Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Kool­rupss­luip­wesp: Apan­te­les glom­er­ata

op .

Een van de wet­ten van de natuur dicteert dat er overal even­wichtssys­te­men zijn. Een opval­lend mech­a­nisme daar­bij is het even­wicht tussen prooi­dieren en jagers. Overal in de natuur houden die elkaar in een eeuwige strijd om te over­leven in even­wicht: leeuwen eten zebra’s en gnoes, vossen eten muizen, roofvo­gels eten zangvo­gelt­jes etc. Die wet gaat ook in de insecten­wereld en een voor­name speler daar­bij is de sluip­wesp. Er zijn in Ned­er­land zo’n 48.000 soorten planten en dieren beschreven (excl bac­ter­iën). De helft daar­van zijn insecten. En de helft daar­van, zo’n 12000 soorten bestaat uit wespen en dan meestal sluip­we­spen. Voor zo’n beetje elke soort insect bestaat er dus een gespe­cialiseerde soort sluip­wesp. De angst voor wespen bij veel mensen is dus niet zo erg gegrond, want van sluip­we­spen hebben we alleen maar plezier. Als die er niet waren dan was de hele wereld zwart van de vliegen, muggen, blad­luizen en wat niet al. De meest sluip­we­spen zijn erg klein .Je ziet ze niet of nauwelijks.

Bij­zon­der
Maar er is een soort die heel goed zicht­baar te maken is, mid­dels een exper­i­ment, dat het best uit te voeren is als er een groen­te­tuin met kool­planten beschik­baar is. Op die kool­planten komen namelijk die kool­wit­jes af. En die heten niet voor niet KOOL­witje. Ze leggen namelijk eieren op kool­planten waaruit zeer nij­vere rupsen komen, die een kool­plant in een paar dagen tijd tot de nerf kaal kun­nen vreten. Doo­d­spuiten advis­eren we nooit. Dat mid­del is erger dan de kwaal. Vooral met kinderen is het leuk en leerzaam om deze rupsen te zoeken en ze in en bak, met daarover vit­rage, te doen. Ik heb dat wel eens gedaan met 500 rupsen. Natu­urlijk moeten deze rupsen dan met kool­bladeren gevo­erd wor­den, maar die inspan­ning is wel de moeite waard: na een dag op wat gaan de rupsen ver­pop­pen (foto onder). De sluip­we­spen zelf (3 mm) komen uit op de inzet (foto boven).Hoeveel van de 500 rupsen zou een kool­witje wor­den? En hoeveel ‘veran­deren’ er in sluip­we­sp­jes?

Waar
De soort komt bijna overal voor in de wereld behalve in Antarc­tica en de Amerika’s

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 6 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 aspergehaantjeinsectenAsperge­haan­t­jes16 mei 2015mei

In april en mei explodeert de natuur in vol­ume en soorten­rijk­dom.
Het is de tijd van de bli­jde verwacht­ing als je er oog voor hebt: of het nu de 1e gierzwaluw is in de lucht of de 1e orchidee, het houdt niet op.

Bij al dat rond­speuren is het natu­urlijk een uitdag­ing om bij­zon­dere soorten op te merken. Zo liep ik deze week langs het duin­biotoop op De Heiman­shof om te kijken of onze wilde asperges al boven de grond kwa­men. Behalve dat het leuk is bezoek­ers te wijzen op een eet­bare wilde soort en hoe die er in het wild uitziet is het ook de moeite waard om de prachtig gek­leurde asperge­haan­t­jes te ‘spotten’.

Want zo werkt het in de natuur: bij elke planten­soort hoort een hele gemeen­schap van soorten die ‘mee liften’.

Bij­zon­der

Asperge­haan­t­jes horen bij de fam­i­lie van blad­haan­t­jes. Ze zijn ca 6 mm lang. Er zijn veel soorten blad­haan­t­jes: munthaan­t­jes, elzen­haan­t­jes, wilgen­haan­t­jes, leliehaan­t­jes en ga zo maar door, voor bijna elke planten­groep wel een.
Ze zijn bijna alle­maal fel gek­leurd als waarschuwing dat ze niet lekker smaken.

De asperge­haan­t­jes maken 2 gen­er­aties per jaar en vol­wassen kev­ers over­win­teren in de grond. Ze leven alleen op asperge en de lar­ven kun­nen in een pro­duc­tieveld schade doen, maar in De Heiman­shof mogen ze hun gang gaan.
Vogels lus­ten de haan­t­jes niet, maar de natuur zou de natuur niet zijn als er niet een andere soort een onge­brei­delde voort­plant­ing onder con­t­role zou houden.

Bijna alle lar­ven van de asperge­haan­t­jes wor­den namelijk belaagd door sluip­we­spen die hun eit­jes daarin leggen. Ter­wijl de larve de asperge aan­vreet, eten de lar­f­jes van de sluip­w­erp de larve van bin­nenuit leeg. Net voor hij vol­wassen is, barst hij open en komt er geen aspergekever uit maar een groep sluip­we­sp­jes. Zo gaat dat bij de meeste insecten.
Daarom zijn er hon­der­den tot duizen­den sluip­we­spen soorten, die we nooit zien, maar per­ma­nent hun ‘reg­ulerende’ taak vervullen.

Waar

Asperge­haan­t­jes leven alleen van asperge. Ze komen overal voor waar asperge groeit.

 kameleonspininsectenKameleon­spin2 mei 2015mei

Een van de leuke din­gen van het schri­jven van deze col­umn, is dat mensen met bij­zon­dere zaken langs komen. Een paar weken gele­den meldde zich iemand, die zich zor­gen maakte over het feit dat er in haar sierdis­tel in de tuin elk jaar grote aan­tallen dode bijen hingen.<br/ > Deze oplet­tende lezer kwam op het spoor ven een witte spin, die in de bloem zat en wel eens de oorzaak kon zijn. Omdat haar kogeld­is­tel een niet inheemse tuin­plant is, bestond het ver­moe­den dat ook de spin wel eens een exoot kon zijn, die mogelijk gevaar­lijk voor onze inheemse bijen kon zijn.
De oploss­ing kwam zoals zovaak weer van pro­fes­sor Ernst. Het bleek te gaan om een soort krab­spin en wel de gewone kameleon­spin, die hier van nature voorkomt.

Bij­zon­der

Er bestaan in Ned­er­land tien­tallen soorten krab­spin­nen. Ze ontle­nen hun naam aan het feit dat ze niet zoals andere spin­nen vooruit kruipen, maar net als krabben een zijwaartse gang hebben. Deze soort leeft vooral van bijen en hom­mels. Ze maken geen web en wachten geduldig op de bloem tot haar prooien de bloe­men komen bes­tu­iven. Zo kun­nen ze dagen tot weken in een­zelfde hin­der­laag bli­jven zit­ten. Kameleon­spin­nen ontle­nen hun naam aan het feit dat ze geel ( inzet) of wit ( grote foto) zijn, wat afhangt van de kleur van de bloem waarin ze zich ophouden. Dankzij deze cam­ou­flage kun­nen ze hun prooien ver­rassen. Die prooi kan tot 3x groter zijn. Hun gif is snel­w­erk­end en sterk. De leegge­zo­gen prooi bli­jft soms aan de bloem hangen, wat de aan­wezigheid van de spin kan ver­raden.
Het bij­zon­dere aan deze spin is dat ze net als een kameleon de kleur van de bloem waarop ze kruipen aan­nemen. Om van kleur te veran­deren doet deze spin er echter langer over dan een kameleon. De kleurveran­der­ing van wit naar geel duurt 10 tot 25 dagen en terug van geel naar wit duurt 6 dagen.

Waar

Kameleon spin­nen hebben een voorkeur voor witte en gele bloe­men, waar­bij hun schutk­leur strate­gie opti­maal werkt.

 zwarte-ooievaarvogelsZwarte Ooievaar18 apr 2015april

Hoewel er veel slecht nieuws te melden is over bio­di­ver­siteit, is het ook niet moeil­ijk om hartver­war­mende ver­halen te vin­den. Zo rukt de ooievaar steeds verder op en het lijkt slechts een kwestie van tijd tot dat zich een of meer paart­jes laat ver­lei­den tot broe­den door de keur aan ooievaarspalen die er her en der in de Haar­lem­mer­meer al staan. De lep­elaar heeft die stap al gezet, hoewel het aan­tal paren niet of nauwelijks toe­neemt. In de kolonie van de Liede wordt al druk gebroed, maar in Hoofd­dorp zijn ze nog niet begonnen. Entoen ver­scheen er 26 maart opeens een wel heel bij­zon­dere lang­poot: een zwarte ooievaar. Dit exem­plaar, hoogst waarschi­jn­lijk op doortrek heef zich een kleine week op gehouden rond de start­ba­nen van Schiphol.

Bij­zon­der

Ned­er­land ligt aan het NW pun­tje van het ver­sprei­d­ings­ge­bied van de zwarte ooievaar. Voor 1800 broedde de soort hier wel. Door het ver­lies van ooi­bossen langs de riv­ieren is daar een eind aan gekomen. In de 20ste eeuw was de vogel een schaarse, maar regel­matige gast. Sinds de eeuwwis­sel­ing is het een doortrekker die steeds vaker wordt aangetrof­fen. Het gaat dan om tien­tallen tot hon­der­den waarne­min­gen per jaar. Dat gebeurt voor al in augus­tus als de net uit­gevlo­gen jon­gen gaan zwer­ven. Dat er nu al een exem­plaar eind maart ver­schi­jnt is dus ook bij­zon­der. In gebieden als de Ooipolder is het een kwestie van tijd voor er een paartje gaat broe­den. De zwarte ooievaar leeft vooral van vis, maar eet ook amfi­bieën en insecten.

Waar

De zwarte ooievaar broedt in een brede strook door Mid­den Europa en Siberië van Den­e­marken tot aan de Stille Oceaan en over­win­tert ten zuiden van de Sahara en de Gobi woestijn. Anders dan zijn ver­want de witte ooievaar, die in open wei­den broedt, bestaat het leefge­bied van de zwarte ooievaar uit bos met open plekken. De zwarte ooievaar leeft onop­val­lend in dicht, gemengd bos langs stromend water of in de buurt van poe­len en plassen met dichte begroei­ing, vaak in heuvelachtig gebied.

 stormmeeuwvogelsStor­m­meeuw9 apr 2015april

een stormmeeuw in vluchtDe Haar­lem­mer­meer ligt niet ver van de zee en dat kun je merken aan het feit dat er waar en wan­neer je naar de lucht kijkt, altijd wel ergens wat meeuwen ziet rond­vliegen. Meeuwen leven van afval, vis, aas, wor­men en in feite alles wat ze te pakken kun­nen krijgen.

Zoals overal in de natuur, heeft deze suc­cesvolle groep vogels zich gaan­deweg uit­ge­s­plitst in soorten die ver­schil­lende ‘niches’ benut­ten. Niches zijn com­bi­naties van eigen­schap­pen om te over­leven en dat betekent meestal het benut­ten van ver­schil­lende soorten voed­sel. Zo ontwikkelt zich meestal een reeks van kleinere en grotere soorten, die kleinere en grotere prooien eten. Bij meeuwen is de dwergmeeuw de kle­in­ste en de grote man­telmeeuw de groot­ste soort. In onze polder zie je vooral kok­meeuwen (met zomers een zwart kapje), stor­m­meeuwen en zil­ver­meeuwen (met gri­jze vleugels), kleine en grote man­telmeeuwen (met zwarte vleugels). De aan­lei­d­ing voor deze col­umn is dat er teke­nen zijn dat zich stor­m­meeuwen die vooral in de duinen en op de Wad­denei­lan­den broe­den bezig zijn om ook twee kolonies op daken te vor­men. Een­tje in Indus­triepark Hoofd­dorp Noord en een­tje in de President.

Bij­zon­der

De stor­m­meeuw is kleiner dan de zil­ver­meeuw en heeft met een ronde kop en en een zwarte iris een vrien­delijker uit­stral­ing dan de zil­ver­meeuw, die in kust­plaat­sen soms al een plaag wordt ervaren. Zowel zil­ver­meeuwen als stor­m­meeuwen zoeken vaak voed­sel door de trillin­gen van een mol na te boot­sen in grasvelden waar­door wor­men naar boven vluchten. Stor­m­meeuwen zijn hele­maal niet zo al gemeen: naar schat­ting 7000 paar in Ned­er­land. Een jaar of vijf gele­den had­den we een grote meeuwen– en ster­nenkolonie op het dak van de het PWN-​gebouw. Door­dat het dak lekte, kwam er vogelpoep in het drinkwa­ter. In plaats van het lek te maken, is de kolonie ver­sto­ord. De vogels zoeken nog steeds naar een nieuwe plek, vaak op daken van gebouwen.

Waar

Stor­m­meeuwen komen op heel het Noordelijk hal­frond voor in 4 onder­soorten. Vooral langs kusten.

 beukendopgeweizwampad­den­stoe­lenBeuk­endopgeweizwam23 mrt 2015maart

Afgelopen week was de nationale boom­feestdag en dus liep ik te zoeken naar een onder­w­erp over bomen: Het bomen­pad in het Haar­lem­mer­meerse bos is heropend, de 14 routes langs mon­u­men­tale bomen om ‚bij weg te dromen’ zijn gelanceerd en op De Heiman­shof staan tot 1 april10.000 gratis boom­p­jes van 54 soorten klaar om mee te nemen. Een van de soorten die we dit jaar in grote getalen beschik­baar hebben, (2500) zijn beuken. Die beuken groeien uit beukenoot­jes, waar­van er in som­mige jaren miljoe­nen zijn per boom. Als er zo’n top jaar van beukenoot­jes is, wor­den lang niet al die noot­jes een boom: muizen, eekhoorns, vogels eten het gros op. Maar ook op andere manieren komen de beuken aan hun eind. En dat brengt me op het eigen­lijke onder­w­erp van deze week: de super­spe­cial­is­ten: de natuur zit zo mooi en ingewikkeld in elkaar dat er overal waar er wat te halen valt, soorten ontstaan die er gebruik van maken. Een van die super­spe­cial­is­ten is de Beuk­endopgeweizwam. Dat is een ver­want van het zeer algemene gewone geweizwammetje wat op oude stronken groeit. Deze soort groeit alleen op de schillen van beuken­noot­jes en dan nog alleen als die onder een laag bladeren liggen.

Bij­zon­der

De beuk­endop geweizwammet­jes lagen in een dikke laag strooisel onder een beuk in Burg­erveen en zijn prachtig gefo­tografeerd door Lau­rens v/​d Linde, die al vaker leuke ont­dekkin­gen heeft vast gelegd. De natuur zit vol met de super­spe­cial­is­ten. Maar je moet er een oog voor ontwikke­len om ze te ont­dekken: een schotelzwammetje dat ook alleen in een leeg beuk­endopje groeit; de rupsendo­der, een zwam die alleen op vlin­der­pop­pen groeit en de lar­ven­do­der die alleen op de larve van de spin­nende water kever leeft; en uit de insecten­wereld: hyper­parasi­eten: zeer kleine sluip­we­spen die leven op de lar­ven en pop­pen van al zeer kleine sluip­we­spen die bijvoor­beeld op bijen en vliegen parasiteren.

Waar

De beuk­endopgeweizwam groeit alleen op vochtige beuk­endop­jes onder een laag strooisel.

 wcmotmuggestippeldeinsectenwc-​motmug7 mrt 2015maart

U bent van mij gewend om intrigerende natuur ver­schi­jnse­len overal van­daan te tov­eren. Deze week een tro­pis­che soort die recen­telijk (1020 jaar gele­den of zo) is meegelift met inter­na­tionale reizigers.

Zijn lev­en­scy­clus is niet heel appeti­jtelijk, want hij legt z’n eit­jes (soms mas­saal) in de sli­jmerige prut van goot­steen– en wc-​zwanenhalzen. Daar kauwen de lar­f­jes zich door die prut. De vol­wassen exem­plaren houden zich in en bij goot­ste­nen en wc-​potten op. Daar kun­nen ze jaar rond aangetrof­fen wor­den.
Ze heten mot­muggen. En om pre­ciezer te zijn wc-​motmuggen.

Het zijn circa 5 mm grote zwarte insecten met donkere zware behar­ing. Die behar­ing valt af als ze wat ouder worden.

Er zijn inmid­dels 2 soorten bek­end: de gestip­pelde wc mot­mug, die zijn vleugels hor­i­zon­taal houdt en rijen witte stip­pels op de ran­den heeft (foto) en de gewone wc-​motmug die wat kleiner is zon­der stip­pen en die zijn vleugels dak­pans­gewijs boven zijn lichaam houdt.

In de zomer kun­nen de wc-​motmuggen ook buiten leven. Daar wor­den ze soms aangetrof­fen in com­post­vaten en –hopen, vooral als deze vol met natte inhoud zit­ten.
Hoewel hun lar­vale sta­dium zich niet afspeelt in de meest fan­tasievolle omgev­ing, bren­gen ze voor zover bek­end geen ziek­ten en pla­gen met zich mee.

Bij­zon­der

De wc-​motmuggen ken ik zelf al een jaar of 10, maar naar nu blijkt ston­den ze tot voor kort niet eens gereg­istreerd als een soort die in Ned­er­land voorkomt. Dat heeft waarschi­jn­lijk meer te maken met de aan­dacht voor deze soort­groep dan met hun daad­w­erke­lijke voorkomen.
De lev­en­scy­clus van de mot­muggen is heel snel: van ei tot vol­wassen exem­plaar duurt ca. 17 dagen. De mot­mug­jes zelf leven ca 10 dagen en na ongeveer 9 uur kun­nen ze zich al voort planten met 200300 eit­jes per vrouwtje. Dat kan in korte tijd duizen­den nakomelin­gen opleveren.

Waar

Voor het waarne­men van mot­mug­jes hoeft u de deur niet uit. Ze leven in goot­ste­nen, wcpot­ten en blub­berige composthopen.

 springstaartandersSpringstaarten21 feb 2015feb­ru­ari

U denkt vast wel eens: hoe lang gaat deze col­umn nog door? Het antwo­ord daarop zal meer van mijn eigen leeftijd afhangen hebben dan van het aan­tal onder­w­er­pen. In Ned­er­land zijn tot dusver zo’n 48.000 soorten planten en dieren (exclusief een­cel­li­gen, etc) beschreven en de meeste komen wel eens in de Haar­lem­mer­meer langs.

Sinds 2006 heb ik ongeveer 450 soorten daar­van gehad en met eens in de 14 dagen een col­umn, kan ik zeker nog 100 jaar voort. Ik heb zelfs nog geen kans gezien een voor­beeld van alle grote groepen organ­is­men te behan­de­len. Deze week daarom weer eens een hele nieuwe cat­e­gorie, waar­van meer dan 8000 soorten ont­dekt zijn, met hon­der­den in Ned­er­land. Het gaat om de springstaarten. Springstaarten behoren, net als insecten, tot de zespotigen.

Bij­zon­der

Springstaarten wor­den slechts enkele mm groot en ontle­nen hun Ned­er­landse naam aan een vork die onder hun buik ligt (zie foto).

In rust zit­ten de tanden van de vork vast achter een soort gren­deltje. Als de springstaart bij gevaar wil sprin­gen, zet hij kracht op de vork en laat dan het gren­deltje los. Daar­door slaat de vork met een klap op de onder­grond (of op het water) en wordt de springstaart cen­time­ters weg gelanceerd.
Een springstaart heeft nog een 2e geheim wapen. Het is een buisvormig mon­dor­gaan wat eindigt in twee buis­jes en uit­ges­tulpt wordt met behulp van de bloed­druk. De func­tie is een com­bi­natie van het opne­men van vocht en het vas­thechten aan de ondergrond.

De springstaart is zelf wat­er­af­s­to­tend, waar­door hij zon­der moeite haast wrijv­ingsloos over het waterop­per­vlak gli­jdt. Dreigt hij door de wind weg te wor­den geblazen, dan steekt hij deze collo­foor, die niet wat­er­af­s­to­tend is, door het waterop­per­vlak als een soort micro ankertje en lijkt daar­door aan het waterop­per­vlak te kleven.

Waar

Springstaarten leven meestal in de strooisel­laag of op het waterop­per­vlak en voe­den zich met rot­tend organ­isch mate­ri­aal en schim­mels. Ze kun­nen daar in enorme aan­tallen voorkomen: hon­der­den of duizen­den per m2 in de meeste Ned­er­landse tuinen.

 rode-kelkzwampad­den­stoe­lenRode kelkzwam8 feb 2015feb­ru­ari

In de win­ter is het niet alleen wat frisser, de kleuren buiten zijn ook min­der uit­ge­spro­ken. Daarom is het extra leuk dat er ook mid­den in de win­ter vrolijk stem­mende kleurige ver­schi­jnse­len zijn te vin­den, die een wan­del­ing of zelfs een hele dag kun­nen opvrolijken. Recen­telijk noemde ik als de heldergele gele trilzwam.

Win­ter­pad­den­stoe­len hebben een manier weten te vin­den om mid­den in de win­ter te groeien: dat gaat wel langza­mer maar ze hebben weken of zelfs maan­den om hun sporen te ver­sprei­den. En blijk­baar is dat een goede over­lev­ingsstrate­gie.
Deze week kwam ik de mooiste kleur die je in de win­ter kan vin­den tegen in het Wan­del­bos Hoofd­dorp: schar­lak­en­rood van de rode kelkzwam (zie foto).

Bij­zon­der

Rode kelkzwammen zijn echte win­ter­pad­den­stoe­len.
Ze ver­schi­j­nen als het koud wordt, soms al in novem­ber, en verd­wi­j­nen medio maart.

Hoewel de vruchtlichamen slecht tegen droogte kun­nen, is uit exper­i­menten gebleken dat het mycelium daar wel goed tegen kan en zelfs tot tien jaar later onder gun­stige omstandighe­den weer vruchtlichamen pro­duceert. Het lijkt erop dat kelkzwammen nog lev­ende takken infecteren waar­bij het houtweef­sel gedurende gun­stige (vochtige) peri­o­den ver­teerd wordt. Pas nadat de takken afgevallen zijn en per­ma­nent in een vochtige omgev­ing liggen, waar­bij ze vaak bedekt raken met mos, begin­nen zich op de takken vruchtlichamen te vor­men. Daarna gebeurt dit ieder jaar opnieuw tot­dat de tak volledig ver­teerd is.

Slakken, springstaarten en insecten­lar­ven eten er graag van. Wellicht speelt de rode kleur een rol in het lokken van deze dieren. Zodra het weer wat opwarmt, zullen de kelkzwammen als sneeuw voor de zon verdwijnen.

Waar

In Ned­er­land komen 2 soorten rode kelkzwammen voor.
De Krul­haarkelkzwam die we ooit in De Heiman­shof gehad hebben, heeft een voorkeur voor rot­tend elzen– of essen­hout.
De Rode kelkzwam in het Wan­del­bos is een stuk zeldza­mer en heeft een voorkeur voor rot­tend essenhout.

 RamshoorngalinsectenRamshoorn­gal­we­sp­pa­rasiet24 jan 2015jan­u­ari

Al 8 jaar mag ik u eerst weke­lijks en nu 2-​wekelijks van de HC op de hoogte houden van de ver­baz­ing­wekkende flora en fauna in onze polder.

In augus­tus 2008 kon ik u melden dat de EU – een­word­ing ook ecol­o­gis­che invloe­den had: met vracht­wa­gens was uit Hon­gar­ije en omstreken de ramshoorn­gal­wesp meegelift.
Tot 1990 was de Ramshoorn­gal­wesp bek­end van Oost-​Europa tot Iran.
Vanaf 1990 heeft de Ramshoorn­gal­wesp zich naar West-​Europa uit­ge­breid. In het jaar 1990 komt de eerste waarne­m­ing uit Duit­s­land. In de omgev­ing van Lon­don was de eerste waarne­m­ing in 1998, nog voor het eerste exem­plaar in Ned­er­land (2003), in Diemen werd gezien.
In Ned­er­land heeft zich deze gal­wesp vooral in het zuiden van Noord-​Holland en in Zuid-​Holland sterk uit­ge­breid en is nauwelijks in Oost-​Nederland te vin­den.
In De Heiman­shof was de eerste gal in de zomer van 2008 op een jonge zomereik.

Bijzonder

Nieuwe soorten kun­nen zich vaak snel ontwikke­len omdat ze geen vijan­den hebben. Hoe snel de natuur zich soms kan aan­passen, bleek deze win­ter toen de gal­we­sp­jes in hun ’veilige’ gallen opgepeuzeld bleken: De vrouwt­jes van zoge­naamde bron­swe­spen (foto) kun­nen met hun spri­eten waarne­men waar de larve van de gal­wesp in de gal zit. Ze boren met hun leg­boor dan door de buiten­schil van de gal en leggen een ei in de gal­we­s­plarve. Zodra de parasiet uit het ei kruipt, wordt de gal­we­s­plarve opgepeuzeld. Bij kweek­ex­per­i­menten bleek dat in de late herfst zowel wijf­jes als man­net­jes van de par­a­sitaire bron­swesp Sycophila bigut­tata uitk­wa­men.
Ramshoorn­gal­we­spen zelf zijn ook bij­zon­der. Zij ken­nen twee gen­er­aties per jaar die elk een andere soort eik nodig hebben; de moseik of Turkse eik en de inheemse zomereik. In de Wieger Bruin­laan groeien moseiken en overal staan zomereiken. Uit de gallen op de zomereik komen alleen vrouwt­jes, uit de gallen op de moseik komen man­netje en vrouwtjes.

Waar

De par­a­sitaire bron­swesp komt overal in Europa en West-​Azië voor waar ook de Ramshoorn­gal­wesp aan­wezig is.

 Gebakken-Kippad­den­stoe­lenGebakken Kip zwam4 jan 2015jan­u­ari

Een halve hek­senkring van grote (12 cm) pad­den­stoe­len op een gazon vlak bij De Heiman­shof (foto) zette mij op een speur­tocht met ver­rassende resul­taten, die ik graag met u deel.

Mijn eerste indruk vanaf de weg was dat het een soort wilde champignon leek, waar­van som­mige soorten wel 25 groot kun­nen wor­den. Maar de eerste inspec­tie sloot dat al uit. Alle champignons hebben zwarte sporen en een ring (velum) om de stam. En deze exem­plaren had­den geen ring en de plaat­jes onder de hoed waren maagdelijk wit.

De vol­gende stap is dan om alle pad­den­stoe­len gid­sen er bij te nemen. Daar kwa­men als optie Gordi­jnzwammen uit naar voren. Gordi­jnzwammen hebben net als deze soort laag afhangende en brede plaat­jes en er blijken wel 180 soorten van te bestaan. Maar alle­maal hebben ze bru­ine sporen. Als de pad­den­stoe­lengid­sen geen uit­sluit­sel geven is Pro­fes­sor Ernst mijn geheime wapen. Deze pro­fes­sor waar ik in 1980 bij afges­tudeerd ben heeft toe­gang tot netwerken waar micro­scopis­che details uit­sluit­sel geven. Hij kwam de weten­schap­pelijke naam van deze zeer algemene en grote soort die geen Ned­er­landse naam heeft, maar in Amerika Gebakken kip zwam heet. Deze soort heeft nl witte ronde sporen, ter­wijl de enige Gordi­jnzwam met wit­tige sporen appelvormige sporen heeft.

Bij­zon­der

De naam geeft al aan dat het een eet­bare soort is. De smaak van de verse hoed doet aan radijs denken. In Azië wordt deze soort mas­saal gek­weekt en zeer gewaardeerd in purees en soepen. In het westen is dit min­der. Met de juiste kruiden smaakt de hoed naar gebakken kip en de robu­uste stam wordt of vers­maad of ook in gepureerde vorm ver​w​erkt​.De weten­schap­pelijke naam van de gebakken kipzwam is Lyophyl­lum decastes, omdat hij opval­lend vaak in clus­ters van 10 exem­plaren voor schi­jnt de komen; deca is 10 in het latijn.

Waar

Deze soort komt bij voorkeur op ver­sto­orde gron­den voor, waar hij organ­isch mate­ri­aal ver­teerd. Waar hij voorkomt is het meestal in zeer grote aantallen.

 esbomenes27 dec 2014decem­ber

Het wordt veel aange­haald; dat de (Canadese) pop­ulier de ken­merk­ende boom van de Haar­lem­mer­meer is. Dat komt omdat deze boom overal aange­plant wordt.
Een min­stens zo algemene boom en een­tje die zich in tegen­stelling tot de pop­ulier mas­saal voort­plant (en zich dus hier kiplekker voelt) is de es. Bijna overal waar je staat kun je wel een (of veel) essen­bomen in je blikveld aantr­e­f­fen.
Een paar van de mooiste 100– jarige essen staan in het wan­del­bos Hoofd­dorp (33.5 m in omvang en ruim 40 m hoog), maar in alle wijken en ker­nen en bij oude boerder­i­jen en kerken zijn mooie exem­plaren te vin­den. De es maakt met de esdoorn zaden met vleugelt­jes.
Het essen­zaad (foto) heeft 1 vleugel en die van de esdoorn 2. Die vleugels ver­beteren ver­sprei­d­ing met de wind.

Bij­zon­der
Een es wordt ca 200 jaar oud, maar net als bij knotwilgen kan essen­hakhout (dat om de 10 jaar wordt afgezet) de leeftijd van een boom aanzien­lijk ver­len­gen. De oud­ste bomen van de Haar­lem­mer­meer zijn dan ook ruim 300 jaar oude essen­hakhoutop­standen op de Een­denkooi van Stok­man bij Vijfhuizen. Deze 10 jaar oude stam­men wor­den sinds mensen­heuge­nis gebruikt voor palen en als brand­hout.
Maar essen­hout heeft veel meer gebruiksmo­gelijkhe­den. Het is buigzaam, veerkrachtig en recht. Het werd daarom gebruikt voor bv speren, maar nog steeds voor ste­len van gereed­schap zoals hamers, bezems, schep­pen, etc.
In Europa komt 1 inheemse soort es voor. In Noord-​Amerika bestaan nog een tien­tal soorten. Een kweekver­sie van de smal­bladige es, die in de herfst dieprode bladeren kri­jgt, wordt wel als straat­boom aange­plant. Er staan bv een paar exem­plaren waar de Boslaan in Hoofd­dorp over­gaat in de Sweel­incksin­gel.
De es was altijd een geliefde boom omdat hij een makke­lijke en vri­jwel ziek­tevrije soort was. Met de iep en de paar­denkas­tanje hoort hij sinds kort bij soorten die door een plaag (schim­mel) bedreigd wor­den.

Waar
De es groeit graag op natte tot tamelijk vochtige, voed­sel­rijke grond in loof­bossen en is zeer algemeen.

 vliegenzwamcruquiuspad­den­stoe­lenVliegen­zwam16 nov 2014novem­ber

In de vorige col­umn noemde ik, dat ik nog nooit een vliegen­zwam in de polder had gevon­den.
Daar kwa­men 2 reac­ties op: een uit Cruquius bij een eik (zie foto) van Janet Bakker, die altijd goed oplet en vaker waarne­min­gen doorgeeft en een uit Toolen­burg, Hoofd­dorp over een die sinds 2 jaar bij een berk verschijnt.

Bij­zon­der

De vliegen­zwam is een tot de ver­beeld­ing sprek­ende soort, waar omheen tal­loze feiten en sagen bestaan:
De hoed van de vliegen­zwam was een essen­tieel bestand­deel van hek­sen­brouwsels.
De ker­st­man met zijn rood met witte kledij zou het sym­bool zijn van iemand, die door een vliegen­zwammen­roes denkt te kun­nen vliegen in door rendieren getrokken arrenslee.

Het in melk of suik­er­wa­ter gedrenkte rode vlies van de hoed van de vliegen­zwam was ooit als vliegen­verdel­gingsmid­del pop­u­lair.
Lin­naeus gaf de vliegen­zwam de lati­jnse soort­naam Amanita mus­caria (mus­caria= vlieg). 200 jaar later werd uit de vliegen­zwam het insec­ti­cide iboteninezuur geï­soleerd. Dit zuur wordt door droging omgezet in de stof mus­ci­mol, die ver­ant­wo­ordelijk is voor hal­lu­ci­naties.
Het gebruik van de vliegen­zwam was aan de elite van sja­ma­nen en orakels voor­be­houden zodat zij hun para­nor­male gaven kon­den ver­sterken en als enige in con­tact met de goden kon­den tre­den. Als er onvol­doende pad­den­stoe­len voorhan­den waren, werd de urine van de bevoor­rechten, die in ruime mate de drogerende rest­stof­fen bevatte, door de min­der bedeelden gedronken. De vreemde Engelse uit­drukking „get­ting pissed” voor in een alco­hol­roes raken, zou hier­mee te maken hebben.
De hoed van de vliegen­zwam bevat kleine hoeveel­he­den mus­carine dat pas in veel grotere hoeveel­he­den dodelijk giftig is. Vergiftigin­gen met fatale afloop komen dan ook weinig voor.

Waar

De vliegen­zwam is een van de pad­den­stoe­len­soorten die samen­leven met bomen. Ze vor­men samen een zoge­naamd myc­or­rhyza: een samen­stel van zwamdraden en boom­wor­tels waar­tussen suik­ers vanuit de boom en min­eralen vanuit de schim­mel wor­den uit­gewis­seld tot bei­der voordeel.
De voorkeur­swaard­plant van de vliegen­zwam is de berk, maar ook bij andere bomen waaron­der eik, beuk en den komt hij voor.