­leurd waren, de naalden afgevallen zijn.
Deze bomen bestaan uit 2 soorten, die een beetje lastig uit elkaar zijn te houden. Beide soorten hebben een stam die aan de basis extreem dik is en gaande weg smaller wordt (foto). De minst algemene is de moeras­cipres die uit de moeras­ge­bieden van de Verenigde Staten komt. Als het goed is, zijn deze aan de waterkant geplant (wat niet altijd het geval is) en daar vormt deze zgn kniewor­tels: knolvormige wor­tels waar mee hij lucht hapt en zich ver­ankerd voor over­stro­min­gen. Dat gebeurt in de Ever­glades en de Mis­sis­sip­pi­delta nl maan­den lang. En hij heeft een afgeronde kroon. De andere soort is de water­cipres. En deze heeft meestal een spitse kroon (foto 2).

Bij­zon­der
De water­cipres komt uit China en is fam­i­lie van de Sequoia of mam­moet­boom. Van deze soort, die miljoe­nen jaren gele­den ook in Ned­er­land voork­wam, zijn afdrukken gevon­den in de steenkool van Lim­burg. Men dacht dat hij uit­gestor­ven was, tot­dat mensen hem in een dal in China ont­dek­ten. Dat was pas 70 jaar gele­den. Het is dus eigen­lijk een lev­end fos­siel. Al snel had men door dat de water­cipres, omdat hij zo’n lange geschiede­nis had, een zeer sterke ziek­tevrije soort was ‚die ook nog eens ide­ale eigen­schap­pen had voor aan­plant in de bebouwde kom: mooie rood wor­dende naalden en wor­tels die bestrat­ing en kabels en lei­din­gen met rust lieten.

Waar
De oud­ste water­ci­pressen die ik in de polder gevon­den heb, staan in het Oude Buurtje in Hoofd­dorp, waar­van 2 in het plantsoen tegen de kruisweg bij de Geniedijk. Deze wijk is rond 1975 gebouwd en de bomen waren toen al een jaar of 10 oud. Dus ze dateren van min­der dan 15 jaar na de ont­dekking! De beste plek om het ver­schil tussen moeras– en water­ci­pressen te bek­ijken is in de Japanse tuin van het Haar­lem­mer­meerse bos. Langs het water staan (met kniewor­tels) de moeras­ci­pressen en hoger op langs het pad de watercipressen.

 Ceratodon-purpureus-purpersteeltje_thumbmossenPurper­steeltje25 dec 2017decem­ber

In de win­ter trekken de kruiden zich terug in zaad of wor­tel­stokken en ook de meeste bomen gaan in rust. De afwezigheid van grote con­cur­renten die hen over­schaduwen, is een kans voor een zeer oude groep kleine plan­t­jes, nl de mossen. Deze hebben het ver­mo­gen om ook bij zeer lage tem­per­a­turen te groeien. En in herfst, win­ter en vroege voor­jaar gri­jpen zij hun kans en groeien max­i­maal. Mossen behoren tot de oud­ste organ­is­men die op land kon­den leven. Ze zijn zo klein omdat ze geen wor­tels en sten­gels met vaten hebben en moeten het hebben van dif­fusie van vocht en voed­sel door hun dunne een­cel­lige bladeren.

Bij­zon­der


Er bestaan veen­mossen die in moerassen groeien en meters lang kun­nen wor­den, slaap­mossen met liggende sten­gels en top­kapsel­mossen die rech­top staan. Ze ver­menigvuldigen zich alle­maal via afge­bro­ken ’stek­jes’ en sporen. Een van de meest algemene (topkapsel)mossen is het purper­steeltje. Het is een piep­klein mosje van 12 cm hoog dat alleen opvalt als het sporenkapsels draagt die een ken­merk­ende purperen kleur hebben (foto). Omdat purper­steeltje dichte mat­ten vormt, is deze soort daarmee van grote afs­tand te herken­nen. En om dat deze win­ter zo zacht is, is dat sporen­vom­ing­spro­ces volop gaande. Je hebt bij het purper­steeltje man­nelijke en vrouwelijke plan­t­jes. De man­net­jes maken sper­ma­cellen en die zwem­men bij rege­nachtig weer naar de vrouwt­jes toe. En net is ont­dekt dat insecten zoals springstaarten, die zich in de mosplakkaten ver­schuilen bij dat trans­port ook een rol spe­len. Als de vrouwt­jes bevrucht zijn, groeit uit de bevruchte eicel een sporenkapsel op de lange purperen steel. In het kapsel groeien de onges­lachtelijke sporen, die zich ver kun­nen ver­sprei­den en wel 16 jaar kiemkrachtig kun­nen bli­jven. Deze afwis­sel­ing van ges­lachtelijke voort­plant­ing tussen man­net­jes en vrouwt­jes en sporen­vorm­ing heet gen­er­atiewis­sel­ing, en komt bij de meeste mossoorten voor.

Waar


Purper­steeltje komt voor in de bebouwde kom, langs paden en wegen en op droge zandgrond.

 muizendoorn_thumbplantenMuizen­doorn10 dec 2017decem­ber

Ik hamer er maar weer eens op. Veel mensen denken dat het in decem­ber buiten koud en guur is en dat er niets meer bloeit en weinig inter­es­sants te zien is. Niets is min­der waar als je maar weet waar je moet kijken. Het muizen­doorn­stru­ikje is er een mooi voor­beeld van. Het is een beschei­den stru­ikje tot max 1 m hoog dat in diepe schaduw kan groeien. En het bloeit nu mas­saal. En wel op een bij­zon­dere manier. Maar liefst elk ‘blaadje ‘ draagt een bloem. Blaadje staat tussen aan­hal­ing­stekens want offi­cieel is het geen blad, maar een ‘cladode’. Dat zijn platte takscheuten, waar de hele struik uit bestaat, en die alle­maal eindi­gen op een scherpe punt. Het stru­ikje is altijd groen. En niet alleen dat, de bloe­men van vorig jaar dra­gen nu prachtige 1 cm grote knal­rode bessen(foto). Deze bloem­p­jes zijn alleen minus­cuul en zit­ten op de nerf van elke cladode.

Bij­zon­der
Muizen­doorn zou wel eens een goede ver­vanger kun­nen zijn voor de zeer pop­u­laire buxu­sstruik, die sinds vorig jaar mas­saal te lij­den heeft van een com­bi­natie van de oprukkende mediter­rane buxu­s­mot en een schim­mel. En per­soon­lijk vind ik de muizen­doorstruik nog mooier ook en hij is zeer onder­houdsvrien­delijk. Daar­naast is de muizen­doorn ook nog med­i­c­i­naal toepas­baar. Vooral de wor­tel­stokken, die ook eet­baar zijn als asperges. De meest genoemde toepassin­gen betr­e­f­fen bloed­vat gere­la­teerde zaken zoals spataderen, oede­men, slecht genezende won­den, aderontstekin­gen, aam­beik­lachten en win­ter­han­den. Een andere naam van muizen­doorn is slagers­bezem. De stugge steke­lige takken wer­den namelijk veel in bezems gebruikt. En slagers maak­ten daar veel gebruik van omdat de geur muizen en ander knaagdieren bij dro­gende ham­men en vlees weghielden.

Waar
Muizen­doorn is een plant die overal voorkomt in Europa, Azië en Noord Afrika. Het is een plant van diep beschaduwde bossen op aller­lei gron­den, maar als tuin­plant is deze soort op vele plekken ingevo­erd en inge­burg­erd. Natu­urlijk hebben we mooie exem­plaren in de Heiman­shof staan.

 huismuis_thumbkleine dierenHuis­muis 26 nov 2017novem­ber

Nu het buiten koeler wordt kun je er op wachten dat er muizen in huis ver­schi­j­nen. Ook bij ons was dat zo deze week(foto). Huis­muizen behoren tot de echte muizen, het zijn alle­seters, die net als wij knobbelkiezen hebben, itt woel­muizen die net als koeien maalkiezen hebben. Ware muizen hebben een lange staart en grote oren. De huis­muis onder­scheidt zich van andere ware muizen zoals bosmuizen, door­dat ze ron­dom grijs zijn, waar­bij de buik iets lichter is.

Bij­zon­der


De huis­muis kan zich snel voort­planten: 510 keer per jaar 312 jon­gen. Alle­maal afhanke­lijk van de voed­sel­si­t­u­atie. Ze kun­nen 23 jaar oud wor­den, maar omdat ze veel vijan­den hebben, leven ze vaak niet langer dan 6 maan­den. Maar in een graan­pakhuis kan dat prob­le­men geven. Het aan­pass­ingsver­mo­gen van de huis­muis aan zijn omgev­ing is groot. Ze zijn waargenomen in kolen­mi­j­nen en er zijn gevallen bek­end van fam­i­lies die leef­den in koel­huizen, waar het steeds 18 graden onder nul was. Muizen in huis wordt vaak lastig en vies gevon­den. De groot­ste last komt van keutelt­jes. Omdat huis­muizen niet of nauwelijks drinken en hun vocht uit voed­sel halen, laten ze weinig of geen urine achter. Ze bren­gen echter geen ziek­tes over en kun­nen in huis ook nut­tig zijn om dat ze andere ongewen­ste soorten zoals zil­vervis­jes en mieren eten. De beste bestri­jd­ing is preventief:zorg voor een opgeruimd huis met voed­sel dat alleen afges­loten bewaard wordt. Ook geen aangekoekt vet op het aan­recht, for­nuis of oven laten bv. Een milieu– en diervrien­delijke aan­pak is munt– of euca­lyp­tu­solie aan te bren­gen, waar ze niet van houden.

Waar


Oor­spronke­lijk komt de huis­muis van de step­pen in Siberië. Maar het zijn echte cul­tu­ur­vol­gers, die van­daaruit en samen met de mensen en de zwarte en bru­ine rat let­ter­lijk overal ter wereld meegereisd zijn met de mens. Ze leven zowel buiten als in huizen en schuren, maar vri­jwel altijd in de nabi­jheid van mensen, waar ze leven van de (voedsel)restjes die wij als mens rond laten slingeren.

 reuzenschaafstro.thumbplantenReuzen­schaaf­stro11 nov 2017novem­ber

Schaaf­stro behoort tot de paar­den­staart­fam­i­lie. Veel mensen ken­nen een fam­i­lielid daar­van, dat heer­moes heet en dat overal in de Haar­lem­mer­meer groeit, waar zand over klei ligt. Dat is een typ­is­che sit­u­atie bij trot­toirs en in tuin­paden. Van­daar dat veel mensen er een grote hekel aan hebben. Deze paar­den­staarten wor­den vaak kat­ten­staarten genoemd, wat mij als bioloog ver­driet doet, want kat­ten­staarten zijn prachtig paars­bloeiende planten van de waterkant. Paar­den­staarten vor­men een zeer oude fam­i­lie die 250350 miljoen jaar gele­den ontstond en die in de tijd van dinosauriërs, toen er nog geen bloeiende planten en loof­bomen waren hun voor­naam­ste voed­sel vor­mde. Dat ze het tot nu toe hebben vol­ge­houden betekent dat ze een goed over­lev­ingssys­teem hebben. Bij heer­moes heb ik daarmee ken­nis gemaakt toen ik voor een kelder 4 m diep in de grond moest graven en 12 m onder het grond­wa­ter nog wor­tels tegenkwam. Ze hebben dus zo’n wor­tel reserve dat je ze nooit kunt weg wieden.

Bij­zon­der

Paar­den­staarten en dus ook schaaf­stro zijn aan zand gebon­den, omdat ze geen cel­lu­lose als ‘skelet’ maken, maar kleine kristal­let­jes van kwarts. Van schaaf­stro wordt vaak ver­meld dat het vroeger door z’n ruwe sten­gel als schu­ur­pa­pier werd gebruikt, maar dat is vol­gens mij niet terecht. Voor de komst van indus­trieel schu­ur­pa­pier ver­brandde men dit schaaf­stro en kreeg in de as zeer homo­gene kristal­let­jes, die gebruikt wer­den voor het poli­jsten van muziekin­stru­menten. Schaaf­stro en reuzen­schaaf­stro zijn zeer dec­o­ratieve paar­den­staarten die niet mis­staan in (droog) boeket­ten ( zie detail­inzet). Alle paar­den­staarten bestaan uit seg­menten die uit en weer in elkaar geschoven kun­nen wor­den.

Waar

Schaaf­stro houdt van vochtige zand­m­i­lieus zoals duin­valleien en Reuzen­schaaf­stro (foto) dat 23 m hoog kan wor­den, houdt van vochtige grond of het nu klei, zand of veen is. Op dit moment vormt het sporenkapsels, maar veg­e­tatieve voort­plant­ing via scheuren van wor­tel stokken gaat effectiever.

 haagwindewortels.thumbplantenHaag­winde5 nov 2017novem­ber

Het onder­w­erp van deze week is eigen­lijk niet de soort haag­winde, maar het ver­schi­jnsel ‘onkruid’. Het woord ‘onkruid’ ligt een hele­boel mensen voor in de mond. Ze gebruiken dat woord zon­der zich te realis­eren welke wereld daarachter schuil­gaat. Vergelijk ‘onkruid’ maar eens met ’ond­ing’. Daarmee bedoe­len we dat iets hele­maal niets waard is. Met ‘onkruid’ geven we ons dus een vri­jbrief om die planten te vuur en te zwaard uit te roeien. Vaak met gif zoals ’round-​up’. Lekker makke­lijk, maar de na-​effecten in de grond en vooral het opper­vlakte water zien we niet en die zijn flink serieus. Even serieus is het gebruik van grote trac­toren, waarmee gras en andere kruiden ‘gek­le­peld’ oftewel ver­malen wor­den. Daar mee ver­rijken we de onder­grond zo, dat er veel ongewen­ste grassen, dis­tels en brand­ne­tels gaan groeien. Zo ver­sterken we ons vooro­ordeel dat groen een kosten­post en lastig is.

Bij­zon­der
Bij ecol­o­gisch beheer ken­nen we geen onkruid. Elke plant heeft nl wel een func­tie of een toepass­ing of het nu med­i­c­i­naal is of dat zijn bloem of blad eet­baar is. En andere organ­is­men hebben net zo’n lange evo­lu­tie achter de rug als wij en dus net zo veel recht op een bestaan. Ecol­o­gisch beheer is gericht op max­i­male bio­di­ver­siteit, door planten die toch niet uit te roeien zijn terug te drin­gen naar een niveau dat andere planten meer ruimte kri­j­gen. De klaproos is een mooi voorbeeld:eentje in de tuin is een sier­aad, maar bij10.000 op een groen­te­tu­in­tje wieden we er echt wel 9999 weg. We noe­men die 9999 ‘ongewen­ste planten’. Dat klinkt een stuk vrien­delijker. Alleen met haag­winde ben ik min­der coulant. Dat is een plant die ik alleen maar door onder water zetten op een accept­abel niveau kan houden, en dat kan niet overal. Dus is ben aller­gisch voor z’n witte wortelt­jes (foto) waar­van een stukje van een halve cm al weer uit­groeit tot een plant van 4 m in alle richtin­gen.

Waar
Haag­winde is een klimplant die graag in bosran­den en in tuinen groeit en witte trompetvormige bloe­men heeft (inzet).

 vuurzwammetje_thumbpad­den­stoe­lenVuurzwammetje 22 okt 2017okto­ber

Wat bij vogels bv de Ijsvo­gel is en bij planten de orchideeën­fam­i­lie, dat zijn bij pad­den­stoe­len de was­platen. Het zijn bijna zon­der uit­zon­der­ing zeer kleurige pad­den­stoe­len, die erg tot extreem zeldzaam zijn en daarmee een iconis­che sta­tus hebben bij ken­ners en leken. Groot was dan ook ons ent­hou­si­asme toen we op De Heiman­shof maar liefst 10 schar­lak­en­rode vuurzwammet­jes aantrof­fen voor het eerst in 40 jaar (foto J van Loon). De Ned­er­landse naam „vuurzwammetje” heeft betrekking op de intens rode kleur. Was­plaat slaat op de struc­tuur van de plaat­jes aan de onderz­i­jde van de hoed die doet denken aan was van een kaars.

Bij­zon­der

De func­tie van de felle kleur van som­mige pad­den­stoe­len, waaron­der het vuurzwammetje, is onbek­end. Mogelijk heeft deze een sig­naal­func­tie en beschermt het vruchtlichaam tegen betred­ing. In Europa groeit de soort in grasland, op zandige heide en in onbe­meste weg­ber­men. Op een enkele soort na zijn veel was­platen in heel West-​Europa erg zeldzaam gewor­den. Ze zijn namelijk erg gevoelig voor kun­stmest en verd­wi­j­nen snel uit hier­mee bew­erkte wei­lan­den. Samen met andere grasland­pad­den­stoe­len zijn ze terugge­dron­gen tot vaak maar een paar vierkante meters waar ze zich rond deze tijd laten zien.

Waar

In Ned­er­land zijn het vaak oude kerk­hoven en verder een enkel graslan­dreser­vaat, een oude zeed­ijk of grazige plekken op heide en in de duinen waar je ze kunt vin­den. Was­platen wor­den altijd gezien als grasland­pad­den­stoe­len, maar veel soorten zijn vooral kieskeurige pad­den­stoe­len die alleen maar gevon­den wor­den op een oude ger­i­jpte bodem die al heel veel jaren onaangeroerd is gebleven. In Noord-​Amerika komen was­platen vooral voor in oude ongesto­orde oer­wouden aan de oost– en west­kant van het con­ti­nent. Het lijkt een groot ver­schil, maar beide groeiplaat­sen hebben een ongesto­orde bodem gemeen. Het gaat altijd om een paar vierkante meters, waar ze voorkomen in een bij­zon­der milieu, dat ze meestal delen met andere zeldzame paddenstoelsoorten.

 cycadeSynophropsis.thumbinsectenSyn­ophrop­sis cicade8 okt 2017okto­ber

Meestal zoek ik een Ned­er­landse naam van de soort die behan­deld wordt. Maar de soort cicade die vorige week in De Heiman­shof werd aangetrof­fen was een nieuwe soort in Ned­er­land, waar­van dit pas de tweede waarne­m­ing in het land was. In mei dit jaar werd deze soort voor het eerst in Ned­er­land in Lim­burg aangetrof­fen. Dus we moeten het voor­lopig doen met deze tong­brek­ende naam. Een goede kans voor een naam is de Lau­ri­er­ci­cade, want de Mediter­rane (echte) lau­rier is zijn favori­ete voed­ings­plant. Maar bij gebrek daaraan wordt hij ook wel op andere stru­iken met harde bladeren aangetrof­fen zoals de Por­tugese Lau­rier, Hulst en zoals in De Heiman­shof op de liguster. De wakkere waarne­mer was Theo Ter­wiel , een fotograaf die veel natu­urop­na­men maakt en stad en land afstru­int op bij­zon­dere insecten en ook vaak in De Heiman­shof op bezoek is.

Bij­zon­der

Er zijn wereld­wijd ongeveer 40.000 soort cica­den bek­end. De meeste soorten zijn rond een halve cm groot Rond de Mid­del­landse zee komt een grote soort van 2 cm voor die op zom­erse dagen per­ma­nent een oorver­dovend ges­nerp pro­duceert. Blad­luizen en wantsen zijn ver­wante soorten, die net als de cica­den een zuigs­nuit hebben waarmee ze planten­sap­pen opzuigen. Som­mige soorten cica­den pro­duc­eren het bek­ende schuim­beestje. In dat zelf gepro­duceerde schuim beschermt de larve zich tegen vogels. Een dergelijk nest wordt wel koekoeksspuug genoemd. Een bij­zon­der­heid van cica­den is dat veel soorten een sym­bi­o­tis­che relatie hebben met bepaalde bac­ter­iën. Deze helpen de cicade bij het vert­eren van z´n voed­sel. Cica­den zijn driehoekig en hebben een spring­poot waar mee ze tien­tallen keren hun eigen lengte weg kun­nen sprin­gen (foto)

Waar

Som­mige soorten komen in grote aan­tallen voor op door de mens geteelde gewassen en wor­den beschouwd als plaa­gin­secten. Syn­ophrop­sis was tot 1850 vooral bek­end van de Balkan en is sinds die tijd een opmars begonnen rond de Mid­del­landse zee en recen­telijk noord­waarts. Mogelijk dankzij de klimaatverandering.

 steenmarter_thumbgrote dierenSteen­marter 24 sep 2017sep­tem­ber

Al jaren zijn er onbeves­tigde berichten over steen­marters en/​of boom­marters in de Haar­lem­mer­meer. Een jaar of 3 gele­den hebben veel mensen aan de Ijweg zo’n marter gezien, maar nie­mand had een foto en het jaar erop leek een meld­ing uit het Haar­lem­mer­meerse Bos er ook op. Maar met meldin­gen van niet geoe­fende waarne­mers is het erg op passen. Vaak blijkt het toch om een bun­z­ing te gaan, die hier vrij alge­meen is of zelfs om een kat. Maar dit jaar is het dan toch gebeurd. In april werd een dode steen­marter uit Hil­le­gom bij De Heiman­shof gebracht (zie foto boven) en in augus­tus kwam er een foto bin­nen van een jonge steen­marter uit een tuin in Hoofd­dorp (onder).

Bij­zon­der
De steen­marter (stads­marter) is een marter net als her­melijn, wezel, bun­z­ing, fret, das, otter en nerts. Marters kun­nen goed klim­men en passen zich makke­lijk aan. Een vol­wassen steen­marter is 4050 cm lang, plus een staart van 25 cm. Ze zijn bruin met een witte vlek op hun keel en borst. Steen­marters hebben een heel eigen ‚hup­pe­lende’ manier van lopen. Ze kun­nen goed klim­men en sprin­gen tot 1,5 m. hoog. Ze zijn zeer flex­i­bel en kun­nen door kleine gaten (57 cm) kruipen. Ze eten vooral kikkers, muizen, rat­ten, eekhoorns, aange­vuld met vruchten en eieren. In ste­den eet hij ook afval en soms kip­pen, koni­j­nen of andere kleine huis­dieren. Ze zijn vooral ‚s nachts actief. Overdag zoeken ze vaak een rustige plek op zoals hopen takken, grep­pels, holle bomen of lege schuren. De steen­marter maakt meestal weinig of geluid behalve stom­me­len in of ron­dom het nest.

Waar
De steen­marter komt uit Zuid– en Oost-​Europa en Azië maar trekt de laat­ste decen­nia naar NW Europa. In Ned­er­land tot nu toe vooral in het Oosten. Zijn voorkeurs­biotoop is een lan­delijke omgev­ing bij menselijke activiteit (ivm voed­sel). Maar steeds vaker wordt hij in ste­den en dor­pen ges­ig­naleerd. Omdat ze afkomen op bek­a­bel­ing van (warme) auto­mo­toren omdat daar visolie in ver­w­erkt zit, reizen ze soms grote afs­tanden mee als verstekeling.

 hooiwagen_thumbinsectenHooi­wa­gen11 sep 2017sep­tem­ber

Afgelopen week­end was de nationale tuin­spin­nen­telling. Iedereen werd gevraagd om in z’n eigen tuin uit te kijken naar maar liefst 600 soorten. Aan de ene kant denk je, moet dat nu weer (naast vlin­ders en vogels, etc), maar als je je er in verdiept, kom je toch altijd weer op leuke ont­dekkin­gen of din­gen waar je vroeger over­heen keek. Zo weet ik nu dat wat ik zelf altijd de huis­spin noemde eigen­lijk tril­spin heet. En al (opper­vlakkig ) speurend liep ik ook tegen een zeer fragiel hoog­potig wezen aan met 8 poten: de hooi­wa­gen. In principe weet e als bioloog dat een insect 6 poten heeft en een spin 8, maar is een hooi­wa­gen nu wel of niet een spin? Een spin heeft namelijk altijd een apart borststuk en vaak een zeer groot achter­lijf. Maar de hooi­wa­gen is een zeer com­pact bol­letje dat tussen die enorme fragiele poten hangt (foto). Het blijkt dus inder­daad dat hooi­wa­gens een aparte orde zijn, maar in de spin­nen­telling wor­den ze ook meegenomen.

Bij­zon­der


Wereld­wijd zijn er inmid­dels zo’n 7000 soorten hooi­wa­gens bek­end. Overi­gens is het ver­war­rende dat vele mensen de 6 potige lang­poot­mug (met vleugels) ook hooi­wa­gen noe­men. In Ned­er­land zijn er inmid­dels 34 soorten bek­end, maar 14 daar­van zijn daar inde laat­ste 30 jaar pas bijgekomen. Een spec­tac­u­laire soort is de reuzen­hooi­wa­gen met 9 cm lange poten. Die is waarschi­jn­lijk via inter­na­tionale han­del rond 2008 in Ned­er­land terecht gekomen en ver­spreid zich sinds die tijd over West Europa. I.t.t. echte spin­nen die car­nivoor zijn, zijn hooi­wa­gens alles eters die ook dode dieren en planten­resten eten/​opruimen. Ze kun­nen itt spin­nen ook geen draden spin­nen en ter­wijl spin­nen 48 paar ogen kun­nen hebben, hebben hooi­wa­gens maar 1 paar. Hooi­wa­gens kun­nen kun poten heel makke­lijk kwi­j­traken op een vooraf bepaald breukvlak. Die poten bli­jven dan nog een tijd bewe­gen en dat helpt de eige­naar om aan een rover te ontsnap­pen

Waar


Hooi­wa­gens leven overal. Overdag schuilen ze tussen planten en ste­nen en ‘s nachts gaan ze op jacht.

 knoppergalwespcombi_thinsectenKnop­per­gal wesp27 aug 2017augus­tus

Onder veel eiken regent het dezer dagen knop­per­gallen ( foto) , die mas­saal vallen. In de Heiman­shof onder 3 grote bomen, krui­wa­gens vol. Knop­per­gallen ontstaan uit eikels. Die eikels wordt door een klein wespje (zie inzet) ingespoten met een stof die de eikels aanzet tot woek­eren. En die woek­er­ing lijkt op een oud­er­wetse Duitse muts die Knoppe werd genoemd (foto). Van­daar de naam knop­per­gal. De knop­per­gal is niet de enige soort gal. Niet op de eik, want er zijn wel 40 soorten gallen bek­end, die op eiken groeien. En in totaal zijn er wel 1400 soorten gallen bek­end in Ned­er­land. Daarmee heeft bijna elke soort plant of boom wel een of meer gal­we­spen als parasiet. De eik is met stip favoriet. Dat komt omdat de eik lang door­groeit in het jaar. En dat is gun­stig voor de ontwik­kel­ing van de gal­we­s­plar­f­jes.

Bij­zon­der

Het ver­schi­jnsel gallen is een van de suc­cesver­halen van de evo­lu­tie. Ooit, 1 of meer miljoen jaar gele­den is er eens een wespje geweest die ont­dekte dat het stofje waar mee hij zich bescher­mde (ook wij kri­j­gen een bultje als een gewone wesp ons steekt) leek op een planten hor­moon, die die plant aanzette tot woek­eren. En de buitenkant van die woek­er­ing was hard en daarmee een zeer goede bescherming tegen rovers en de bin­nenkant was zacht en voedzaam voor de larve. Voel maar eens aan een verse knop­per­gal die op de grond gevallen is. Die is klev­erig van het suik­er­houdende sap wat er uit­loopt. Ook die larve maakt dat stofje zodat de gal door­groeit op bestelling, zolang de larve leeft. En als er een­maal (toe­val­lig) zo’n gouden greep is gemaakt, duurt het niet lang voor­dat zich van de wesp­jes ook gaan spe­cialis­eren op ander soorten planten. En zo krijg ze duizen­den ver­wante soorten.

Waar

Knop­per­gallen kun­nen op vele zomer– en win­ter eiken wor­den aan getrof­fen. Deze wesp­jes hebben een com­plexe lev­en­scy­clus waar ook de Turkse of moseik een rol in speelt. Die moet dus ook ergens in de buurt staan. En dat is in De Heiman­shof het geval.

 parnassia_-gr_carre_thumbplantenPar­nas­sia 13 aug 2017augus­tus



Par­nas­sia is een mooi plan­tje met fijne witte gead­erde bloe­men. Het staat in de zwaarste cat­e­gorie van bescher­mde rode lijst planten omdat het zeer sterk in aan­tal is afgenomen. Jam­mer dat veel bij­zon­dere soorten in onze rationele tijd ten onder gaan. Maar daarom is het extra leuk dat een aan­tal van onze natu­uron­twik­kel­ing­spro­jecten zo’n suc­ces zijn dat ze er weer een nieuwe groeiplek bij kri­j­gen. De meeste par­nas­sia vind je in vochtige duin­valleien. Vroeger kwam dit plan­tje ook in het bin­nen­land op vochtige voed­se­larme plekken voor. En die zijn er bijna niet meer. Maar zo’n plekje hebben we 9 jaar gele­den met het Recre­ati­eschap Spaarn­woude gecreëerd in het Groene Carré Zuid, duizendguldenkruid, moeraswe­spen– en rietorchissen, bit­terkruid en sti­jve en rode ogen­troost, moeraskartel­blad, rond­bladig win­ter­groen en nog 50 andere soorten hebben daar ook een plek gevon­den. Met name par­nas­sia heeft dit jaar een spec­tac­u­laire ontwik­kel­ing door gemaakt (zie foto) met 10.000en nieuwe indi­viduen.

Bij­zon­der

Par­nas­sia bloeit van juni tot sep­tem­ber. Hoever de plant is met bloeien, is af te lezen aan de 5 meel­draden die na elkaar open­klap­pen. Par­nas­sia maakt net als orchideeën stofzaad, dat makke­lijk met de wind ver­spreid wordt. In the­o­rie kan er zaad van de Strand­vlakte bij IJmuiden naar onze orchideeën­weide gewaaid zijn. Het geheim van dit suc­ces ligt deels in de brakke, voed­se­larme grond, het maaibeleid dat we er nu 9 jaar vol­houden, en omdat deze orchideeënkuil een fluctuerend water­peil heeft. Soms staat het droog en soms staat het hele ter­rein onder water na grote regen­buien. De ‘gewone’ soorten houden daar niet van, de bij­zon­dere soorten op dit ter­rein­tje duidelijk wel. En er zijn rond Hoofd­dorp nog tal­loze plekken die op deze manier tot een rijke en inspir­erende natuur te ontwikke­len zijn met een beetje ecol­o­gisch ipv economisch beheer.

Waar?

Par­nas­sia is een typ­is­che plant voor vochtige duin­valleien. Maar langs de IJtocht en het Groen Carre Zuid dus ook weer.