Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Kool­rupss­luip­wesp: Apan­te­les glom­er­ata

op .

Een van de wet­ten van de natuur dicteert dat er overal even­wichtssys­te­men zijn. Een opval­lend mech­a­nisme daar­bij is het even­wicht tussen prooi­dieren en jagers. Overal in de natuur houden die elkaar in een eeuwige strijd om te over­leven in even­wicht: leeuwen eten zebra’s en gnoes, vossen eten muizen, roofvo­gels eten zangvo­gelt­jes etc. Die wet gaat ook in de insecten­wereld en een voor­name speler daar­bij is de sluip­wesp. Er zijn in Ned­er­land zo’n 48.000 soorten planten en dieren beschreven (excl bac­ter­iën). De helft daar­van zijn insecten. En de helft daar­van, zo’n 12000 soorten bestaat uit wespen en dan meestal sluip­we­spen. Voor zo’n beetje elke soort insect bestaat er dus een gespe­cialiseerde soort sluip­wesp. De angst voor wespen bij veel mensen is dus niet zo erg gegrond, want van sluip­we­spen hebben we alleen maar plezier. Als die er niet waren dan was de hele wereld zwart van de vliegen, muggen, blad­luizen en wat niet al. De meest sluip­we­spen zijn erg klein .Je ziet ze niet of nauwelijks.

Bij­zon­der
Maar er is een soort die heel goed zicht­baar te maken is, mid­dels een exper­i­ment, dat het best uit te voeren is als er een groen­te­tuin met kool­planten beschik­baar is. Op die kool­planten komen namelijk die kool­wit­jes af. En die heten niet voor niet KOOL­witje. Ze leggen namelijk eieren op kool­planten waaruit zeer nij­vere rupsen komen, die een kool­plant in een paar dagen tijd tot de nerf kaal kun­nen vreten. Doo­d­spuiten advis­eren we nooit. Dat mid­del is erger dan de kwaal. Vooral met kinderen is het leuk en leerzaam om deze rupsen te zoeken en ze in en bak, met daarover vit­rage, te doen. Ik heb dat wel eens gedaan met 500 rupsen. Natu­urlijk moeten deze rupsen dan met kool­bladeren gevo­erd wor­den, maar die inspan­ning is wel de moeite waard: na een dag op wat gaan de rupsen ver­pop­pen (foto onder). De sluip­we­spen zelf (3 mm) komen uit op de inzet (foto boven).Hoeveel van de 500 rupsen zou een kool­witje wor­den? En hoeveel ‘veran­deren’ er in sluip­we­sp­jes?

Waar
De soort komt bijna overal voor in de wereld behalve in Antarc­tica en de Amerika’s

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 8 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 grotekeverorchis-40x40plantenGrote Keverorchis26 apr 2014april

Veel mensen die ik ver­tel over de 70 in Ned­er­land en de 14 in de Haar­lem­mer­meer voorkomende soorten orchideeën­soorten zijn ver­baasd. Ze ken­nen vaak alleen de gek­weekte tro­pis­che soorten.
Bij de megabloe­men van die soorten vallen de meeste van onze orchideeën enigszins in het niet. Maar ze zijn zeker even inter­es­sant door hun sym­biose met schim­mels en de bij­zon­dere bes­tu­iv­ing­sprocessen.
Een van de minst spec­tac­u­laire inheemse orchideeën­soorten is de Grote Keverorchis, die in mei bloeit met groene bloemen.

De aan­lei­d­ing voor deze col­umn was een ont­dekking deze week, toen we aan het werk waren in het Hoofd­dorpse Wan­del­bos.
Dat die soort daar voorkomt is bek­end. Tien jaar gele­den waren er zelfs wel eens 300 exem­plaren. Maar mede door het onder­houd van het bos met zware machines is de stand achteruit gegaan: vorig jaar von­den we maar 30 stuks. Daarom zijn we vanuit MEER­Groen het bos met de hand gaan beheren. Bij het opknap­pen van de onder­groei kwa­men wel 120 stuks te voorschijn, waar­van 80 op nieuwe plekken; ecol­o­gisch beheer loont?

Bij­zon­der

Orchideeën zijn de meest gespe­cialiseerde planten in het planten­rijk. Ze hebben ver­nuftige bes­tu­iv­ingsmech­a­nis­men ontwikkeld. Bv het aan­maken van lok­stof­fen (fer­omo­nen) van aller­lei soorten insecten. Daarom heb je keverorchissen, wespenorchissen en bijenorchissen! De Grote keverorchissen trekt met zijn geuren vooral sluip­we­spen en kev­ers aan, die ein­de­loos over de bloe­men heen en weer bli­jven lopen. En daar­bij bevruchten ze alle bloe­men. Als een bloem bevrucht is, buigt een bloem­slip over de stam­per om zelf­bes­tu­iv­ing verder tegen te gaan. Deze orchis is wet­telijk beschermd, maar niet meer bedreigd.

Waar

Een Grote Keverorchis houdt van vochtige tot droge loof­bossen, liefst met wat kalk. In de Haar­lem­mer­meer zijn nu 3 groeiplaat­sen bek­end: vanouds in het Wan­del­bos Hoofd­dorp (> 120) , in de Heiman­shof (20 jaar lang 1 heel mooie en sinds 2013 7 stuks) en het Haar­lem­mer­meerse Bos (ca 3050).

 zwartkop-40x40vogelszwartkop6 apr 2014april

In april barst het voor­jaar altijd los. Behalve met de hoge tem­per­a­turen dit jaar kun je elk jaar het voor­jaar intens beleven door de ontwik­kelin­gen in de natuur nauwlet­tend te vol­gen: dan word je in deze tijd van het jaar elke dag weer ver­rast door nieuwe planten die in bloei komen, insecten die uit hun win­ter­slaap ver­schi­j­nen of vogels die opeens na 69 maan­den afwezigheid weer volop in elke tuin zin­gen. Het bijhouden van deze veran­derin­gen heet met een duur woord: fenolo­gie. Behalve dat je dan elke dag blij ver­rast wordt (en je veel over de natuur leert) is er de mogelijkheid om dat jaren achter elkaar te doen. Dan leer je bijvoor­beeld wan­neer een soort gaat ver­schi­j­nen en ga je patro­nen zien die samen­hangen met mooi, nat, koud weer en de kli­maatveran­der­ing. Om je daar­bij te helpen hebben we bij De Heiman­shof fenolo­gie boek­jes samengesteld, waarin je die aan­tekenin­gen kan bij houden (zie www​.deheiman​shof​.nl/​j​e​u​g​d​/​s​t​r​u​i​n​k​i​d​s​/​k​i​d​s​-​d​o​w​n​l​o​a​d​s). Zo ont­dek je dat elk jaar rond 21 maart de tjift­jaf ver­schi­jnt en in de 1e week van april de zwartkop.

Bij­zon­der

De zwartkop is een van de goed nieuwsver­halen in de natuur. Het is een klein zangvo­geltje dat zingt als een merel die op dubbele snel­heid wordt afge­draaid. Hij heet zwartkop, maar alleen het vol­wassen man­netje heeft een zwart petje. Jonge dieren en vrouwt­jes hebben een bruin petje. De zwartkop is in 20 jaar tijd bijna 2x zo alge­meen gewor­den en zit bijna in elke tuin waar wat bomen staan: in heel Ned­er­land inmid­dels meer dan 200.000 broed­paren. De zwartkop is een trekvo­gel. Hij broedt hier en over­win­tert in Zuid-​Europa, Marokko en Alger­ije. De laat­ste jaren heeft deze soort ook Ier­land als over­win­terge­bied ont­dekt. De zwartkop is in principe een insecteneter, maar een­tje die ook zaden en vruchten eet: een alle­seter dus. Dat zal zeker hebben bijge­dra­gen aan zijn opkomst in stedelijk gebied.

Waar

De zwartkop is een algemene broed­vo­gel, vooral in parken en bossen met dicht kreupelhout.

 kleine_bonte_specht-40x40vogelsKleine Bonte Specht23 mrt 2014maart

Iedereen kent inmid­dels wel de Grote Bonte Specht.
Deze soort heeft zich de laat­ste 1020 jaar zo aan een stedelijke omgev­ing aangepast dat zijn ver­schi­jn­ing vooral in wat oud­ere wijken gewoon is gewor­den.
Een 2e specht­en­soort (waarmee ik deze col­umn in 2006 ben begonnen) is de groene specht. In 2006 kende ik slechts 34 paart­jes in de polder. Inmid­dels ben ik de tel bij min­stens 50 kwijt. Deze specht is zo schuw en goed gecam­ou­fleerd dat je hem eigen­lijk alleen opmerkt door zijn opval­lende roep: een kei­harde, uitda­gende kake­lende lach. Alsof je uit­gelachen wordt.

De laat­ste tijd is er weer een nieuwe specht­en­soort aan het ver­schi­j­nen: De kleine bonte specht. Dit voor­jaar kreeg ik een aan­tal meldin­gen uit Hoofd­dorp en het Haar­lem­mer­meerse Bos. Een reden dat spechten in aan­tal toen­e­men, is dat zij prof­iteren van het feit dat we tegen­wo­ordig tol­er­an­ter zijn in het laten staan van dode bomen en takken. In de ogen van een ecoloog is het nog lang niet genoeg. Zie De Heiman­shof. Als dit hout van aller­lei soorten bomen ver­snip­perd wordt, dan prof­iteren slechts een paar soorten. Als we de ver­schil­lende hout­soorten in 1040 jaar op natu­urlijke wijze laten gaan, prof­iteren hon­der­den of zelfs duizen­den soorten.

Bij­zon­der

Een van die soorten is de kleine bonte specht, nauwelijks groter dan een mus, die houdt van kleinere takken die op de grond liggen, ter­wijl zijn grote neef grote takken hoog in de boom pref­er­eert. De kleine bonte specht kwam niet of nauwelijks in het open laagland van Hol­land voor. Wel in de bossen van Oost– en Zuid Ned­er­land en in de duinen. Het lijkt er nu op dat er een soort over­loop van de duinen naar onze polder aan de gang is. Dat hebben we 3 jaar gele­den ook zien gebeuren met de boomklever.

Waar

Er zijn kleine bonte spechten gemeld uit het Haar­lem­mer­meerse Bos en uit Pax. Als deze soort in onze polder ook een broed­plek vindt, zou dat weer een ver­rijk­ing van onze flora en fauna zijn. Graag hoor ik meldin­gen daarvan.

 dennennaaldspleetlippad­den­stoe­lenSpleetlip­pen9 mrt 2014maart

Reeds 8 jaar schrijf ik deze columns en mijn indruk wordt steeds sterker dat de vari­atie in de natuur onu­it­put­telijk is.
Zo’n 500 soorten zijn er inmid­dels behan­deld. Maar aan kruiden en grassen alleen zijn er al 1500 soorten, aan pad­den­stoe­len 6000 en aan vogels 400, om maar een greep te doen.
Van alle soorten is wel iets bij­zon­ders te ver­melden: anders had­den ze zich in de felle over­lev­ingsstrijd niet kun­nen handhaven.

Mijn ver­rass­ing van deze week kwam van Lou van de Linde, een natu­ur­fo­tograaf, die zijn ogen niet in zijn zak heeft. In De Heiman­shof toverde hij 2 pad­den­stoe­len­soorten tevoorschijn, waar ik zelfs nog nooit van had geho­ord. Het waren leden van de curieuze fam­i­lie van spleetlipzwammen: ze zaten op riet­sten­gels en op den­nen­naalden: en heten dan ook toepas­selijk riet­spleetlip en den­nen­naald spleetlip (foto). Op zijn foto van een stukje den­nen­naald is goed te zien hoe piep­klein deze soort is.

Bij­zon­der

Op de afbeeld­ing is ook goed te zien, waarom deze groep spleetlip­pen genoemd wordt. De riet­spleetlip is net zo klein en ook behoor­lijk zeldzaam. Op de grove den komt de opgez­wollen spleetlip voor en dan is er de jen­e­verbes­bes spleetlip en de braam­spleetlip die te vin­den zijn. In som­mige gevallen kun­nen de den­nen­spleetlip­pen zo alge­meen wor­den, dat ze een plaag vor­men. Maar de meeste soorten wor­den als zeldzaam betiteld. Of dat zo is omdat ze echt zeldzaam zijn, of omdat iedereen er over heen kijkt, laat ik maar in het mid­den. Wereld­wijd zijn er van de fam­i­lie van de spleetlip­pen 9 ges­lachten onder­schei­den met bijna 800 soorten. Ze hebben alle­maal de karak­ter­istieke spleet in het mid­den, waar­door ze in de 19e eeuw ook wel venuszwammet­jes wer­den genoemd.

Waar

De spleetlipzwammen komen wereld­wijd voor in gematigde regio’s. Ze groeien in of op de opper­vlakte van cel­lu­lose bevat­tende bio­massa of op schors. Vele soorten zijn spec­i­fiek in hun voorkeur voor een bepaalde gastheerplant.

 kogelhoutskoolzwampad­den­stoe­lenKogel­hout­skoolzwam22 feb 2014feb­ru­ari
 kogelhoutskoolzwam

Op dood hout van de es kun je donker­bru­ine tot zwarte halve bollen van 19 cm diam­e­ter vin­den. Deze kogel­hout­skoolzwammen lijken op verkoolde cakes.

Vol­wassen exem­plaren zijn voorzien van uiterst fijne openin­gen waar­door in april en mei donkere sporen naar buiten gestoten wor­den, die je dan als een ring zwart sporen­stof om de zwam kunt aantr­e­f­fen. Deze wor­den in een soort mini-​kamertjes, vlak onder het opper­vlak gevormd. Wan­neer je een exem­plaar doorsni­jdt zijn er meer dan 10 ver­schil­lende laag­jes te zien (foto). Deze zijn wit-​grijzig en van elkaar geschei­den door een donkere strook.

Ze doen denken aan de jaar­rin­gen van bomen, maar kogel­hout­skoolzwammen groeien van okto­ber tot maart. In die tijd wor­den de ver­schil­lende laag­jes dus gevormd.

Alleen de buiten­ste laag maakt sporen. Die ziet er dan ook anders uit dan de onderliggende laag­jes. Kogel­houtzwammen spe­len een rol bij de houtaf­braak en maken geen lev­ende bomen dood. In Ned­er­land is de soort vrij zeldzaam.

Bij­zon­der

Een bij­naam van de kogel­hout­skoolzwam in Enge­land is Cramp Balls: in ver­pul­verde vorm zou deze als mid­del (norit) tegen maag– en darm­bezwaren hebben gediend.

Recent onder­zoek toonde aan dat loofhoutwe­spen of zwaard­we­spen een nauwe relatie met hout­skoolzwammen hebben. Vrouwt­jes van deze houtwesp dra­gen mycelium van een hout­skoolzwam met zich mee in spe­ciale toegeruste orga­nen. Als ze eit­jes leggen in het hout van de boom van hun voorkeur, dan infecteren ze daarmee het hout tegelijk­er­tijd met de schim­mel. Als de wespeneit­jes uitkomen, leven de lar­ven van de schim­mel en van het door de schim­mel ‘voorver­teerde’ hout.

Waar

Kogel­hout­skoolzwammen zijn, dankzij hun ste­vigheid, jaar­rond te vin­den op loofhout­boom­stronken en takken, spe­ci­aal op essen­hakhout. Het mooiste en oud­ste essen­hakhout in de Haar­lem­mer­meer (350 jaar oud) is te vin­den in de Een­denkooi van Vijfhuizen. Hier is deze zwam dan ook alge­meen. Ook in natu­ur­speelplaats Meer­mond trof­fen we hem aan deze week.

 kraailookplantenKraailook16 feb 2014feb­ru­ari
 kraailook

Alle planten die we als voed­ings­ge­wassen gebruiken, zijn uit het wild afkom­stig en naar onze smaak en voorkeuren veredeld.

Een van de meest gebruikte planten­soorten is de ui.

In het wild bestaan nog veel andere uien­soorten. Alle­maal met de karak­ter­istieke smaak en geur van een zwavel­houdende vluchtige stof die in ons traan­vocht omgezet wordt in zwavelzuur.

Maar elke soort voegt daar weer zijn eigen ele­menten aan toe. Zo werkt het altijd in de natuur: als een soort een nut­tige aan­pass­ing door­maakt (in dit geval onap­peti­jtelijk wor­den voor insecten­vraat) ontwikke­len zich variëteiten en soorten voor aller­lei spec­i­fieke omstandighe­den: een ui voor de bosrand, voor het bos, op de velden, een moerasvorm, etc.

Alleen in De Heiman­shof hebben we min­stens 8 soorten staan: arm­bloemig look, daslook, driekantig look, slan­gen­look, bies­look, berglook, moes­look en kraailook.

Bij­zon­der

Kraailook staat vooral in (blauw)graslanden.

Het vormt zoals alle uien een (zeer klein) bol­letje. Het ronde blad van de kraailook (foto) is blauw­groen en vezeliger dan de andere soorten.

Hoe alge­meen kraailook wel is, is vooral in deze tijd van het jaar te zien. Op de ca. 300 m2 wei­dege­bied van de heem­tuin staan er miljoe­nen. Dat ze nu zo goed te zien zijn, komt door een andere uieneigen­schap: de meeste planten­soorten en ook grassen gedi­jen pas bij tem­per­a­turen boven de 10 graden, maar uien (mede dankzij de reser­vestof­fen in hun bol­letje) groeien de hele win­ter door zolang de tem­per­atuur maar boven 05 graden is.

Zo kleuren al onze voed­se­larme graslan­den blauw­groen mede door deze kraailook­bladen. Kraailook bloeit van juni-​augustus. Omdat ze vanaf mei geduchte con­cur­ren­tie ondervin­den van grassen en andere soorten komen er maar een paar hon­derd tot 1000 in de tuin tot bloei. Zo zijn uien­soorten ide­ale gewassen in een groen­te­tuin: je plant ze in sep­tem­ber en ze groeien de hele win­ter door.

Waar

Kraailook staat vooral in bermen, maar gedijt ook in bossen in heel Europa en een deel van Amerika.

 gekraagdeaardsterpad­den­stoe­lenGekraagde Aard­ster5 jan 2014jan­u­ari
 gekraagdeaardster

De natuur lijkt in rust in de win­ter, maar niets is min­der waar.

Voor de goede waarne­mer is er volop activiteit waar te nemen.

Zo zwer­ven er miljoe­nen win­ter­gas­ten door ons land die over­leven op de bessen en grassen van onze rijke rivierdeltagronden.

In de bossen is het al een gekri­oel van planten. Dat komt omdat de bosplanten hun lev­en­scy­clus rond moeten hebben voor het bladerdek van de bomen ges­loten is. Dat is goed te zien in De Heiman­shof waar nu al weer 3 soorten planten bloeien en 40 soorten stin­sen­planten zich mas­saal uit de strooisel­laag omhoog werken. Dat doen ze vanuit reser­vestof­fen in bol­let­jes en wortelstokken.

Spiedend naar de bol­let­jes valt ook op dat er ook gedurende de win­ter nog veel pad­den­stoe­len te vin­den zijn: bv juda­soren en vele soorten elfen­bankjes, kogelzwammen en opval­lende gele trilzwammen. De meest curieuze zwam die plaat­selijk alge­meen uit de strooisel­laag tevoorschijn komt, is de gekraagde aardster.

Bij­zon­der

De gekraagde aard­ster is een zoge­naamde buikzwam, die ver­want is aan de bovis­ten. Deze soorten maken bolvormige vruchtlichamen die gro­ten­deels ver­s­tu­iven in de vorm van sporen.

De gekraagde aard­ster barst in 2 niveaus open.

De buiten­ste wand is heel dik en barst in de vorm van een ster open, waarmee hij zich naar boven drukt uit de strooisellaag.

Daar­bij komt een 25 cm dikke bol vrij met een heel dun vel­letje, waarin bovenin een gaatje valt. Door regen­drup­pels en dieren die er op stap­pen, wor­den de rijpe sporen in dit bol­letje als een soort vulkaan explosie wegge­blazen. (Zie foto). Heel leuk voor kinderen (en vol­wasse­nen) om eens te proberen. Veel bovis­ten zijn eet­baar zolang de sporen niet rijp zijn. Van de gekraagde aard­ster is dit niet zo bek­end, want hij drukt zich pas boven de grond uit als de sporen rijp zijn. De sporen wer­den in tra­di­tionele geneeskunst gebruikt om ontstekin­gen en bloedin­gen tegen te gaan.

Waar

De Gekraagde Aard­ster komt wereld wijd voor in gematigde streken. In de Heiman­shof staan veel exemplaren.

 pluimzeggeplantenpluimzegge30 dec 2013decem­ber
 pluimzegge

Sinds de zomer van dit jaar is MEER­Groen ook met een werk­groep in Heem­st­ede verte­gen­wo­ordigd. Daar hebben we een natu­ur­speelplaats van 5.5 ha in beheer genomen op nauwelijks 100 m van de Haar­lem­mer­meer. Deze natu­ur­speelplaats is 3 jaar gele­den gemaakt op de oude vuil­nis­belt van Heem­st­ede en heet Meer­mond. Op 100 m van het Cruquius gemaal ligt dit ter­rein op de plek waar het Spaarne begint en wat ik hartelijk in uw aan­dacht wil aan­beve­len om eens te gaan ont­dekken. Een semi-​wild ter­rein van 5.5 ha is nl een heer­lijke ruimte voor kinderen ( en vol­wasse­nen) om los te gaan. Zeker met de kabel­ba­nen, pon­tje, wilgen labyrint, heel veel hout om mee te slepen en heuvel par­ti­jen. Wij zor­gen voor de tal­loze bessendra­gende stuiken, bloe­men­wei­des, het insecten­ho­tel, de ijsvo­gel poel en de tal­loze pad­den­stoe­len­lo­caties, bouwen aan uit­brei­d­ing van het wilgen­labyrint en maken ruimte vrij voor een boom­gaard. We werken er elke vri­jdag en von­den er afgelopen week een prachtig ver­geten moerasje met bij­zon­dere veg­e­tatie waar­van de Pluimzegge het meest opviel(foto). Dit is een bedreigde en dus bescher­mde polvor­mende soort zegge die zeer oud kan woor­den en daar­door ook zeer groot. Som­mige van de exem­plaren waren ruim een meter hoog.

Bij­zon­der

De pluimzegge hoort in veen­mo­erassen en is door zijn grootte en massa soms een lev­en­sred­der voor mensen en dieren die in moerassen verd­walen. Je kunt nl van de ene pol naar de ander sprin­gen of waden. Maar ook door zijn grootte vormt hij een aansprek­ende en beeld­bepal­ende soort. Er zijn ca 200 zegge soorten in Ned­er­land, waar­van veel soorten makke­lijk met elkaar kruisen en daar­door moeil­ijk uit elkaar te houden zijn. De pluimzegge is echter zeer karak­ter­istiek. Het woord zegge is afkom­stig van een oud Ger­maans woord, dat sni­j­den betekent. De bladeren kun­nen nl zeer scherp zijn.

Waar

De ca 50 pluimzegges van Meer­mond staan in de oever van het Spaarne, maar ook op De Heiman­shof zijn een 10-​tal pluimzegges van een jaar of 40 oud te bewonderen.

 giebel2goudvisvis­senGiebel (2)9 dec 2013decem­ber
 giebel2goudvis

De Giebel is de wilde vorm van de goud­vis (foto). Naast de nor­male wijze van voort­plant­ing, blijkt de giebel over een bij­zon­dere strate­gie te beschikken: Paair­i­jpe vrouwt­jes giebels drin­gen zich tussen de paaiende karpers en zetten hun eieren af. Daar­bij bleek, dat de zaad­cellen van (kroes)karpers, de eicellen van de giebel prikkelden om zich te gaan ontwikke­len. De zaad­cellen drin­gen hier­voor de eicel bin­nen, maar er vindt geen versmelt­ing plaats zoals in het nor­male voort­plant­i­ng­spro­ces. Er is daarom geen sprake van bevrucht­ing. De eicellen bevat­ten daar­door uit­slui­tend vrouwelijke eigen­schap­pen, met als gevolg dat er ook alleen maar vrouwelijke nakomelin­gen uit wor­den geboren. Deze zijn in uiter­lijk en erfe­lijk opzicht pre­cies gelijk aan de oud­ergiebel. Men noemt dit ook wel „klo­nen”. Deze unieke wijze van voort­plant­ing (gyno­genese), heeft ertoe heeft bijge­dra­gen dat de giebel zich in korte tijd over grote delen van Azië en Europa heeft kun­nen verspreiden.

Buiten de „hulp” van karper en kroeskarper, bleek de giebel zich ook suc­cesvol te kun­nen voort­planten met behulp van blankvoorn, zeelt, grote mod­derkruiper en zelfs regenboogforel.

Gyno­gese is dus een bij­zon­dere vorm van maagdelijke voortplanting.

Extra bij­zon­der bij de Giebel is ook nog dat deze vis niet 2 sets chro­mo­somen heeft in zijn celk­ern (dat heet diploid: zoals bijna alle hogere planten en dieren) maar drie: de soort is dus triploid.

Waar

De natu­urlijke ver­sprei­d­ing van de Giebel is van West-​Siberië tot Roe­menië, Bul­gar­ije, Grieken­land en Turk­ije. De soort komt al sinds de zeven­tiende eeuw in Duit­s­land voor. Er is maar weinig bek­end over de lev­enswi­jze van de giebel. In grote lijn komt deze waarschi­jn­lijk overeen met de lev­enswi­jze van de kroeskarper. Water met een weelderige planten­groei en een zachte mod­derige bodem hebben de voorkeur van de giebel. De giebel is een sterke vis die goed tegen vervuild water kan. Het is vaak een van de laat­ste vis­soorten die in vervuild water gevon­den wordt.

 giebel1vis­senGiebel (1)27 nov 2013novem­ber
 giebel1

In de Heiman­shof hebben we sinds juni een nieuw ele­ment aan de ecol­o­gis­che vari­atie in de tuin toegevoegd: onze onderwater-​ontdekwereld.

Inmid­dels leven in onze 12 aquaria zo’n 30 soorten vis­sen, kreeften, mos­sels, amfibieën en andere onder­wa­ter dieren en planten. Het is fascinerend om meer te leren over het gedrag en de leef­con­di­ties van de vele organ­is­men die er onzicht­baar onder water naast ons leven.

Een van mijn vele onder­wa­ter ont­dekkin­gen was de Giebel. Achter deze iet­wat lach­wekkende naam schuilt een brons– of goud­kleurige vis, die niet inheems was, maar inmid­dels zoals zoveel soorten wel inge­burg­erd is (foto). Het is een Azi­atis­che karper­soort waaruit in China, al zo’n 4000 jaar gele­den, goud­vis­sen zijn gekweekt.

De giebel is een gron­de­laar. Daar­door draagt hij bij aan vertroe­bel­ing van het water, net als brasems en kapers. Het is een alle­seter: naast dier­lijk voed­sel als dier­lijk plank­ton, insecten­lar­ven en kleine kreef­tachti­gen, eet de giebel ook algen en planten­de­len. In de win­ter stopt de voed­selop­name. Veel Giebels zijn waarschi­jn­lijk afs­tam­melin­gen van uit­gezette goud­vis­sen die hun rode of oranje kleur ver­loren hebben. In de vrije natuur verd­wi­j­nen deze kleur­vor­men door­dat ze te veel opvallen en als eerste ten prooi vallen aan rovers. Zo bli­jven er op ter­mijn alleen wild­kleurige exem­plaren over.

Bij­zon­der

De giebel kan vanaf het tweede jaar ges­lacht­srijp zijn. Het aan­tal eieren kan oplopen tot circa 400.000 per vis per jaar. Daar­door is de giebel in staat voor grote aan­tallen nakomelin­gen te zor­gen. Bij afwezigheid van reg­ulerende roofvis­sen treedt bin­nen enkele jaren „vergiebel­ing” op. Naast de nor­male wijze van voort­plant­ing, blijkt de giebel over een bij­zon­dere strate­gie te beschikken: Paair­i­jpe vrouwt­jes­giebels drin­gen zich tussen de paaiende karpers en zetten hun eieren af. Daar­bij bleek dat de zaad­cellen van (kroes)karpers de eicellen van de giebel prikkelden om zich te gaan ontwikke­len. Vol­gende col­umn meer (over 2 weken).

 waternetjeplantenWater­netje13 nov 2013novem­ber
 waternetje

Zowel in de Toolen­burgse plas als in het meer van het Haar­lem­mer­meerse bos is het water vrij helder en diep. Daar­door wor­den deze meren druk bezocht door toen­e­mende aan­tallen duik­liefheb­bers. En onder water zijn er natu­urlijk weer intrigerende flora en fauna zaken te ont­dekken. Onlangs stuitte een van de duik­ers tussen 27 m diepte op netvormige wolken bestaande uit groene bol­let­jes. Deze bol­let­jes bestaan uit netvormige struc­turen van 530 mm groot (foto). De netvormige struc­tuur van het water­netje is een kolonie, bestaande uit meerdere cellen. Een vol­groeid netje kan een paar cm groot worden.

De groei van water­net­jes wordt door hogere tem­per­a­turen ver­sterkt. De kli­maat veran­der­ing heeft veroorza­akt dat water­net­jes zich op som­mige plekken tot een plaag kun­nen ontwikkelen.

Het is in de zomer veel aan­wezig, maar sterft af als het water kouder wordt. Het water­netje over­leeft de win­ter door dik­wandige sporen te maken die naar de bodem zakken.

Bij­zon­der

Een jong netje ontstaat al bin­nen een vol­wassen cel. Elk bol­letje ontstaat uit één zich opde­lende cel bin­nen een moed­er­cel. Dit wor­den sporen die zich met zweep­draden bin­nen de moed­er­cel kun­nen bewe­gen. Al voor het uiteen­vallen van de moed­ercel­wand ver­liezen deze sporen hun zweep­draden en groeperen ze zich in de vorm van een nieuw jong netje. Door het strekken van de cellen groeit het nieuwe netje verder.

Waar

Water­netje is een groen­wier, waar­van in (Mid­den– en West-​) Europa 1 en in de wereld 5 soorten bestaan. De foto is gemaakt in het meer van het Haar­lem­mer­meerse Bos waar deze algen voorkomen op 27 m diepte. Het water­netje is bek­end uit voed­sel­rijke, vooral stik­stofrijke wateren, sloten en plassen. Het kan ook in het kust­ge­bied in water met een hoog zout­ge­halte voorkomen.

 Kruisspin4Urntjesspinnendoder1insectenkruis­spin (4)13 nov 2013novem­ber
 Kruisspin4Urntjesspinnendoder1

 Kruisspin4Urntjesspinnendoder1

Bij ver­stor­ing begint de spin hevig heen en weer te schud­den in haar web. Bij ern­stige ver­stor­ing laat de spin zich lood­recht naar bene­den vallen waar­bij het lichaam met een spin­draad wordt geankerd. De spin houdt zich op de bodem een tijdje schi­jn­dood. Na enige tijd klimt de spin hier­aan weer naar boven. Kruis­spin­nen hebben gifkaken maar gebruiken deze alleen om op prooien te jagen en niet om vijan­den af te weren. Alleen als een spin tussen de vingers wordt vast­gek­lemd zal deze in het uiter­ste geval bijten. Dit voel je wel maar is niet gevaarlijk.

De groot­ste vijand van de spin­nen is het kli­maat. Ze lij­den vooral onder droogte en zware regen­val. Ook de mens is een belan­grijke vijand, omdat deze spin­nen doodt en hun web vernielt.

De spin­nen moeten ook oplet­ten voor som­mige sluip­we­spen zoals spin­nen­do­ders, die de spin ver­lam­men en naar het nest bren­gen. Alle spin­nen­do­ders behoren tot wes­pachti­gen, zoals graafwe­spen. Er zin wereld­wijd bijna 5000 soorten bek­end. In Ned­er­land komen ongeveer 65 soorten voor (foto′s Urn­t­jesspin­nen­do­der). De ver­lamde spin wordt in een hol­letje gebracht en er wordt een ei bij afgezet. Als de larve van de sluip­wesp uit het ei kruipt wordt de kruis­spin lev­end en van bin­nenuit opgegeten.

Waar

De kruis­spin bouwt haar web op open plekken tussen lage boom­takken of in stru­iken, die van de wind zijn afgeschermd. Het web wordt gemakke­lijk door regen en wind vernield, waar­door de kruis­spin alleen voorkomt op beschutte plaat­sen. Tuinen zijn voor de kruis­spin ideaal, omdat deze vaak hogere begroei­ing bevat­ten en relatief goed zijn afgeschermd van felle zon en van wind. De kruis­spin heeft een vochtige leefomgev­ing nodig en kan slecht tegen droogte en komt vooral voor in laaglan­den. Een andere weer­som­standigheid waar de spin onder lijdt is hevige regen­val. De kruis­spin komt in grote delen van Europa en delen van Noord-​Amerika. In Europa komt de kruis­spin voor van noordelijk Scan­di­navië tot in lan­den aan de Mid­del­landse Zee.