
Daslook met look-wilgenroest
De grootste plaag in onze tuin is een exotisch sieruitje uit de omgeving van de Kaspische Zee: armbloemig look. Met zijn weinig sierlijke tros broedbolletjes en enorme groeikracht in het voorjaar houdt deze plant veel vrijwilligers flink bezig.
Waar sommigen spreken over het voorjaar, hebben vaste vrijwilligers het inmiddels over het ‘wiedseizoen’, dat loopt van maart tot mei. Er wordt geknield, gehurkt en gebukt om emmers en kruiwagens te vullen. Soms wordt zelfs 5 tot 10 centimeter van de bovengrond afgevoerd. En ondanks alle inspanningen verspreiden we onbedoeld weer nieuwe broedbolletjes, waardoor we ook volgend jaar opnieuw aan de slag kunnen.
In onze tuin gaan we respectvol om met planten en vermijden we termen als ‘onkruid’. Zelfs exoten krijgen een kans, zeker als ze iets bijzonders toevoegen. Toch hopen we stiekem dat de monocultuur van armbloemig look ooit wordt doorbroken.
Begin april leek die hoop even werkelijkheid te worden. Onder de wilg bij de brug werden planten gevonden die slecht groeiden en tekenen van aantasting vertoonden. Op de bladeren verschenen kleine oranje vlekjes: een roestschimmel. Op zonnige plekken, waar deze schaduwminnaars minder goed gedijen, bleek de aantasting sterker dan in het bos.
Ook in de daslookvelden werd roest waargenomen. Het gaat mogelijk om look-wilgenroest, een schimmel die bekend is van daslook, maar nog niet eerder op armbloemig look is gezien. Deze schimmel wisselt van waardplant: eerst op look en daarna op wilg.
In onze tuin staan verschillende wilgensoorten dicht bij elkaar, wat het aannemelijk maakt dat deze schimmel zich kan verspreiden. Op dit moment is er nog geen roest zichtbaar op de wilgen, maar de omstandigheden lijken gunstig voor verdere ontwikkeling.
Misschien betekent dit dat de dominantie van armbloemig look in de toekomst vanzelf afneemt. Tot die tijd blijven we wieden — met geduld, doorzettingsvermogen en een klein beetje hoop.
