Col­umn Flora en Fauna in de Haarlemmermeer

Sinds 2006 heeft Franke van der Laan weke­lijks in de Hoofd­dorpse Courant deze col­umn gepub­liceerd. Sinds kort om de 2 weken. Hier­naast kunt u de meest recente columns opvra­gen, hieron­der kunt u columns zoeken in het archief.

Meldin­gen van bij­zon­dere dieren en planten kunt u doorgeven aan Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken.
Per­soon­lijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkda­gen tussen 9:00 en 12.30 uur en op woens­dag tot 17:00 uur bij De Heiman­shof, Wieger Bruin­laan 17 in Hoofddorp.

Kool­rupss­luip­wesp: Apan­te­les glom­er­ata

op .

Een van de wet­ten van de natuur dicteert dat er overal even­wichtssys­te­men zijn. Een opval­lend mech­a­nisme daar­bij is het even­wicht tussen prooi­dieren en jagers. Overal in de natuur houden die elkaar in een eeuwige strijd om te over­leven in even­wicht: leeuwen eten zebra’s en gnoes, vossen eten muizen, roofvo­gels eten zangvo­gelt­jes etc. Die wet gaat ook in de insecten­wereld en een voor­name speler daar­bij is de sluip­wesp. Er zijn in Ned­er­land zo’n 48.000 soorten planten en dieren beschreven (excl bac­ter­iën). De helft daar­van zijn insecten. En de helft daar­van, zo’n 12000 soorten bestaat uit wespen en dan meestal sluip­we­spen. Voor zo’n beetje elke soort insect bestaat er dus een gespe­cialiseerde soort sluip­wesp. De angst voor wespen bij veel mensen is dus niet zo erg gegrond, want van sluip­we­spen hebben we alleen maar plezier. Als die er niet waren dan was de hele wereld zwart van de vliegen, muggen, blad­luizen en wat niet al. De meest sluip­we­spen zijn erg klein .Je ziet ze niet of nauwelijks.

Bij­zon­der
Maar er is een soort die heel goed zicht­baar te maken is, mid­dels een exper­i­ment, dat het best uit te voeren is als er een groen­te­tuin met kool­planten beschik­baar is. Op die kool­planten komen namelijk die kool­wit­jes af. En die heten niet voor niet KOOL­witje. Ze leggen namelijk eieren op kool­planten waaruit zeer nij­vere rupsen komen, die een kool­plant in een paar dagen tijd tot de nerf kaal kun­nen vreten. Doo­d­spuiten advis­eren we nooit. Dat mid­del is erger dan de kwaal. Vooral met kinderen is het leuk en leerzaam om deze rupsen te zoeken en ze in en bak, met daarover vit­rage, te doen. Ik heb dat wel eens gedaan met 500 rupsen. Natu­urlijk moeten deze rupsen dan met kool­bladeren gevo­erd wor­den, maar die inspan­ning is wel de moeite waard: na een dag op wat gaan de rupsen ver­pop­pen (foto onder). De sluip­we­spen zelf (3 mm) komen uit op de inzet (foto boven).Hoeveel van de 500 rupsen zou een kool­witje wor­den? En hoeveel ‘veran­deren’ er in sluip­we­sp­jes?

Waar
De soort komt bijna overal voor in de wereld behalve in Antarc­tica en de Amerika’s

Opvra­gen Oud­ere Columns

Hieron­der kun­nen alle tot dusver ver­sch­enen columns opgevraagd wor­den.
U kunt deze selecteren en sorteren op cat­e­gorie, onder­w­erp, het jaar en de tijd van het jaar. Com­bi­naties zijn ook mogelijk.


SELEC­TIEMENU; selecteer op:

cat­e­gorie

en/​of
titel zoek­term

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/​of
maand

en/​of
jaar


SORTEREN: klik op de kop­jes in de titel­balk om de sor­ter­ing te veranderen

Blz [ 1 ] Ga naar 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …» volgende

thumb

cat­e­gorie: titel: datum: maand:

open/​dicht

 Gebakken-Kippad­den­stoe­lenGebakken Kip zwam4 jan 2015jan­u­ari

Een halve hek­senkring van grote (12 cm) pad­den­stoe­len op een gazon vlak bij De Heiman­shof (foto) zette mij op een speur­tocht met ver­rassende resul­taten, die ik graag met u deel.

Mijn eerste indruk vanaf de weg was dat het een soort wilde champignon leek, waar­van som­mige soorten wel 25 groot kun­nen wor­den. Maar de eerste inspec­tie sloot dat al uit. Alle champignons hebben zwarte sporen en een ring (velum) om de stam. En deze exem­plaren had­den geen ring en de plaat­jes onder de hoed waren maagdelijk wit.

De vol­gende stap is dan om alle pad­den­stoe­len gid­sen er bij te nemen. Daar kwa­men als optie Gordi­jnzwammen uit naar voren. Gordi­jnzwammen hebben net als deze soort laag afhangende en brede plaat­jes en er blijken wel 180 soorten van te bestaan. Maar alle­maal hebben ze bru­ine sporen. Als de pad­den­stoe­lengid­sen geen uit­sluit­sel geven is Pro­fes­sor Ernst mijn geheime wapen. Deze pro­fes­sor waar ik in 1980 bij afges­tudeerd ben heeft toe­gang tot netwerken waar micro­scopis­che details uit­sluit­sel geven. Hij kwam de weten­schap­pelijke naam van deze zeer algemene en grote soort die geen Ned­er­landse naam heeft, maar in Amerika Gebakken kip zwam heet. Deze soort heeft nl witte ronde sporen, ter­wijl de enige Gordi­jnzwam met wit­tige sporen appelvormige sporen heeft.

Bij­zon­der

De naam geeft al aan dat het een eet­bare soort is. De smaak van de verse hoed doet aan radijs denken. In Azië wordt deze soort mas­saal gek­weekt en zeer gewaardeerd in purees en soepen. In het westen is dit min­der. Met de juiste kruiden smaakt de hoed naar gebakken kip en de robu­uste stam wordt of vers­maad of ook in gepureerde vorm ver​w​erkt​.De weten­schap­pelijke naam van de gebakken kipzwam is Lyophyl­lum decastes, omdat hij opval­lend vaak in clus­ters van 10 exem­plaren voor schi­jnt de komen; deca is 10 in het latijn.

Waar

Deze soort komt bij voorkeur op ver­sto­orde gron­den voor, waar hij organ­isch mate­ri­aal ver­teerd. Waar hij voorkomt is het meestal in zeer grote aantallen.

 RamshoorngalinsectenRamshoorn­gal­we­sp­pa­rasiet24 jan 2015jan­u­ari

Al 8 jaar mag ik u eerst weke­lijks en nu 2-​wekelijks van de HC op de hoogte houden van de ver­baz­ing­wekkende flora en fauna in onze polder.

In augus­tus 2008 kon ik u melden dat de EU – een­word­ing ook ecol­o­gis­che invloe­den had: met vracht­wa­gens was uit Hon­gar­ije en omstreken de ramshoorn­gal­wesp meegelift.
Tot 1990 was de Ramshoorn­gal­wesp bek­end van Oost-​Europa tot Iran.
Vanaf 1990 heeft de Ramshoorn­gal­wesp zich naar West-​Europa uit­ge­breid. In het jaar 1990 komt de eerste waarne­m­ing uit Duit­s­land. In de omgev­ing van Lon­don was de eerste waarne­m­ing in 1998, nog voor het eerste exem­plaar in Ned­er­land (2003), in Diemen werd gezien.
In Ned­er­land heeft zich deze gal­wesp vooral in het zuiden van Noord-​Holland en in Zuid-​Holland sterk uit­ge­breid en is nauwelijks in Oost-​Nederland te vin­den.
In De Heiman­shof was de eerste gal in de zomer van 2008 op een jonge zomereik.

Bijzonder

Nieuwe soorten kun­nen zich vaak snel ontwikke­len omdat ze geen vijan­den hebben. Hoe snel de natuur zich soms kan aan­passen, bleek deze win­ter toen de gal­we­sp­jes in hun ’veilige’ gallen opgepeuzeld bleken: De vrouwt­jes van zoge­naamde bron­swe­spen (foto) kun­nen met hun spri­eten waarne­men waar de larve van de gal­wesp in de gal zit. Ze boren met hun leg­boor dan door de buiten­schil van de gal en leggen een ei in de gal­we­s­plarve. Zodra de parasiet uit het ei kruipt, wordt de gal­we­s­plarve opgepeuzeld. Bij kweek­ex­per­i­menten bleek dat in de late herfst zowel wijf­jes als man­net­jes van de par­a­sitaire bron­swesp Sycophila bigut­tata uitk­wa­men.
Ramshoorn­gal­we­spen zelf zijn ook bij­zon­der. Zij ken­nen twee gen­er­aties per jaar die elk een andere soort eik nodig hebben; de moseik of Turkse eik en de inheemse zomereik. In de Wieger Bruin­laan groeien moseiken en overal staan zomereiken. Uit de gallen op de zomereik komen alleen vrouwt­jes, uit de gallen op de moseik komen man­netje en vrouwtjes.

Waar

De par­a­sitaire bron­swesp komt overal in Europa en West-​Azië voor waar ook de Ramshoorn­gal­wesp aan­wezig is.

 bruinetrilzwampad­den­stoe­lenBru­ine Trilzwam15 jan 2017jan­u­ari

Hoewel in de nazomer en herfst de meeste pad­den­stoe­len te vin­den zijn, zijn er ook gedurende de win­ter genoeg soorten te vin­den: oester zwammen, fluweel poot­jes en elfen bankjes staan overal. Het viel me daar­bij op dat er vooral veel soorten trilzwammen te vin­den zijn: zwarte, fel­gele trilzwammen en juda­soren kende ik al, en daar kwam deze week de bru­ine trilzwam bij. Die had ik nog nooit gevon­den en groeide op een dode eiken tak. Deze soort lijkt op een heel clus­ter juda­soren bij elkaar.

Bij­zon­der

Trilzwammen hebben het ver­mo­gen om vocht op te zuigen bij natte omstandighe­den en bij droge omstandighe­den hele­maal te ver­schrompe­len. In vochtige omstandighe­den groeit de pad­den­stoel en pro­duceert hij sporen en dat pro­ces valt stil in droge toe­s­tand. Dit opzwellen en ver­dro­gen kan vele malen achter elkaar zon­der dat de pad­den­stoel afsterft. Dat staat in schril con­trast met de gewone ‘hoe­den vor­mende’ soorten die daar­bij wel afster­ven. Trilzwammen hebben meestal uit­ge­breide lobben en plooien. Daarmee ver­goten ze hun opper­vlakte en kun­nen dan meer sporen pro­duc­eren. De bru­ine trilzwam heeft dat pro­ces van lobben­vorm­ing het verst doorgevo­erd. Nog een bij­zon­der­heid aan trilzwammen is dat ze zelf in en op hout kun­nen groeien maar daar­naast een par­a­sitaire lev­enswi­jze kun­nen hebben. Ze par­a­siteren dan op andere pad­den­stoe­len zoals de gele trilzwam op korst zwammen (die voor hen het hout vert­eren) en de bruin trilzwam op het ges­lacht van elfen­bankjes. Nog een inter­es­sante eigen­schap van trilzwammen is dat ze vaak eet­baar zijn. Ze smaken echter zoals ze eruit zien: naar koud kraak­been. Juda­soren wor­den in de Chi­nese keuken in Tjap Tjoy ver­w­erkt. Ze houden daar­bij een goede ‘bite’ en smaken een beetje gepeperd.

Waar

De bru­ine trilzwam komt voor in loof­bossen met beuk, eik en haze­laar begroei­ing. De soort komt echter ook op andere loof­bomen voor, zoals esdoorn, es, haag­beuk en linde. Soms komt de bru­ine trilzwam ook voor op sparren.

 grijzewilgbomenGri­jze wilg28 jan 2017jan­u­ari

Ken­merk­end voor het land­schap in het west­elijk deel van Ned­er­land is de gri­jze wilg.

Het is een van de 80 soorten wilgen die in Ned­er­land voor komen. Een deel daar­van is stru­ikvormig en een deel boomvor­mend. De groot­ste soort van alle­maal is de gri­jze wilg. Na 60 jaar kan hij zo groot wor­den dat hij onder z’n eigen gewicht in elkaar stort. Het is maar weinig bomen in Ned­er­land ver­gund om ouder dan 100 jaar te worden.

Een wilg van 100 jaar oud kan wel 67 m sta­mom­vang hebben. Een van de mooiste gri­jze wilgen in de Haar­lem­mer­meer staat in Graan voor Visch op het veld bij het poli­tie bureau (foto achter­aan). Deze boom meet ruim 6 m omtrek en ver­toont nog geen spoor van ver­val. Vroeger was hout een van de belan­grijk­ste brand­stof­fen. De snelle groei (elk jaar 23 m) en het risico van instorten heeft mede geleid tot het gebruik om wilgen te knot­ten. Elke 5 jaar is er dan weer genoeg brand – en bouwhout beschikbaar.

Een geknotte wilg kan veel ouder ( 200 jaar) wor­den dan een die niet geknot wordt, omdat hij dan min­der last heeft van z’n ’overgewicht’. En dat ondanks het feit dat knotwilgen inrot­ten en hol wor­den. Dat hol wor­den is weer een zegen voor vele planten en dieren die daarin een toevlucht­so­ord vinden.

Bij­zon­der

De 80 soorten wilgen kruisen onder­ling makke­lijk. Dat heeft geleid tot een ver­war­rende mix van ken­merken. Maar de hoofd­soorten zijn altijd wel te herken­nen: treur wilgen hangen, katwilgen hebben hele lange smalle bladeren, geo­orde wilgen hebben 2 ‘oort­jes’ naast elk blad, water­wilgen zijn hor­i­zon­taal uit­groeiende stru­ik­wilgen met grote kat­jes en boswilgen hebben mooie kat­jes en groeien juist verticaal.

Waar

Wilgen staan overal. In De Heiman­shof wordt op 15 feb­ru­ari een bij­zon­dere snip­perdag geor­gan­iseerd waar­bij de 60 jaar oude wilgen van de stru­in­tuin getopt wor­den met een grote kraan omdat ze te zwaar wor­den. Het hout wordt ges­nip­perd voor de bos paden in de tuin. U wordt van harte uit gen­odigd om te komen kijken en met ons een snip­per dag te nemen.

 gelekornoeljeplantenGele Kor­noelje20 jan 2016jan­u­ari

gele kornoeljeDe Gele Kor­noelje is een groot deel van het jaar een onop­val­lend stru­ikje of kleine boom. Het is een zeer langzaam groeiende plant, waar­van het hout om die reden erg hard is. In maart doet de gele kor­noelje zijn naam eer aan. Voor­dat er blad aan zit en voor­dat andere bomen en stuiken in blad komen, wordt het hele stru­ikje knal­geel van de bloe­sem (foto). Ik zou deze col­umn dus eigen­lijk in maart moeten schri­jven, maar ik doe het nu omdat door het vreemde weer van deze win­ter de gele kor­noel­jes al sinds de eerste week van jan­u­ari in bloei zijn gekomen. Ik hoop dat ze die bloei tot in maart vol­houden. Ook in sep­tem­ber is de struik weer opval­lend: uit de bloe­sem komen namelijk eet­bare vruchten. De hele struik kan dan rood zijn. Ze zijn wat zuur, maar er kan jam en sap van wor­den gemaakt.

Bij­zon­der

De naamgev­ing van de kor­noelje fam­i­lie is wat bizar. De gele kor­noelje heet geel van­wege zijn bloe­sem. De rode kor­noelje die in Haar­lem­mer­meerse bossen een plaag­plant is, heeft echter geen rode bloe­men, maar witte. Deze heet rode kor­noelje omdat zijn groene takken in de win­ter rood kleuren. Wel niet zo rood als de Japanse sierko­r­noelje, maar toch. Zijn zwarte bessen zijn niet eet­baar voor ons mensen, maar wel voor vogels. En wat voor bloe­sem zou de witte (sier) kor­noelje hebben: ook wit. Want deze struik heet wit om dat hij witte bessen heeft. De gele kor­noelje staat graag op kalkhoudende grond, dus dat past wel bij de Haar­lem­mer­meer. Hij is in Ned­er­land zo zeldzaam dat hij op een wet­telijke bescherming geniet en op de zoge­heten rode lijst staat als ‘zeldzaam, maar stabiel’.

Waar

Er ston­den een paar prachtige gele kor­noel­jes langs de Hoofd­vaart in Hoofd­dorp. Maar die zijn het afgelopen jaar ges­neu­veld. De enige gele kor­noel­jes die ik ken in de Haar­lem­mer­meer, staan in De Heiman­shof en in het bomen­pad van het Haar­lem­mer­meerse bos. Gele kor­noelje komt in een groot deel van Europa tot ver in Turk­ije van nature voor. De stru­iken groeien in en langs ran­den van bossen.

 watercipresfoto2_thumbbomenWater­cipres30 jan 2018jan­u­ari

Op veel plekken in het straat­beeld staan naald­bomen, waar­van in de herfst, nadat ze prachtig rood gek­leurd waren, de naalden afgevallen zijn.
Deze bomen bestaan uit 2 soorten, die een beetje lastig uit elkaar zijn te houden. Beide soorten hebben een stam die aan de basis extreem dik is en gaande weg smaller wordt (foto). De minst algemene is de moeras­cipres die uit de moeras­ge­bieden van de Verenigde Staten komt. Als het goed is, zijn deze aan de waterkant geplant (wat niet altijd het geval is) en daar vormt deze zgn kniewor­tels: knolvormige wor­tels waar mee hij lucht hapt en zich ver­ankerd voor over­stro­min­gen. Dat gebeurt in de Ever­glades en de Mis­sis­sip­pi­delta nl maan­den lang. En hij heeft een afgeronde kroon. De andere soort is de water­cipres. En deze heeft meestal een spitse kroon (foto 2).

Bij­zon­der
De water­cipres komt uit China en is fam­i­lie van de Sequoia of mam­moet­boom. Van deze soort, die miljoe­nen jaren gele­den ook in Ned­er­land voork­wam, zijn afdrukken gevon­den in de steenkool van Lim­burg. Men dacht dat hij uit­gestor­ven was, tot­dat mensen hem in een dal in China ont­dek­ten. Dat was pas 70 jaar gele­den. Het is dus eigen­lijk een lev­end fos­siel. Al snel had men door dat de water­cipres, omdat hij zo’n lange geschiede­nis had, een zeer sterke ziek­tevrije soort was ‚die ook nog eens ide­ale eigen­schap­pen had voor aan­plant in de bebouwde kom: mooie rood wor­dende naalden en wor­tels die bestrat­ing en kabels en lei­din­gen met rust lieten.

Waar
De oud­ste water­ci­pressen die ik in de polder gevon­den heb, staan in het Oude Buurtje in Hoofd­dorp, waar­van 2 in het plantsoen tegen de kruisweg bij de Geniedijk. Deze wijk is rond 1975 gebouwd en de bomen waren toen al een jaar of 10 oud. Dus ze dateren van min­der dan 15 jaar na de ont­dekking! De beste plek om het ver­schil tussen moeras– en water­ci­pressen te bek­ijken is in de Japanse tuin van het Haar­lem­mer­meerse bos. Langs het water staan (met kniewor­tels) de moeras­ci­pressen en hoger op langs het pad de watercipressen.

 rivierprikvis­senRiv­ier­prik5 jan 2007jan­u­ari
 rivierprik

 rivierprik

De riv­ier­prik lijkt op het eerste gezicht op een pal­ing. Maar er zijn er grote ver­schillen. De vis heeft bijvoor­beeld aan beide zij­den zeven opval­lende kieu­wopenin­gen (zie foto). Verder heeft de riv­ier­prik een zuig­bek met kleine tand­jes, die werken als een rasp. Met die bek zuigen prikken zich vast aan vis­sen waarna ze met de rasp de flank ope­nen en leven van het bloed en vlees. Het zijn dus vis­parasi­eten. Behalve de riv­ier­prik, die 50 cm lang kan wor­den, zijn er beek– en zeep­rikken, die respec­tievelijk veel kleiner en veel groter zijn.
De riv­ier­prik leeft ongeveer vier jaar als larve in de bodem van stromende wateren. De tande­loze lar­ven zeven in die tijd voed­seldeelt­jes uit het water. Als vol­groeide prik trekt hij naar zee, leeft daar 23 jaar als bloedzuigende parasiet en komt dan als ges­lacht­srijp dier weer terug om te paaien. Na het paaien sterft hij.

Bij­zon­der

Het zusje van de riv­ier­prik, de beekprik, is beschermd in de Flora– en Fau­nawet. Door­dat de lar­ven van de riv­ier­prik grote gelijke­nis ver­to­nen met de lar­ven van de beekprik, vallen de riv­ier­prikken tot 15 cen­time­ter eve­neens onder de bescherming van de Flora– en Faunawet.

Waar

De riv­ier­prik paait boven grof zand– en grindbed­din­gen in de mid­den­lopen van riv­ieren en grote beken. De riv­ier­prik was voor 1945 zeer alge­meen in de grote riv­ieren. In de jaren zes­tig en zeventig is de riv­ier­prik nog steeds aan­wezig in de grote riv­ieren. Tussen 1986 en 1996 vindt een opmerke­lijke toe­name plaats. Het is opval­lend dat het verd­wi­j­nen en weer terugkomen van de riv­ier­prik samen­gaat met de ont­dekking van DDT en het ver­bod op veel pes­ti­ci­den. De riv­ier­prik wordt in de Haar­lem­mer­meer uit­slui­tend in de ring­vaart gevon­den. De vangst is al tien­tallen jaren het­zelfde met 810 exem­plaren. De vang­sten (in pal­ing­fuiken) wor­den gedaan in de tijd van de pal­ingtrek. Het betreft altijd vol­wassen exem­plaren van een pond of meer. Het is niet bek­end of deze dieren in deze omgev­ing paaien. Mogelijk betreft het dieren, die uit de Rijn afged­waald zijn.

 slechtvalkvogelsSlecht­valk9 jan 2007jan­u­ari
 slechtvalk

 slechtvalk

De slecht­valk behoort tot de groot­ste valken met een gemid­delde grootte van 43 cm. De vogels hebben een lichte onderkant met dwars­ban­den en een donker­gri­jze rug. De jonge vogels zijn eerst bruin. Wereld­wijd zijn een twintig­tal onder­soorten bek­end. Zoals bij de meeste roofvo­gels is het vrouwtje veel groter en zwaarder dan het man­netje. De prooien zijn vooral vogels (duiven, een­den) die het liefst in de vlucht wor­den ges­la­gen en meestal op slag dood zijn. De slecht­valk bewoont bij voorkeur steile rot­sen en ravijnen.

Bij­zon­der

De slecht­valk staat bek­end als de snelst duik­ende vogel ter wereld. Het dier maakt vanaf grote hoogte steile duikvluchten en bereikt daar­bij snel­he­den tot meer dan 300 km/​uur.
De aan­tallen slecht­valken namen reeds in de Tweede werel­door­log sterk af, omdat zij mas­saal wer­den afgeschoten omdat zij post­duiven vin­gen (die tussen mil­i­taire posten wer­den gebruikt). In de jaren ′ 60 kreeg de soort in Europa bijna de doo­d­steek wegens het over­matige gebruik van DDT. Sinds hun bescherming in ver­schil­lende lan­den lijken ze opnieuw aan een opmars bezig.

Waar

In Ned­er­land en Bel­gië is deze vogel steeds vaker te bewon­deren. Vooral in de win­ter is de slecht­valk een regel­matige ver­schi­jn­ing aan het wor­den. Sinds het jaar 2000 zijn er al meer dan 5000 waarne­min­gen in Ned­er­land gedaan. Sinds begin jaren ′90 broedt deze vogel ook in Ned­er­land in spe­ciale nestkas­ten, die door een slecht­valken­werk­groep wor­den geplaatst. Het dicht­st­bi­jz­i­jnde nest is reeds meer dan 5 jaar in de toren van de Hemweg­cen­trale in een nestkast 80 m boven de grond. In Haar­lem wordt over­wogen een nestkast te plaat­sen. Ook de Haar­lem­mer­meer wordt regel­matig bezocht. Frap­pant is het vaste win­ter­be­zoek van een vrouwtje dat al meer dan 5 jaar lang in de buurt van Vijfhuizen is. Aan haar ruipa­troon kon afgeleid wor­den dat zij waarschi­jn­lijk uit Noord-​Zweden komt. Ook uit de buurt van Zwaan­shoek is ‘s win­ters een vaste bezoeker bekend.

Terug­meldin­gen

Een aan­tal waarne­min­gen wer­den gedaan gedurende de zomer van 2007
Waar te nemen: regel­matige doortrekker en win­ter­gast
Status:Rode lijst soort

 winteraconiet2plantenWin­ter­akoniet en Sneeuwklokjes27 jan 2007jan­u­ari
 winteraconiet2

Ondanks het feit dat vorige week de vorst voor het eerst toes­loeg, waren er al bol­ge­wassen die het nieuwe jaar aankondi­gen en in bloei kwa­men. De bek­end­ste van deze planten is ongetwi­jfeld het sneeuwk­lokje. Weinig bek­end is echter dat er min­stens 60 soorten sneeuwk­lok­jes bestaan. De allervroegst bloeiende daar­van is het grote sneeuwk­lokje, die i.t.t de gewone boeren­sneeuwk­lok­jes wel 1520 hoog kan wor­den. Behalve de grote en de gewone sneeuwk­lok­jes zijn er dubbele, smal­bloemige, breed­bloemige, pol­len­vor­mende en wor­tel­stokvor­mende soorten. Een andere zeer vroeg bloeiende soort is de win­ter­akoniet. Het is een geliefde voor­jaars­bloeier van­wege zijn felle, gele kleur. De plant heeft sten­gels met daarop telkens 1 gele bloem, die omringd wordt door een krans van ongeveer 6 onges­teelde bladeren. De bloe­men ope­nen zich alleen als de zon schi­jnt. Het duurt ongeveer 4 jaar voor zaad vol­wassen is. Vele piep­kleine kiem­plan­t­jes staan meestal rond de vol­wassen planten (zie foto).

Bij­zon­der

Win­ter­akoni­eten en sneeuwk­lok­jes zijn stin­sen­planten. Dat is een verza­mel­naam voor planten die van elders zijn ingevo­erd vanaf de mid­deleeuwen tot het mid­den van de vorige eeuw. De planten wis­ten zich zo goed te hand­haven en soms ook uit te brei­den, dat ze nu tot de Ned­er­landse flora wor­den gerek­end. Tot de stin­sen­planten wor­den niet alleen bol­ge­wassen gerek­end, maar ook som­mige heesters en vaste planten; eve­nals som­mige „onkruiden”: zeven­blad en fluitekruid. De naam stin­sen­plant werd voor het eerst gebruikt door een botan­i­cus in1923, die opmerkte dat planten uit deze groep veel voorkomen bij oude boerder­i­jen, kerk­hoven, buiten­plaat­sen of zoals deze gebouwen in het noor­den wor­den genoemd: bor­gen (Gronin­gen), haveza­ten (Dren­the en Over­i­js­sel) en stin­sen (Friesland).

Waar

Boeren­sneeuwk­lok­jes zijn zeer alge­meen ver­wilderd in tuinen parken en boeren­er­ven. Andere soorten zijn niet zo alge­meen. In De Heiman­shof kun­nen een 10-​tal soorten bekeken wor­den. Sneeuwk­lok­jes komen oor­spronke­lijk uit Turk­ije en de Balkan​.De win­ter­akoni­eten wor­den in het wild als vrij zeldzaam beschouwd. Toch kun­nen zij regel­matig in tuinen en parken wor­den aangetrof­fen. Win­ter­akoni­eten komen uit Turk­ije waar zij o.a in het Tau­rus­ge­bergte groeien op zo’n 2000 m hoogte.

 parapluutjesmosplantenPara­plu­ut­jes­mos6 jan 2008jan­u­ari
 parapluutjesmos

Herken­ning van mossen begint met het ver­schil tussen blad– en lev­er­mossen. De meeste blad­mossen hebben blaad­jes, die om een sten­gel staan en een mid­den­nerf hebben. Als lev­er­mossen bladeren hebben, zit­ten er geen ner­ven in. Er zijn ook lev­er­mossen zon­der sten­gels. De plant bestaat dan uit een groene, bladachtige schijf (thal­lus), die qua vorm op een lever lijkt, van­daar de naam. Het bek­end­ste lev­er­mos is para­plu­ut­jes­mos. Het groeit op beschaduwde, vochtige plekken. Het thal­lus van para­plu­ut­jes­mos zit met hecht­draden vast, die geen wor­tels zijn. Op het thal­lus zit­ten ondiepe broed­bek­ert­jes met broed­ko­r­rels. Die kor­rels zijn een soort stek­jes, die met opspat­tend regen­wa­ter wegges­lingerd wor­den en kun­nen uit­groeien tot nieuwe plan­t­jes. De voort­plant­i­ng­sor­ga­nen zit­ten op ver­schil­lende planten. Zaad­cellen wor­den gevormd door man­nelijke planten in kom­met­jes. De zaad­cellen kun­nen zich op eigen kracht naar de eicellen in de vrouwelijke orga­nen bewe­gen. Die zit­ten op vrouwelijke planten en lijken op paraplu′s, waar­van alleen de negen baleinen over zijn. Onder die baleinen zit­ten zak­jes, waarin zich fijne gele sporen ontwikkelen.

Bij­zon­der

Lev­er­mossen bestaan al min­stens 375 miljoen jaar. Dat lev­er­mossen een grote lev­en­skracht hebben opgedaan in hun lange geschiede­nis, mag blijken uit het feit dat zij zich kun­nen hand­haven onder omstandighe­den waar alle andere planten het moeten opgeven. In dit geval zijn het de zeer natte en zure omstandighe­den en het feit dat de mossen zeer vitaal zijn, ter­wijl het ter­rein rijke­lijk met bestri­jd­ingsmid­de­len wordt behan­deld om het onkruid­vrij te houden.

Waar

Soms kom je langs een ter­rein, waaraan je meteen ziet, dat er iets bij­zon­ders mee is. Dat gevoel had ik een paar weken gele­den toen ik in Bad­ho­eve­dorp was, in de hoek waar de A4 de Haar­lem­mer­meer bin­nenkomt. Het was een ver­laten tuin­derij, die hele­maal bedekt was met mossen. Om de oorzaak daar­van uit te zoeken, ben ik er met een aan­tal leden van de KNNV mossen­werk­groep naar terug gegaan. 50 % van het ter­rein was bedekt met para­plu­ut­jes­mos. Over de ruim 20 andere mossoorten leest u vol­gende week. De bij­zon­dere aard van dit ter­rein voor de Haar­lem­mer­meer is, dat het een hoekje is dat door de ring­vaart afgeschei­den is van het veenge­bied rond de Nieuwe Meer, waar het eigen­lijk bij hoort.

 mossen_gekroesdplakkaatmosplantenMossen13 jan 2008jan­u­ari
 mossen_gekroesdplakkaatmos

Vaak wordt gedacht dat de win­ter een peri­ode is waarin er in de natuur weinig of niets te beleven is. Dat geldt zeker niet voor de wereld van de mossen, waar­voor de win­ter de top­tijd is. Mossen groeien door bij lagere tem­per­a­turen dan vaat­planten. In de win­ter en vroege voor­jaar hebben ze het voordeel, dat ze zelf door groeien en dat ze door andere planten niet over­woek­erd wor­den. In Ned­er­land komen zo’n 550 soorten voor.
Mossen zijn de een­voudig­ste altijd-​groene land­planten. Ze hebben geen vaat­bun­dels en wor­tels, zoals varens en bloeiende planten. Mossen wor­den onderverdeeld in drie groepen: blad-​, lever– en hauw­mossen. Blad­mossen vallen in drie groepen uiteen: Veen­mossen hebben ver­takte sten­gels en groeien in moerassen. Top­kapsel­mossen zijn niet ver­takt en hebben het sporenkapsel aan de top van de sten­gel. Verder zijn er slaap­mossen met veel zij­takken, die meestal op de grond liggen en sporenkapsels langs de sten­gel maken.

Bij­zon­der

Veel soorten zijn in staat om volledig uit te dro­gen en na nat wor­den weer gewoon door te groeien. Omdat mossen geen wor­tels hebben en hun voed­sel via het blad opne­men, kun­nen zij soms jaren­lang aan de top door­groeien, ter­wijl ze aan het oud­ste eind gelei­delijk afster­ven. Bij som­mige soorten kan de plant vele decen­nia oud worden.

Waar

Op een veenge­bied in Bad­ho­eve­dorp von­den we naast het vorige week gemelde Para­plu­ut­jes­mos, Gewoon dikkop­mos (een slaap­mos) en 13 top­kapsel­soorten. Het lage aan­tal slaap­mossen, komt waarschi­jn­lijk door het gebruik van bestri­jd­ingsmid­de­len, waar­door deze soorten niet de leeftijd bereiken om zich voort te planten. Bij­zon­der was dat de top­kapsel­mossen wel vri­jwel alle­maal sporenkapsels vor­m­den. Het zijn pio­nier­soorten, zoals Gewoon purper­steeltje dat gedijt bij menselijke ver­stor­ing en stik­stofver­rijk­ing, maar waar de bodem vrij sta­biel is. Braamknikmos vormt minis­cule rode knol­let­jes die er uitzien als aard­beit­jes, waarmee hij zich veg­e­tatief ver­spreid. Ook von­den we waarschi­jn­lijk de 1e exem­plaren van Gewoon kleimos in de Haar­lem­mer­meer.
Op het nabij gele­gen ver­laten oude Sonyter­rein kwa­men nog 2 bij­zon­dere soorten te voorschijn: tussen het riet, gekroesd plakkaat­mos (zie foto), een lev­er­mos, wat vooral uit kalkrijke duin­valleien bek­end is en het gezoomd ved­er­mos, een top­kapsel­mos, wat ook nog niet eerder in de Haar­lem­mer­meer werd gevonden.

 stinkendnieskruidplantenStink­end Nieskruid14 jan 2008jan­u­ari
 stinkendnieskruid

Niet alleen mossen hebben in de win­ter hun top­tijd. Er zijn ook hogere planten die in de kou goed gedi­jen. Stink­end nieskruid of ker­stroos is er zo een. Het is een plant van rot­sachtige hellin­gen, bermen en open bossen, die in ons land wel in tuinen wordt aangetrof­fen en zich van daaruit heeft ver­spreid. Dit fam­i­lielid van de boterbloe­men is een win­ter­groene vaste plant. Hij heeft zijn Ned­er­landse naam te danken aan de groenige bloe­men die stinken als ze wor­den aanger­aakt. De plant zaait zich vrij makke­lijk uit. Met de steeds zachtere win­ters doet hij zijn bij­naam Ker­stroos eer aan en bloeit dan zeker tot april. Door deze vroege bloei is de plant, samen met bol­ge­wassen een welkome voed­sel­bron voor bijen en andere insecten. De mieren waarderen de olie die uit de zaden komt, en slepen deze mee. Op deze manier vindt de ver­sprei­d­ing van de zaden plaats.

Bij­zon­der

Alle planten­de­len zijn zwak giftig. De onaan­ge­name geur van de bloe­men is zeer sterk als de enigszins leer­achtige bladeren wor­den fijngewreven (gebruik hand­schoe­nen). De zaden kun­nen bij het oog­sten jeuk veroorza­ken en pijn in de vingers. Ze bevat­ten een stof die huid– en sli­jmvliezen irri­teert en een andere, die op het hart inwerkt. Vergiftig­ingsver­schi­jnse­len komen uiterst zelden voor en geen reden om deze mooie plant uit de tuin te ban­nen. De plant stond bek­end om zijn genezende werk­ing bij depressies en waan­denkbeelden. De lati­jnse naam Helle­borus betekent: voed­sel uit de Hel. Vol­gens de over­lev­er­ing stierf Alexan­der de Grote aan een over­do­sis van dit kruid omdat zijn art­sen er iets te scheutig mee waren.

Waar

Stink­end Nieskruid is een plant die oor­spronke­lijk uit de bergge­bieden rond de Alpen, Karpaten en Apeni­j­nen komt. Tot in Bel­gië komt deze soort inheems voor. In ons land vooral in tuinen en verwilderd.

Terug­meldin­gen

Een maand gele­den meldde ik de zeldzame vel­duilen, die broe­den op Schiphol. Sinds kort is een spec­tac­u­laire groep van 15 win­ter­gas­ten van deze soort neergestreken op het braak­liggende ter­rein van het toekom­stige Toolenburg-​Zuid. Ongetwi­jfeld doen ook deze dieren zich te goed aan (de resten van) van de grote veld­muizen­pop­u­latie van dit jaar, waaraan zoveel andere roofvo­gels en uilen een bij­zon­der goed jaar te danken hebben.